Uitgedoofd
‘Wij gaan ervandoor.’ Er wordt geschreeuwd om boven de muziek uit te komen. Tom knikt en geeft zijn laatst overgebleven vriend een hand, gevolgd door een plakkerige omhelzing, waarbij hun bezwete bovenlijven vluchtig tegen elkaar gedrukt worden. Zijn andere vrienden zijn allemaal al eerder vertrokken, zonder gedag te zeggen. Het is inmiddels belachelijk vroeg in de ochtend en het feestje zal zo wel tot een einde lopen, maar hij blijft nog even staan, zolang het kan. Niet omdat hij het zo naar zijn zin heeft, eigenlijk is het nogal een klotefeest, maar voornamelijk omdat hij aan het wachten is tot zijn ogen wat minder erg trillen en wegdraaien, zodat hij aan de weg naar huis kan beginnen. Het is een bizarre gedachte dat hij 24 uur geleden op de fiets naar zijn werk zat en tussendoor niet geslapen heeft. Ondanks het gebrek aan slaap en de grote hoeveelheid chemische stoffen die hij zichzelf heeft toegediend, is hij scherp en helder in zijn hoofd. Hij observeert de donkere, bedompte ruimte, die af en toe wordt voorzien van felgekleurde lichtflitsen. De mensen die het laatst overblijven op dit soort feestjes, zijn meestal niet meer op hun leukst. En hij hoort daarbij. Er is echter wel één, in zijn ogen overduidelijk, verschil tussen hem en zijn medefeestgangers, waar hij zich elk jaar steeds akeliger bewust van wordt. Eerder op de avond had het blonde meisje met heuptasje en de grote zwarte ogen, nadat ze hem een slokje van haar water had aangeboden, naar zijn leeftijd gevraagd. ‘Dat meen je niet!’ had ze geroepen als reactie op zijn antwoord, gevolgd door een overdreven verbaasde blik, waarbij haar ogen nog groter werden. Hij begreep wel dat het meer als compliment dan als kritiek bedoeld was, maar dat weerhield hem er niet van door het verhoogde plateau achterin de zaal van de club te willen zakken. Om hem heen dus alleen maar jonge, gave gezichtjes, enkel wat gehavend door het geweld van de nacht. Hij wordt omringd door de nog ietwat onhandige, kersverse grotemensenlijven, stuk voor stuk gekleed volgens een trend die hij niet begrijpt. Dagelijks bevind hij zich onder de mensen van deze leeftijd, kinderen, eigenlijk. Zijn studenten. De laatste tijd is er wel vaker door zijn hoofd gegaan hoe gênant hij het zou vinden als hij één van hen hier zou tegenkomen, in deze club, in deze toestand. Eén keer eerder liep hij op een feestje een leerling tegen het lijf, Eliza, maar op het moment van die toevallige ontmoeting zat zij al niet meer in zijn klas. Eliza had een aantal jaar eerder in zijn mentorgroep gezeten, vervroegd afgestudeerd aan de middelbare school, compleet met beugel en kleine, puntige borstjes die nog bezig waren zich te volgroeien. Die nacht in de club had hij moeite gehad zijn ogen af te houden van haar inmiddels welgevormde, stevig uitziende borsten die zich nauwelijks hadden verstopt onder de doorschijnende stof van haar hemdje. Een paar uur later stond hij op het damestoilet met haar tong in zijn mond, driftig met zijn hand in haar broekje te rommelen. Zijn vrienden hadden het voorval later bestempeld als ‘cool’ en hij was zelfs trots geweest. Als zo’n zelfde situatie zich nu weer zou voordoen zou het alleen maar zielig zijn en eigenlijk gewoonweg vies.
Langzaam voelt hij de spieren in zijn gezicht weer wat ontspannen en hij besluit dat het tijd is om naar huis te gaan. Tom beweegt zich naar de deur van de zaal. Onderweg loopt hij langs het meisje met het heuptasje en de blonde haren, die ze inmiddels in een grote knot op haar hoofd heeft gebonden. Enkele losgesprongen strengen plakken aan haar verhitte gezicht. In zijn voorbijgang raakt hij even haar schouder aan bij wijze van afscheid. Zij zwaait hem enthousiast na als hij de deur door gaat. Onderweg naar buiten drukt Tom de bouncer, die in het felle ochtendlicht bij de ingang zit, wat kleingeld in zijn handen. ‘Bedankt weer. Fijne avond,’ mompelt hij, voordat hij beseft dat het allang geen avond meer is. De bouncer grinnikt. ‘Slaap lekker, Tom. En tot volgende week.’












