Over autisme en misantropie
Al van vroegs af aan werd me verteld dat ik belangrijke dingen niet begreep. Dat ik me niet juist gedroeg en dat ik nog zo veel te leren had van jullie, de normale mensen, de meesters van empathie, sociaal gedrag en verstand.
Er werd me duidelijk gemaakt dat ik niet zou kunnen overleven als ik mezelf bleef.
âJa natuurlijk zou iedereen zich aan je kunnen aanpassen.â zeiden ze. âMaar éénmaal dat je volwassen bent moet je kunnen een normaal leven leiden. Daarom moet je nu al leren door het leven gaan zonder een speciale behandeling. Je moet leren omgaan met mensen. Je moet leren sociaal zijn en jezelf niet afzonderen. Je moet de waarde van mensen boven dieren en voorwerpen begrijpen. Je moet empathisch leren zijn, je moet leren inzien dat anderen ook gevoelens hebben en je moet het beseffen wanneer je iemand kwetst. Je moet kunnen inzien wanneer je verkeerd bent.â
Ik zag het als mijn plicht natuurlijk. Mijn bestaan, mijn leven, hing hier van af. Als ik kon leren om een mens te zijn - wel ja - dan mocht ik een mens zijn. Dan mocht ik een deel van jullie uitmaken. Als ik het niet kon, dan zou ik in de goot eindigen. Dus ik leerde het allemaal.
Eerst leerde ik sociale omgang van jullie. Ik leerde om mensen niet te negeren en ten alle tijden hen in de ogen te kijken en met hen te converseren. Een super belangrijke les, dat lieten jullie me keer op keer weten.
Tot jullie smartphones uitvonden en jullie je eigen cruciale lessen onmiddellijk vergaten in ruil voor sociale netwerk feeds en memes. Nu kijk ik jullie telkens plichtsbewust in de ogen, stel ik vragen over jullie, over jullie dag, over wat dan ook. En jullie antwoorden niet. Kijken me niet aan. Willen dat ik zwijg zodat jullie rustig kunnen verder scrollen.
Dan leerde ik de waarde van mensen boven alles. Op de harde manier. Ik kreeg een schoen in mijn gezicht terwijl de andere kinderen lachten.
âHĂ© Roel!â zei hij. âIk heb daarnet op een regenworm gestampt! Ga je nu huilen?â
Jullie leerden me hoe grappig dit was. O wat werd er gelachen.
âHĂ© Roel!â zei ze. âIk heb een tak van een boom getrokken! Is de boom nu verdrietig?â
Ik leerde dat voorwerpen eigendom waren en geen eigen wil mochten hebben. Ik leerde dat ik me nooit mocht zorgen maken of huilen om voorwerpen. En ik leerde dat zowel planten als dieren ook voorwerpen waren. Zij zijn van ons. Zelfs de dieren die vrij rondzwerven in de wereld zijn gewoon de huisdieren die we niet voederen. De wilde bossen zijn de tuinen die we niet onderhouden. Allemaal voorwerpen. We ruilen ze, eten ze, bezitten ze, alsof het geld is. Want ze zijn geld. Alles is geld. Alles behalve mensen. Alles dient voor mensen. Wij zijn de reden van alles.
En dan plots gingen jullie allemaal het straat op. In protest. Lang leve Greta. Red het klimaat. Maar ik herkende hem wel in de menigte. En ik herkende haar ook. Ik herkende ze allemaal. Dezelfde mensen die mij deze harde les geleerd hadden die nu het straat op kwamen. Er werd voor hen geapplaudisseerd. Wat een rebellen. Wat een helden. Wat een nobele strijd tegen een apathische wereld.
Ik roep even tegen de meute om te stoppen. Opgepast hier zit een rups op de weg. Ik wil hem eventjes uit de weg zetten. Jullie draaien cirkeltjes met jullie vingers naast het hoofd. Ja, ik ben nog steeds zot. Hoe dom van me. Ik had al lang moeten leren dat jullie protest voor de natuur belangrijker was dan dit dom waardeloos object dat over de straat kruipt. Het protest draait natuurlijk om jullie. Om de mensen. Jullie zijn de reden van alles.
Vervolgens leerde ik empathie van jullie. Toen ik voor iemands camera liep en een foto verpestte werd er me met hand en tand uitgelegd hoe gekwetst de amateurfotograaf wel niet was. Hij had zo graag een foto genomen van het toeristische pronkstuk zonder mensen op. Nu had ik die kans voor hem verpest. Wat een verlies. âHet draait er niet om wat jij van fotoâs vind! Leef je nu toch eens voor één keer in iemand anders in!â werd er mij gesmeekt.
Gelukkig moeten we ons niet inleven in de daklozen. Dat zag ik immers nooit iemand doen. De daklozen mogen we naar spugen. Het zijn drugsverslaafden die hier hun leven hier liggen te verspillen in plaats van zelf geld te verdienen. Kijk die daar heeft schoenen. Ik heb ook schoenen. Zo dakloos zal die dan wel niet zijn. Kijk die daar heeft een smartphone. Wat een bedrieger. Kom maar terug wanneer je helemaal naakt bent en een arm ontbreekt, dan geef ik je misschien geld. Of nee wacht, want dan zou je gehandicapt zijn en op de gehandicapten mogen we ook spugen. Geef ze in ieder geval geen geld, die daklozen, want anders gaan ze drugs kopen. Daklozen die drugs kopen, wat een smeerlappen! Wat een criminelen! Ze zouden verdorie eens minder lui moeten zijn; stoppen met drugs kopen terwijl ze verslaafd zijn en dan dodelijk ziek worden, bezwijken aan afkickverschijnselen op straat waar niemand hen komt helpen; want onze empathie is in ieder geval te hoog ontwikkeld om ons met die losers bezig te houden.
Ik leerde ook dingen te verzwijgen in de naam van empathie. Vertel mensen niet wat je denkt. Vertel ze niet over hun fouten, hoe begrijpelijk of menselijk dan ook, hoe verschrikkelijk de gevolgen ook zouden zijn. Nee, praat er om heen. Lieg tegen ze. Hint wat naar ze. Manipuleer ze. Zeg het hen niet direct want stel dat je ze zou kwetsen? Ja onzen Bert is hopeloos racistisch en houdt zich actief bezig met de levens van mensen te saboteren gewoon omdat ze een ander tintje hebben, maar zeg hem dat niet! Stel je dan toch eens voor hoe arme Bert zich zou voelen? Hou de schijn maar liever hoog en negeer alles waar je je aan stoort.
Ik moet toegeven dat het moeilijk is, empathie. Zeker als je moreel kompas zo onherroepelijk verprutst is zoals het mijne.
âDe meeste mensen voelen het aan.â Vertelde de psychologe me. âMaar jij niet. Jij moet gewoon diep nadenken over hoe de anderen zich zouden voelen. Maar als je er eens goed over nadenkt en af en toe stil staat bij wat je doet, dan kan jij het ook!â
Dus braaf als ik was begon ik diep na te denken, en ik kwam al snel tot al de foute conclusies. Ik trok veel te vaak de beslissingen van anderen in twijfel terwijl er helemaal niets mis was met die beslissingen. Mijn kritiek was altijd zinloos, want ik was er diep over aan het nadenken en zij hoefden dat niet. Zij voelden het aan! Zij waren normaal! Perfect! Magisch! Bij toverslag wisten zij, als normale mensen, altijd dat hun natuurlijke empathisch gevoel werkt en dus altijd 100% juist is. Geen zelfreflectie nodig! Wat een luxe. Wat goed dat onze eeuwenlange filosofische onderzoeken naar ethiek en deugd achteraf compleet nutteloos zijn gebleken vermits wij toch nooit iets verkeerd doen.
âWant ik maak me veel zorgen om mijn vrouw. En mijn zoontje. Zie al deze empathie! Ik heb ook een hekel aan homoâs natuurlijk. Die moeten allemaal dood. Maar aan mijn empathie zal het niet liggen. Kijk hoeveel empathie ik voel voor mijn zoon! En voor X, en Y en Z! Kijk hoe solidair ik ben op al deze andere vlakken! Zo zie je maar: ik ben een goede mens en mijn homohaat is dus redelijk. Geen reflectie nodig. Wat zeg je? Ik? Vrouwen haten? Mijn moeder was een vrouw! Hoe kan ik nu vrouwen haten? Allez kom aan. De wereld is zot aan het worden!â
En ik leerde het inzien wanneer ik verkeerd ben, wanneer ik in fout ben: Ik ben fout wanneer jij juist bent. Jij bent juist, wanneer jij zegt dat jij juist bent. En in geval van twijfel ben ik per definitie in fout omdat mijn hoofd anders in elkaar zit dan het jouwe en ik jouw superieure denken gewoon niet begrijp. Het is zo eenvoudig dat het absurd is om te denken dat ik er ooit moeite mee had! Wanneer ben ik fout? Telkens als ik merk dat ik een groep van normale mensen tegenspreek natuurlijk! Waarom heb ik ooit al die tijd verspild met naar hun argumenten te luisteren en mijn eigen overtuigingen te bestuderen? Het was al die tijd al zo simpel!
Toen ik vijftien Ă zestien was moest ik op school een presentatie geven over levensbeschouwing. Hoe kijk ik naar het leven op? De titel van mijn presentatie: misantropie.
âIk haat mensen.â Legde ik uit tegen de klas. âAlle mensen. Jullie ook. Ook mezelf. Mensen doen zelden iets goeds en wanneer ze het wel doen komen er andere mensen langs om het te verpesten, als ze het niet al zelf verpesten. Mensen zijn egoĂŻstisch en gek in hun hoofd, maar te arrogant om het van zichzelf toe te geven. Ze vinden het zelden nodig om voor hun eigen gebreken te compenseren.â
Ik motiveerde mijn standpunt vanuit een brede kijk: wat hebben de mensen met de wereld en met elkaar gedaan? Ik hield mezelf er buiten. Een beetje onoprecht natuurlijk want ik ben eigenlijk de misantroop. Ik ben de gekwetste. Deze mensenhaat zou nooit zo gegroeid zijn, als mijn eigen menszijn nooit in twijfel getrokken was geweest. Ik zou nooit het gedrag van mensen zo bekritiseren, als ze me niet gedwongen hadden om me zo menselijk mogelijk te gedragen. Als de normale mens me nooit werd voorgeschoteld als het grote voorbeeld waar ik naartoe moest groeien, dan was ik nooit normale mensen beginnen haten.
Er wordt mij vaak gezegd dat ik het goede in mensen maar eens moest leren inzien. Dat ik optimistischer moet zijn. Dat ik moet stoppen met iedereen dom te noemen. Dat ik eerlijkere relaties met mensen moet aangaan waarin ik de mensen beter vertrouw. Dat ik niet moet leven vanuit de assumptie dat alle vriendschappen die ik maak weer zullen vergaan. Ik zie wel in dat dit allemaal nobele doelen zijn, die heel goed voor me zouden kunnen zijn. Ik zie wel dat er iets goed in mensen zit.
Maar ik zie ook het goede in insecten. En in onkruid en ongemaaide grasvelden en bossen en gehandicapten en depressievelingen en mieren in het huis en de volkeren van vijandige landen en spinnen en thee die naar afval smaakt en gevangenen en daklozen en schimmel en vissen en homoseksuelen en ratten en zoveel meer.
Als ik van mensen leerde houden en als ik er eindelijk in zou slagen om zelf ook een volwaardige mens te worden, zou ik dan nog steeds het goede in al die andere dingen kunnen zien? Of zou ik ze ook beginnen haten? Het is voor me zo moeilijk om mensen anders te definiĂ«ren dan domme, verwarde of haatvolle wezens. Ik zie een keuze tussen mensen haten, of al de rest haten â of op zijn minst al de rest te vernietigen alsof je het haat, ook al denk je er werkelijk nooit over na.
Bot gezegd: Ik ben veel liever een insectenvriend dan een mensenvriend. En ik ben veel liever een koppige kluizenaar zonder toekomst, die liefde voelt voor dingen die weinig liefde krijgen, dan gewoon nog een mens met alle problemen van dien. Er zijn al genoeg mensen. Ik wil meer spinnen in de wereld zien.











