Het verhaal dat anders was
Ooit kende ik een verhaal. Een verhaal dat anders was. Een verhaal waarvan ik zeker was dat het bestond, en dat ik het op een dag zou begrijpen.
Toen ik nog een klein kind was, keek ik soms naar films. Mama zette ze dan op voor mij. Het waren allemaal Disney films die we op videocassette hadden. Sneeuwwitje, Doornroosje, Bambi, De Kleine Zeemeermin enzovoorts. Maar ik was nog te jong om echt naar een film te kijken. Ik staarde eigenlijk gewoon naar het scherm, naar de bewegende beelden die ik zag, terwijl de film verder speelde. Ik lette niet echt op. De verhalen begreep ik enkel in grote lijnen, en dan vooral omdat mama soms iets zou uitleggen aan mij. De gesprekken van de personages drongen niet tot me door en de gebeurtenissen ook niet echt, op een paar na.
Het is moeilijk om te verklaren waarom dit zo was. Misschien had het er iets mee te maken dat mijn moeder me vaak naar Engelstalige films liet kijken. Dat deed ze altijd al. Ik had toch geen bezwaar op die leeftijd, ik wou gewoon naar een film kijken. Maar het was niet alleen dat. Toen ik jong was, was ik gewoon nog minder hier dan vandaag. Ik was nog meer buitenaards dan ik nu ben. Een dichte mist zat om mijn hersenen heen en naar het televisie scherm staren was misschien wel gewoon een andere vorm van slapen voor mij. Het was een trance waarin ik kon wegzinken. Flarden van verhalen is alles dat ik toen kende. Niet de verhalen zelf, maar het idee dat de verhalen bestonden.
Ik wist dat er een verhaal was over een prinses die in een appel beet en sliep, maar ik kende het niet. Ik wist alleen dat het bestond.
Ik wist dat er een verhaal was over een andere prinses die zich prikte aan een object dat ik niet kende en daarna sliep zij ook. En er was een draak, dat wist ik, maar ik kende het niet. Ik wist alleen dat het bestond.
Ik wist dat er een verhaal was over een hert en zijn mama en plots was de mama weg maar ik wist niet waarom, maar ik kende het niet. Ik wist alleen dat het bestond.
Ik wist dat er een verhaal was over een zeemeermin die benen kreeg, maar ik kende het niet. Ik wist alleen dat het bestond.
Enzovoorts. Ik wist dat al die Disney verhalen bestonden maar ik kende ze niet. Ik kende ze even goed als ik nu bekende boeken ken die ik nooit zelf heb gelezen, al had ik de films wel zelf bekeken.
Toen ik ongeveer die leeftijd had, droomde ik iets. Althans ik geloof dat het een droom was, maar toen ik jong was bestond de brug tussen werkelijkheid en dromen nog steeds. Ik wist niet wat het betekende voor iets om wel of niet echt te zijn. Ik nam het op zijn minst gedeeltelijk aan als de werkelijkheid.
In deze droom wou ik naar een film kijken, dus ik ging voor de tv zitten en mijn mama zocht tussen de videocassettes. Ze vroeg me welke film ik wou zien. Ze stelde er een aantal voor. Eén van de verhalen die ze voorstelde had ik nog niet gezien. Mama vertelde me dat mijn oudere broer de film wel al had gezien, maar dat hij het toen niet leuk vond. Hij vond de film te eng. Mama vertelde me dat het een film over monsters was. Meer zelfs, de film ging over een wereld van monsters. Het had geen enkele menselijke personages. Ze bedoelde monsters toen niet als iets dat eng was, maar gewoon als iets dat anders was. Anders dan wij.
Ik besloot dat ik nu wel groot genoeg was om deze film te zien. Dus mijn mama zette de film op en ik keek.
Ik herinner me zo weinig. Het enigste dat ik me herinner was één van de eerste scenes. De personages waren in een gebouw. Een groot en donker gebouw, zoals een kerk. Het was ietwat gotisch, maar dat kende ik niet als kind. Gekleurde glasramen rezen de hoogte in. Ik herinner me hoe de personages aan het praten en aan het doen waren. Zij waren geen mensen. Maar ik lette niet op. Ik wist niet wat er aan de hand was of wat er aan het gebeuren was. Ik wist niet wat het verhaal was.
Dan braken de ramen. Een gevaarte vloog naar binnen, door de gekleurde glasscherven heen. Het was iets wat leek op een vliegende koets, voortgetrokken door wat ik enkel kan beschrijven als “geen paarden”. Het landde. De personages wisten wat er aan de hand was. Zij kenden hun wereld, zij wisten wat deze gebeurtenis betekende. Zij wisten wat of wie de koets was, en wat het kwam doen en waarom. Maar ik wist niets en ik staarde gewoon. Wat later steeg diezelfde koets weer op en vloog het naar buiten, een vreemde weidde wereld in.
Die vage herinnering is alles dat ik er van heb overgehouden. Meer van het verhaal drong niet tot me door, of heb ik niet onthouden. Misschien stopte de droom daar, maar zelfs als het niet zo was had ik nooit het verhaal kunnen volgen. Ik was nog te jong. Ik onthield geen verhalen. Het enigste dat ik onthield was dat dit verhaal bestond. Een verhaal dat als enigste anders was dan al de andere verhalen die ik kende. Een verhaal over een andere wereld waar andere dingen leefden.
Toen ik een paar jaar ouder was herbekeek ik alle films weer en deze keer was ik oud genoeg om de verhalen te begrijpen. Deze keer begreep ik waarom de heks Sneeuwwitje vergiftigde, waaraan Doornroosje zich prikte en waarom er een draak was, wat er gebeurd was met Bambi’s moeder, waarom de zeemeermin benen wou hebben en waarom ze haar stem kwijt was. Toen ik al onze Disneyfilms opnieuw had gezien, wou ik die andere film zien.
“Mama,” zei ik tegen haar. “Nu wil ik de film met de monsters zien.”
Mijn moeder keek me vreemd aan. Samen zochten we tussen de videocassettes op zoek naar de film die ik bedoelde, maar we vonden het niet. Langzaamaan besefte ik wat er gebeurd was. Ik had als kind wel beseft dat het een droom was geweest toen ik die ene keer naar die film keek, en dat het dus niet echt gebeurt was. Maar ik had niet beseft dat dat ook wilde zeggen dat de film zelf ook niet bestond. Dit was net zoals toen ik mijn moeder kwam zeggen dat ik mijn blauwe lego auto niet meer kon vinden, en we er samen achter kwamen dat ik nooit een blauwe lego auto had.
Mijn hele leven had ik geloofd in het bestaan van dit vreemde verhaal. Maar het bestond niet. De brug tussen droom en werkelijkheid was al gedeeltelijk ineengestort en ik besefte dat delen van mijn leven volledig onbestaand bleken te zijn. Het stelde me zo teleur. Ik wilde zo graag weten wat er nu eigenlijk aan de hand was in die film. Waar ging dat verhaal nu over? Wat waren de dingen die ik had gezien? Wat was dat gebouw? Wat trok de koets voor? Wat was die koets? Waarom was die daar? Waar kwam die vandaan en waar vloog die naartoe?
Mijn hele leven had ik geloofd in een ander verhaal, dat ene verhaal anders dan alle anderen. Een verhaal over monsters, niet enge monsters, maar monsters als alternatief voor mensen. Een verhaal uit een andere wereld. Ik besef nu dat dit verhaal maar een droom was. Dat zulke verhalen misschien niet eens bestaan.
Maar eigenlijk geloof ik er nog steeds in. Dat verhaal bestaat hier niet, maar het is ergens. Al is het maar verstopt diep in mijn schedel, overwoekert door de rest van mijn geest. Soms denk ik dat ik het nog steeds probeer te schrijven. Diep van binnen hoop ik dat ik het ooit écht schrijf. En dat mijn fictie ooit een indruk zal achterlaten op een klein kind. Dat dat kind dan zal opgroeien met de rare visies van mijn verhaal die opduiken vanuit hun onderbewustzijn. En dat dat kind uiteindelijk ook op zoektocht zal gaan naar een andere wereld. Net als ik.