Donker huis
Het is middag, maar daar is helemaal niets van te merken in haar huis. Alle gordijnen zijn voor de ramen geschoven. Zij is als enige achtergebleven in het huis. De rest is allemaal al vertrokken. Haar moeder, vader en twee broertjes. Ze moesten hun huis wel uit en naar een andere plek verhuizen. Met hun geloof waren ze niet meer langer welkom in het dorp. Het achtergebleven meisje staat met haar handen voor haar ogen. Tranen lopen over haar wangen. Ze trekt haar hoofddoek van haar hoofd. Ze ruikt de vertrouwde geur van haar huis. Ze wil niet weg. Niet naar een andere omgeving. Niet weg van de plek die ze door en door kent. Niet afscheid te hoeven nemen van haar vriendinnen. Maar ze moet of ze nou wil of niet.














