Ons moeke
Ons moeke heeft Alzheimer. Haar hoofd zit vaak in de wolken. In verwarrende wolken. Soms, steeds vaker, weet ze niet meer wie ik ben. En soms herken ik haar ook niet meer. Gesprekken gaan niet meer. Ze kan wel praten, soms praat ze veel. Maar halverwege haar zin drijft haar vertelling dan uiteen. Haar verhalen drijven in het luchtledige. Alsof iemand een vreemde droom beschrijft, maar in haar belevenis is het echt. Haar geest is losgekoppeld van de wereld en telkens als ze terug is kent ze niets of niemand meer. Dan voelt ze zich niet meer thuis in wat al jaren haar huis is geweest. Wil ze haar ouders gaan opzoeken, of andere familie of vrienden die ons al lang geleden verlaten hebben. Het voelt zwaarder dan zwaartekracht, om iemand te kennen die uit elkaar aan het drijven is. Haar geest wordt soep, maar mijn liefde voor haar is nooit verzwakt. Zo houden we allemaal nog steeds van die soep die overblijft. Maar we kunnen niet meer met haar praten. Niet echt. Als ik nog met haar kon praten dan kan ik al raden wat ze zou zeggen. "Wanneer hebt ge nu een vriendin?" Want dat zei ze altijd. Meestal lachte ik het dan weg. "Ik heb er al een paar hoor!" zei ik dan plagend. Dat had ze niet graag. Ze kon het ook nooit loslaten en ze zou het nog een paar keer opnieuw vragen. "Hoe zit het er mee?", "Wanneer gaat ge trouwen?" Ze begon er altijd over als ik haar zag, ik zweer het. Geen uitzondering. Soms werd ik er zot van. Dan voelde ik me alsof ik beschuldigd werd, alsof ik iets had misdaan. "Nog steeds geen vriendin?" Is hoe ik het verstond. Alsof ik moest verantwoorden waarom niemand me zag staan. Maar mijn grootmoeder veroordeelde me niet denk ik. Ze was niet verontwaardigd op mij omdat ik geen vriendin had, maar op al die meisjes die er toch altijd in sloegen haar kleinzoon te ontwijken. En dat begreep ze niet, dat er niemand verliefd op me werd. Zij hield al heel mijn leven van me. Zo dacht ze altijd over me: mijn mooie lieve kleinzoon, waarom is die nog steeds niet met een meisje naar huis gekomen? Het is nochtans zo'n goede jongen. Het zit er elk moment aan te komen. Lief. Maar ik denk er niet zo over. Ik denk dat het slecht is voor je mentale gezondheid om er zo over te denken: dat je een fantastisch lief zou zijn, en dat het enigste dat nog moet gebeuren het werk van iemand anders is; iemand moet jou maar eens opmerken en eenmaal als dat gebeurt lukt al de rest. Ik ken zo een pop nummer. “Where do the good boys go to hide away?” Zingt de zangeres. Ik denk niet dat dat klopt. Hide? Zouden de goede mannen zich ergens wegstoppen? Ik denk eerder dat ze niet bestaan. Ikzelf ben althans niet arrogant genoeg om te geloven dat ik één van die vele zogezegde onontdekte super geliefden ben, die zou uitbloeien tot wat dan ook als hij zichzelf eens liet tonen. Er zit niet stiekem een goed hart in elke schoft die zijn vriendin mishandeld, net als er niet stiekem een onerkende romanticus zit in elke autist die zichzelf wegcijfert achter zijn pc. Insecten als ik zijn zo vervreemd van de wereld en hebben zo'n afstotende gedragingen, niet omdat we iets verstoppen. Het is juist hoe we ons uiten. Het is wat we zijn. Er zit hier niets verstopt. Ik ben de verstopplek. Ik ben de façade en ik ben de negatieve ruimte die ik overal achterlaat. Ik ben de jarenlange stiltes, de kwade gedegouteerde blikken, de rollende ogen,...
Enfin, korter gezegd: Ik heb nog geen vriendin omdat ik niet de persoon ben om zomaar met een vriendin thuis te komen, moeke. Ik had je dat misschien moeten uitleggen toen je het nog begrepen had. Maar ach... We hebben er wel goed om gelachen. Over het laatst, en daarmee bedoel ik voor de vorige corona golf, was ze op bezoek. Ze zat mee met ons aan tafel, at een half stuk taart, twee slokken koffie en deed vooral alsof ze geen moeite had met alles door te slikken. Ze wist niet wie ik was maar ze verstopte dat goed. Het was mijn verjaardag, denk ik. Mijn eigen geheugen is ook niet zo scherp. Ze was aanwezig en ook niet aanwezig. Een beetje verloren. Bijna deel van het decor. En dan plots halverwege de maaltijd keek ze verward om zich heen. "Wat zoekt ge moeke?" vroeg mijn moeder. Ze wees naar mij en zei: "Ik ben op zoek naar uw wederhelft." Ik grijnsde en zei: "Ik ook moeke." Ik zag de vonk in haar ogen toen ze de grap begreep en dan schoot ze in de lach, samen met de rest van de tafel. En ik lachte mee want voor een raar momentje, voor een seconde of zo, hadden moeke en ik weer een gesprek gehad. Een inside joke die de Alzheimer tijdelijk oversteeg. Wanneer ik ze vind, die mysterieuze wederhelft, zal ik ze veel vertellen over mijn moeke. Over wie ze nu is en wie ze vroeger was. Dat is beloofd.















