(Dit is niet het begin van dit verhaal, lees daarvoor 2.1)
De reis terug leek, om de één of andere reden, een stukje sneller te gaan dan de laatste keer. De andere keren dat hij helemaal deze kant op was gekomen had de weg terug trager, slepender en vermoeiender aangevoeld. Hoewel Daan moe was, had hij nu ook een beetje hoop voor maandag. Als Nataly hem iets kon sturen waarmee hij aan de gang kon, dan kon hij in ieder geval beginnen te doen waarvoor hij ĂŒberhaupt deze kant op gekomen was: geluiden ontwerpen.
Daan is een sound designer, één van die mensen die voor televisie werken of voor spelontwikkelaars en die geluiden maken uit helemaal niks. Monsters, bladeren in de wind, volledige geluidsomgevingen die je doen geloven dat iets (of beter een plaats) leeft. Hij hield van zijn werk, omdat hij een levenloos videofragment tot leven kon laten komen en vol actie kon laten voelen door alleen maar geluid toe te voegen.
Het nadeel van zijn werk was dat de producers waarmee hij werkte lang niet altijd een goed uitgedacht idee hadden van wat zij precies van hem wilden. Dat gaf hem een enorme ruimte voor zijn creativiteit om het over te nemen, maar hij had wel iets van ze nodig. Als ze een fragment maakten over ponyâs, dan was het natuurlijk wel heel erg leuk om allemaal lasergeluiden te ontwerpen, maar het was ook heel erg inefficiĂ«nt. Â
Deze laatste paar weken waren zo inefficiĂ«nt. Niet wetende wat er van hem verlangd werd liet hem met het gevoel dat hij niet echt wist wat hij hier in Engeland kwam doen. In ieder geval, nu Nataly een poging ging doen, had hij dan misschien eindelijk ergens een houvast in de wondere wereld van wat hij graag âEen Producershoofdâ noemde.
Hij zette de radio aan. Het nieuws had het over een krankzinnige situatie die zich in een winkelcentrum had voorgedaan, waarbij een man had geprobeerd een winkel te beroven terwijl hij een stijve sok als pistool gebruikte. Na deze hele dag van niksdoen vroeg Daan zich af wie zijn tijd beter besteed had. Na het nieuws kwam het weerbericht, dat precies hetzelfde bracht als de laatste paar dagen: regen, met een kans op meer regen. Daarna draaide het station een nieuw nummer van een half populaire band en hij zette maar snel de radio weer uit.
Na twee uur te hebben gereden, verliet hij de snelweg en begon een bochtig weggetje te volgen naar het dorpje waar hij dat kroegje gevonden had. De weg werd smaller en er begonnen huizen te verschijnen aan weerskanten. Hij reed naar een klein plein en parkeerde zijn auto bij een iets groter gebouw van witte stenen en een zwart pannendak. Boven de deur hing een bord waarop âPadryâsâ stond. Terwijl hij naar binnen liep, strompelde er een oudere man naar buiten.
Dronken keek hij omhoog naar Daan en zei hij: âExcuuszes jonge man, het was helemaaaaaal nie mun bdoelnâ om je omver tâ lopuh.â
âWel⊠Dat heeft u ook niet, meneer.â
âOooohhh⊠maar dah gaâk wel, zie je.â
En zonder al te veel moeite te doen om om Daan heen te lopen begon hij naar voren te komen, bonsde tegen Daanâs schouder en strompelde door richting een landweggetje aan de andere kant van het plein, zachtjes iets mompelend wat klonk als âzonenâŠâ
Daan krabde verward aan zijn hoofd, besloot dat het maar beter was om niet te lang te blijven hangen op de gedachte van een oude man die alleen terug naar huis liep (hij had dat waarschijnlijk al zo vaak gedaan dat hij dat met zijn ogen dicht ook nog wel kon) en liep naar de pub.
Achter de bar verwachtte hij dezelfde, ernorme, man te vinden die er de barman was. In plaats daarvan trof hij echter een jonge man aan, redelijk lang en met een lichaamsbouw die meteen deed denken aan iemand die in de bouw werkt. De jongen kon alleen maar de zoon van de normale barman zijn, dacht hij. Daan plofte neer op een barkruk en toen de jonge gozer hem aankeek zij hij: âEen pint Guinness en het menu, alsjeblieft.â
âZiek, in bed met koorts. âK heb hem zo al in tijden niet meer gezien.â
âDus vroeg hij je om de pub over te nemen?â
âNeh, hij wilde hem dicht houden, maar ik bood aan om zijn plaats in te nemen. Ik ben Jake.â
Daan reikte over de bar en schudde de jongen zijn hand: âDaan.â
âOw, jij bent die Nederlandse gast waar mijn vader het over had! Zei dat je hier drie weken op rij om precies dezelfde tijd om een menu kwam vragen.â
Grappig, hoe mensen je onthouden als je niet van hier bent. âJa, het lijkt me dat ik dat ben.â
âOK, ik haal een kaart voor je. Maar verwacht niet te veel van me. Mijn skills in de keuken zijn niet zoals die van mijn vader.â
En dat gezegd hebbende ging hij de keuken in en haalde hij één, van de waarschijnlijk twee, kopieĂ«n die ze hadden. Toen hij terug kwam gaf hij Daan een vers geprint A-viertje met daarop heel simpel, en in grote letters, geschreven wat het menu was. Het menu van de dag was âAardappelsoep met drie sneetjes brood en een stukkie kaas.â
âIk neem het menu van de dag.â
âTop, geef me twee minuutjes.â En hij ging de keuken weer in.
Daan keek rond. Ondanks dat het een kleine kroeg was, leek het erop alsof je een behoorlijk aantal mensen comfortabel kwijt zou kunnen in de ruimte. Houten stoelen en tafels waren zo verspreid door de ruimte dat het voor een dronken man onmogelijk leek om het toilet te vinden, maar toch kleefden de vloer en de tafels niet door gemorst bier en was het er voor een pub eigenlijk best schoon. Wel was het allemaal verweerd. De tijd had hier vast genoeg kaartspelletjes gezien, samen met misschien een zeldzaam bargevecht veroorzaakt door valsspelen, en vooral genoeg drinken. De oude man die naar buiten wankelde was een kleine hint naar de leeftijd van de pub. Daan kon alleen maar denken aan de jongen die de man ooit zou zijn geweest, die hier zijn eerste (of misschien tweede) biertje ooit kwam drinken en dat simpelweg was blijven doen. Op de televisie in een hoek, dichtbij het plafond, was een rugbymatch te zien. Daan wist niks van rugby, maar vond de manier waarop het gespeeld werd wel tof. Heel anders dan voetbal, waarvan hij vond dat het tegenwoordig niks meer was dan flink betaald theaterwerk. Afgezien daarvan kwam hij echter niet veel verder dan dat hij een team in rood en een team in blauw zag spelen, zonder te kunnen zeggen welke teams het waren.
Jake kwam terug uit de keuken met een stomende kom soep.
âIk breng je zo het brood. Ik ben er niet voor gemaakt om voorzichtig een kom soep te dragen.â
âGeen probleem. Wat doe je normaal gesproken voor werk?â
âIk bouw huizen. Maar niet die grote projecten in de steden. Kleine projectjes, het meeste privĂ©spul van mensen die op het platteland wonen.â
âOk, daar zal genoeg werk in zijn in de omgeving, denk ik?â
âNu? Best wel ja. Er zijn een hele zooi mensen die klaar zijn met de stad en naar het platteland willen. Laten we hopen dat ze niet allemaal dat idee krijgen, ik houd van de rustige dorpjes die je hier nog hebt.â
âHoe kwam het dat je je vaders plekje nu dan over kon nemen?â
âHet werk was klaar voor vandaag. We wachtten op een levering hout, maar die is nooit gekomen. Alsof ze ons dat niet eerder hadden kunnen vertellen.â
âDaan moest daarom wel een beetje grinniken. âOh, geloof mij maar, mensen vergeten dat zomaar. Of ze denken dat ze het nog wel zullen halen.â
âHmm ja, daar zit wel iets in denk ik. Maar het is niet tof van ze. Goed, ik haal brood en kaas voor je, voordat die levering ook te laat is.â
Daan nam de eerste hap soep. Het was lekker. Niet zo lekker als wat hij hier de afgelopen drie keer had gegeten, maar nog steeds een stuk beter als wat hij had kunnen maken. Hij was verschrikkelijk in de keuken. Simpele dingen gingen nog wel, meestal, maar als hij de kans had om buiten de deur te eten voor hetzelfde geld dan deed hij dat. Dat hield soms fastfood in, maar over het algemeen zag hij zijn eetpatroon als redelijk goed. Terwijl hij hier in de pub zat, realiseerde hij zich dat dit één van die dingen was waar hij naar uitgekeken had voordat hij verhuisde: Een pint drinken en eten in een kleine Engelse pub, op weg naar huis. Het voelde plotseling alsof die hap soep hem geestelijk vijf jaar ouder maakte.
En na deze hele dag van wachten, niks doen en reizen, voelde hij zich hier door die éne kom soep en pint bier meer thuis dan al die andere dingen samen ooit voor elkaar konden krijgen.