De Duistere Opmars - Flarden #1
Een paar passen voor het altaar stond een vrouwelijke figuur te wachten. Een sierlijke buitenwereldse jurk hing om haar lichaam. Haar hoofd was geheven. Haar handen rustten op haar zwaard en het zwaard rustte met zijn punt op de stenen tempelvloer. Haar vleugels hingen opgevouwen achter haar rug en reikten net niet tot aan haar enkels. Haar ogen waren plechtig gesloten. Zij hield de wacht. Terwijl zij over het altaar waakte, wachtte de dood aan de ingang van de tempel. De dood wachtte al lang. Al jaren. Het was de taak van de dood om het leven van deze wachter op te eisen. Maar de wachter stond in de tempel van licht, en deze tempel was magisch. De magie die over de constructie heerste was zo sterk dat zelfs de dood niet durfde binnen te treden om het leven van de wachter te gaan halen. Daarom wachtte de dood buiten. De dood was echter geduldig. Hij zou daar tot in de eeuwigheid wachten tot de wachter naar buiten kwam. In de tempel was deze fee onsterfelijk, maar als ze ooit zou besluiten om de tempel te verlaten, zou ze onmiddellijk doodvallen. De tempel was de enigste plek waar zij kon bestaan en daarmee was het de plek waar zij voor altijd moest blijven. Over de bol waken was alles dat zij daar kon doen en dat deed ze ongestoord en zonder te klagen, misschien wel voor een eeuwigheid lang.
Maar op een dag opende ze plots haar ogen, want ze voelde dat de duisternis er aankwam. Voor het eerst in jaren klonken er geluiden in de tempel. Het klonk in de verte. Gekrab. Gekruip. Gegraaf. Het ritselen van vele wapens en het stille gezang van oorlogsliederen. De wachter staarde naar de grote met goud versierde poort aan de overkant van de zaal. Voor een lange tijd gebeurde er niets. De geluiden bleven even ver en even zacht klinken.
Ze deinsde niet terug toen de poort plots met geweld werd opengebroken. Het steen verbrokkelde en de stukken rolden door de zaal. De duisternis stroomde de tempel binnen. Bewapende donkere insecten kwamen uit de aarde en kropen binnen. Ze kropen over de vloer, de muren en het plafond alsof de zwaartekracht geen vat op ze had. Ze waren met zovelen dat de andere kant van de kamer verdonkerde toen al de kruipende geleedpotigen het licht van de muren blokkeerden. De fee verroerde zich nog niet. De insecten verzamelden zich op de wanden en vormden militaire formaties. Ze droegen speren en schilden, net als de feeën vroeger wapens droegen. Maar het waren geen feeën, het waren mieren. Deze mieren gedroegen zich als soldaten maar het was duidelijk dat ze van ware aard beesten waren. Meer mieren kwamen uit de opening gestroomd. Een andere mier kwam mee uit de aarde gekropen tezamen met de laatste troepen. Deze mier was groter en valser dan alle anderen. Deze mier was een duistere koningin. Koningin Demoria van Invus, maar dat wist de fee niet.
Een klein snippertje tekst uit mijn laatste schrijfproject. Om te vieren dat ik vandaag het eerste hoofdstuk heb afgewerkt. Een kleine proloog van 3700+ woorden ;)