Dialoog
Schrijfopdracht: Schrijf een proza-dialoog Plot: Personage A vraagt aan personage B of hij/zij even op zijn/haar tassen wil passen terwijl hij/zij even naar het toilet gaat. Wanneer A terug is en af wil rekenen blijkt er geen portemonnee meer in de tas te zitten. A beschuldigt B van diefstal. Waar: In een café
—
‘Dertien euro, alstublieft,’ zegt het mooie meisje met het donkerbruine haar dat achter de bar staat. Afgeleid door de stralende glimlach die ze me schenkt, dringt het pas een paar tellen later tot me door wat er nu van me verwacht wordt. ‘Ah, ja natuurlijk…’ mompel ik, terwijl ik de rugtas van mijn schouder slinger en opzoek ga naar mijn portemonnee. Wanneer ik zowel het voorvakje als het hoofdvak grondig doorzocht heb kom ik tot de conclusie dat hij er niet in zit. Geërgerd excuseer ik mij tegenover het meisje, dat inmiddels gestopt is met glimlachen. Ik loop terug naar de grote tafel, waaraan ik zojuist mijn koffie opgedronken heb. De jongen die ik eerder vroeg om op mijn spullen te letten terwijl ik even naar het toilet ging, zit er nog steeds. Hij kijkt op van zijn laptop als ik naast hem ga staan. ‘Goed, hier heb ik dus geen tijd voor.’ De jongen kijkt me vragend aan, trekt een wenkbrauw omhoog. ‘Wat bedoelt u?’ Ik zucht. ‘Waar heb je ‘m gelaten?’ Het gezicht van de jongen betrekt. ‘Ik weet niet waar u het over heeft, meneer,’ zegt hij. ‘Als je me nu gewoon mijn portemonnee teruggeeft, zal ik er verder geen politie bij halen.’ Ik houd mijn hand op, in de verwachting dat de jongen hier mijn gestolen portemonnee in zal leggen. De jongen kijkt me enigszins benauwd aan. Dan grijp ik hem bij de kraag van zijn overhemd. ‘Hier met dat ding!’ Ik schreeuw het in zijn gezicht. Hij krimpt ineen. ‘Meneer, ik weet echt niet–‘ ‘Luister, etterbak,’ ik buig mijn gezicht dichter naar het zijne, ‘als je me nu niet–‘ Ik onderbreek mijn gebrul als ik vanuit mijn ooghoek ineens iets zie liggen, weggeschoven onder de stoel waar ik nog geen kwartier geleden op gezeten heb. Het is de roodleren portemonnee die ik vanochtend in mijn rugtas stopte. Ik besef dan dat ik een gigantische fout begaan heb.
Als verstijfd sta ik daar, de kraag van de jongen nog steeds in mijn dichtgeknepen vuist. De jongen zit onbeweeglijk op zijn stoel, maar volgt mijn blik met zijn ogen en ziet dan ook wat ik zojuist gezien heb. Hij richt zijn ogen weer op mij, kijkt me recht aan. Zijn linker mondhoek trekt langzaam omhoog, een voorzichtig brutale grijns verschijnt op zijn gezicht. Geschrokken laat ik hem los, maak zowat een snoekduik onder de tafel en gris de portemonnee van de grond. De jongen volgt elke beweging die ik maak. Bij het opstaan stoot ik tot overmaat van ramp hard mijn hoofd tegen de rand van de tafel. Lichtelijk gedesoriënteerd van de klap en het snelle opstaan trek ik een verfrommeld geldbriefje uit één van de sleufjes van de portemonnee. Ik haast me naar de uitgang. Onderweg naar buiten druk ik het meisje achter de bar het briefje van vijftig in haar handen. ‘Houd de rest maar,’ zeg ik, waarna ik met het schaamrood op mijn kaken het café uit been.

















