Ik heb een wereld gecreëerd in mijn hoofd. Een plek om in rond te dartelen. Nee, om in rond te zwerven. Om in te mijmeren. Een paradijs voor mij (alleen); om te vluchten van een wereld die mij lijkt te verstoten. Om mij te verstoppen voor alles en iedereen, en vooral: om niet gevonden te worden. Want niemand wou van mij weten, dus ik ook van niemand niet. (Kinderachtig, ik weet het, maar dat is het kind in mij dat ze proberen afpakken hebben). En ik heb mij hier heel lang veilig en op mijn gemak gevoeld. Maar de eenzaamheid is mij nu langzaam aan het inhalen denk ik. Ik krijg het gevoel dat ik iets mis. Een beetje zoals Adam die in de tuin van Eden ook niet volledig was zonder zijn Eva; misschien moet ik ook één van mijn ribben breken om heel te worden. Want nu wil ik wél iemand toelaten. Alleen weet ik niet goed hoe. Ik weet niet meer waar de deur zich bevindt, of er wel al één is om te beginnen. En of er überhaupt wel (nog) iemand wil binnenkomen. Want het regent hier vaak. En het dondert soms zo luid dat ge bijna niet verstaat wat ge aan het denken zijt. En soms schijnt de zon zo hard dat ge bijna ter plekke zou uitdrogen. Dus zeg nu zelf, wie kan daar van houden?