in dubio abstine
wie zich straks onder de kin krabt de weg niet langer vindt in grot spelonk of mossig bos
en wie daarna de stad bekijkt er vormen vol lawaai aanschouwt
de moord die zich op oog en oor met grijs dat even mat als scherp en vliegensvlug vertraagd voltrekt
wie dan maar weer zichzelf aanstaart verstomd en dof de golven telt herkent in zee een eigen traan














