Over Herman Gorters Kritiek op Tachtig (1908) - Leesaantekeningen
Verwijten naar Kloos - “groots van gebaar, maar leeg aan klaar en diep gevoel” - en Verwey - die zijn “klare, weldoordachte, kerngezonde aandoening verloren heeft” (115). Ook naar zichzelf toe is Gorter kritisch: zelf heeft hij zich “moeten overgeven aan een armoedig realisme” tot hij “het socialisme vond”. Daarmee wordt eigenlijk al geïmpliceerd dat het socialisme voor hem van doorslaggevend belang was om voorbij het realisme te komen. De vraag zou dan kunnen zijn: op welke manier overstijgen werken zoals Een klein heldendicht en Pan het armoedige realisme? Wat maakt ze anders?
Voor Gorter is de vraag echter: waarom heeft dat hoogtepunt, zoals hij dat het zelf omschrijft, van zo korte duur was? Waarom ging het zo snel ten onder? Juist omdat sommige gedichten uit die stromingen beter waren dan het beste van de Engelse romantiek is het volgens Gorter van belang te begrijpen waarom het zo snel ook weer ten onder ging.
Je kan je vanzelfsprekend afvragen of Gorter wel een correct beeld schetst van de Nederlandse dichtkunst in zijn tijd. Vanzelfsprekend waren ook na de tachtigers sterke Nederlandse dichters actief (denk maar aan Leopold, bijvoorbeeld). Onmiskenbaar is wel dat de beweging van tachtigers een kort leven was beschoren.
De verklaring die Gorter hiervoor heeft is onversneden Marxistisch. De manier waarop deze vraag beantwoord moet worden, schrijft hij, is door ze “in verbinding te brengen met de burgerlijke maatschappij, waarvan zij de vrucht was.” (116) Dat betekent dat we op zoek moeten naar de “eigenschappen” in deze poëzie kenmerken als “modern-burgerlijk” (116).
Door de poëzie van de tachtigers te lezen en te contextualiseren als onderdeel van een specifiek moment in de ontwikkeling van de burgerlijke maatschappij, denkt Gorter vervolgens ook te kunnen laten zien dat deze poëzie haar urgentie en kracht vrij snel verloren is “door de ontwikkeling van de maatschappij zelve.” (116). Kortom, deze poëzie is niet als zodanig karakterloos; integendeel, ze heeft juist veel karakter, maar is karakterloos gemaakt door veranderingen in de maatschappij waarop deze dichters niet wisten in te spelen (de ontwikkelingen kwamen volgens Gorter voor uit “principes die deze dichters niet kenden” [116]).
Daarmee geeft Gorter dus te kennen dat wat de poëtische kracht (of, zoals hij het zelf noemt, het karakter) van een werk afhangt van de manier waarop het zich weet te verhouden tot de historisch-maatschappelijke context. Een werk moet de ontwikkelingsprincipes van een maatschappij vatten, hoe impliciet of intuïtief ook.
Gorter heeft een vliegende start genomen, maar eigenlijk probeert hij hier een marxistische literatuurtheorie uit te werken.
Wie nu niet weet dat de ekonomische toestand eener maatschappij, haar techniek, haar productieverhoudingen, haar verdeeld zijn in klassen, den allergrootsten invloed op het menschelijke denken heeft, zal van een tijd, al is hij den gevoeligsten mensch, niet veel begrijpen. (117)
Daarbij introduceert hij vrijwel meteen een ideologiekritisch component. Dat doet hij door de eigen tijd en de burgerlijke maatschappij te contrasteren met de feodale maatschappij. Terwijl de verhoudingen in de feodale maatschappij helder waren, “klaar en doorzichtig”, zijn ze dat in de burgerlijke maatschappij niet. Met andere woorden: in de burgerlijke maatschappij worden die verhoudingen verborgen. Ze worden “steeds ingewikkelder en daardoor onduidelijker.” Dit is ideologie.
Om die reden is er ideologiekritiek nodig. Zoals Gorter het zegt: “[E]r is wetenschap en methode noodig om [de verhoudingen der menschen onderling] te kunnen doorzien. Dit is behalve een uitgangspunt voor ideologiekritiek, ook een anti-empiristische premise. De machtsverhoudingen tussen mensen onderling, die volgens Gorter door de productieverhoudingen en kapitaal gedomineerd worden, zijn niet onmiddellijk inzichtelijk.
Gorter introduceert even later de “diepe oorzaken” van maatschappelijke verandering: “de techniek, de productiewijze, de verdeeling in klasse” (120).
De poëzie van de tachtigers slaagde er niet in om die diepere oorzaken te vatten; ze kwam niet verder dan “de mens en zijn milieu”. Deze analyse is voor Gorter de aanleiding voor een uiteenzetting over de relatie tussen poëzie, natuur en maatschappij. Die uiteenzetting vormt de kern van waarom de tachtigers mislukten in hun poëzie volgens Gorter: ze begrepen de relatie tussen natuur, poëzie en maatschappij verkeerd.
In de theorie van Verwey slaat de poëzie een brug tussen de mens en zijn milieu; poëzie stelt ons in staat om een band met de natuur te behouden in een moderne maatschappij.
Daar verzet Gorter zich hier tegen: kunst is volgens hem bij uitstek het product van een maatschappij en niet van de natuur als zodanig. (Gorter zal even later de verhouding tussen natuur en maatschappij nog subtieler uitwerken.) Kunst is
alleen mogelijk onder zeer specifieke voorwaarden: “tijd, genot, welvaart, strijd en overwinning” [120-121]), en dus
bij uitstek een maatschappelijk product, en
is voorbehouden aan de geprivilegieerde klasse.
Gorter doet hier eigenlijk twee dingen: hij maakt een rigoureus onderscheid tussen maatschappij (technologie) en natuur, en hij stelt dat iedere vorm van poëzie en kunst vanuit een maatschappelijke situatie tot stand komt (waarbij klasse, economische situatie etc. moeten worden meegenomen). Daaruit volgt dat er geen kunst is in de natuur: kunst is geheel en al een fenomeen dat zich afspeelt binnen een maatschappelijke context.
Onderscheid tussen natuur en maatschappij.
Het onderscheid is in eerste instantie van belang om zijn kritiek op Verwey te kunnen uitwerken, maar het heeft meer omvattend belang: Gorter formuleert een kritiek op de opvatting van natuur die in de burgerlijke dichtkunst heerst (Verwey is daarvan slechts een voorbeeld). In de burgerlijke dichtkunst en kritiek is representatie van natuur iets wat als een onmiddellijk gegeven wordt begrepen: de dichter representeert de natuur en stelt ons daardoor in staat om vanuit de beschaving iets te herwinnen van de natuur. Het is een opvatting die ruwweg aan de romantici kan worden toegekend (Hölderlins bijvoorbeeld). Het is bovendien een opvatting die uitgaat van de idee dat er een onmiddellijk contact met natuur mogelijk is; of althans, vanuit de cultuur en civilisatie kan de burger terug in contact komen via de bemiddeling van de kunst, maar die bemiddeling zelf is wel ongecompliceerd: de kunstenaar is in staat om een verbinding te maken.
Dat principe wordt door Gorter resoluut verworpen. Hij maakt een rigoureus onderscheid tussen de moderne maatschappij en het dierlijke en organische. De maatschappij is het resultaat van een technologische ontwikkeling. “[E]en maatschappij is niet als een dierlijk organisme.” (119) Dat wil niet zeggen dat er geen relatie bestaat tussen natuur en maatschappij. Gorter: “De Maatschappij is een organisme in de Natuur, zelf een natuurlijk gegroeid en groeiend organisme, maar een geheel ander, naar andere wetten groeiend dan het dierlijke.” (122)
De wetten en principes volgens welke de moderne maatschappij zich ontwikkelt zijn die van de kapitaal en klasse volgens Gorter. Technologie speelt daar voor hem een heel wezenlijke rol in. Kunst is daarin geen terugkeer naar een natuur die voor de maatschappij ontoegankelijk is geworden maar door de kunstenaar weer kan worden opgeroepen; integendeel, kunst komt geheel en al tot stand binnen de maatschappelijke structuren. Daarom moeten de thema’s en vormen van de kunst volgens Gorter ook bestudeerd worden in relatie tot (en als reacties op) die maatschappelijke structuren.
Dat kan volgens Gorter niet op basis van onmiddellijk waarneembare gegevens (zoals eerder al werd aangegeven). Het moet gebeuren op basis van een analyse van de “diepe oorzaken” van maatschappelijke verandering: “de techniek, de productiewijze, de verdeeling in klasse” (120).
Kunst bepaald door klasse en het falen van de tachtigers
De poëzie van de tachtigers slaagde er niet in om die diepere oorzaken te vatten (dus: “de techniek, de productiewijze, de verdeeling in klasse” (120)); ze kwam niet verder dan “de mens en zijn milieu”, de quasi-romantische opvatting waarin de mens in contact gesteld kon worden met de natuur door middel van de poëzie.
Wie echter de maatschappelijk structuren en “diepe oorzaken” analyseert, stelt Gorter, analyseert ieder onderwerp en iedere vorm van de kunst - inclusief dat van de natuur - in het kader van die maatschappelijke structuren. “In [de] kunst stellen de kunstenaars èn de maatschappij èn de natuur vóór, zoals de plaats van hun klasse in de maatschappij en ten opzichte van de natuur dat bepaalt.” (122)
Op basis daarvan komt Gorter tot een ruwe aanduiding:
Homerus (klasse van krijgers): de maatschappij als “gevechtsterrein” (122)
Hesiodus (“krachtig materiële klasse”)): de “natuur als werkplaats” (122)
Aeschylus (ten prooi aan de “vernietiging [van] nieuwe productiekrachten”): “nieuwe strijd als worsteling van oude natuurmachten” (122)
Horatius, Vergilius (“klasse die geniet van uitzuiging”): “natuur [als] … leeglopend genot, … genietende waarneming, wellust en rust” (122)
Dante en Milton, Shelley (“vervreemd van de stoffelijke arbeid): “maatschappij als godsdienstig-filosofische werk- en strijdplaats” (123)
Kortom: “De klasse … zegt de dichter wat hij te zeggen heeft”. (123) De dicher verhoudt zich tot de natuur - inderdaad een terugkerend thema in de poëzie - zoals hij door de maatschappij gevormd is.
Op basis van dit alles is Gorter in staat om het mislukken van de tachtigers te verklaren. Omdat de tachtigers niet in staat waren om dit alles in te zien “liepen wij blindelings in de afgrond.” (123) De focus op natuur was voor de tachtigers zuiver escapistisch - een escapisme dat werd ingegeven door het het feit dat “ wij het in de kapitalistische maatschappij niet konden uithouden en ons veel gelukkiger voelden onder de sterren of tusschen de boomen of aan het strand der wijde zee.” (122)
Uitwerking: klasse bij Rousseau, Goethe en Shelley
Onder de “geestelijke verschijnselen” van de dichtkunst zitten volgens Gorter dus steeds “de materieele toestand der maatschappij, de verhouding der klassen, de productiewijze”. (125)
Om dit duidelijk te maken probeert Gorter een parallel te trekken tussen de politiek-economische geschiedenis van Frankrijk, Duitsland en Engeland en de ontwikkeling van de dichtkunst in die landen. Voor ieder land heeft hij een auteur: Rousseau voor Frankrijk (waarin hij de Zwitserse origine van de auteur meeneemt in zijn analyse). Goethe voor Duitsland en Shelley voor Engeland. Het zijn drie belangrijke burgerlijke auteurs.
Het uitgangspunt is dat de grootse momenten van de poëzie steeds overeenstemmen met het moment waarop de maatschappij en klasse die deze maatschappij produceerde op haar hoogtepunt was. Dat is een opmerkelijke hypothese, eigenlijk: een parallel tussen economische hoogconjunctuur, politieke hegemonie en literaire kwaliteit. Gorter:
Het schijnt dat de grootste poëzie alleen ontstaat als een klasse de overwinning in ‘t gezicht bevochten heeft, en zij niet weer door een ander bedreigd wordt. De overwinning moet ook groot zijn en de ontplooiing van enorme ekonomische krachten mogelijk maken. (127-128)
Hieruit volgt ook dat zolang de klasse nog niet de totale overwinning heeft behaald, ze nog niet op het toppunt van haar literaire kunnen is. Op basis van dat idee zal Gorter naar een stijl- en vormengeschiedenis zoeken: een onderscheid tussen waarnemende en “juichende” (lyrische) poëzie. Zolang een klasse nog niet dominant is, wordt haar literatuur gekenmerkt door een “meer prozaïsche waarneming” (128).
Die nadruk op waarneming heeft echter wel degelijk een functie volgens Gorter. Door zich te richten op het empirische, realistische en zo verder, is deze literatuur ook juist kritisch: juist door “uit te spreken wat is” worden alle “versteende dogma’s en spookachtig geworden illusies der vroegere wereld” verstoord. (128) Deze waarneming heeft dus een kritische (128) en onderzoekende (129) functie. Dat maakt deze kunst bijzonder interessant volgens Gorter.
Dit soort waarneming stond in Engeland, Frankrijk, Duitsland en Nederland in de achttiende eeuw centraal (129). Maar de vorm die deze waarneming krijgt verschilt - dat wordt bepaald door individuele situatie, klassepositie van de auteur etc.
Frankrijk - wordt (in tegenstelling tot o.a. Engeland) nog lange tijd gekenmerkt door een hardnekkig feodalisme dat enkel door de revolutie omvergeworpen kan worden, stelt Gorter. Overtuiging van de burgerlijke klasse was dat eigenbelang en maatschappelijk belang in de juiste staatsvorm overeen zouden stemmen. Dat kan door komaf te maken met het feodalisme van de geest en van de staat: tegen de oude garde en tegen het christendom. Gevolg: focus op “individueel materialistisch genot”. (127)
Dat leidt met name in Rousseau door een duidelijk sentimentele vorm van waarneming. Gorter analyseert dat sentimentalisme als een reactie op de positie waarin de bourgeoisie verkeert in Frankrijk in de achttiende eeuw: niet in staat om zich de productiemiddelen toe te eigenen en haar idealen van gelijkheid en broederschap te verwezenlijken
wendt zij zich om en keert zich naar haar gevoel, als haar heerlijkste, eenige bezit, en gaat dat koesteren. Bij gebrek aan daden, moet zij het met haar sentiment stellen. (130)
Dit sentiment is volgens Gorter nog steeds waarneming (naar binnen gekeerd) en geeft uiting aan politieke gevoelens. Rousseau’s “theorie en waarneming”, stelt Gorter, werden “geschapen door de ekonomie van Frankrijk” maar hebben ook “Frankrijk’s politiek en gevoelsleven als de wind gestuwd.” (131)
Duitsland - moet volgens Gorter ook in de context van haar politieke en economische ontwikkeling worden begrepen, maar hier spelen de godsdienststrijd en de boerenoorlog een doorslaggevende rol. [Het lijkt me dat Engels hier een belangrijke invloed is. Zie: Friedrich Engels, The Peasant War in Germany, (1850), url: https://www.marxists.org/archive/marx/works/1850/peasant-war-germany/]
Volgens Gorter was de godsdienststrijd in Duitsland voornamelijk ingegeven door een politiek-economische ontwikkeling, maar omdat er zich in de kleinere steden en dorpen in Duitsland geen “burgerlijke praktijk” ontwikkelde (136) vloeide er ook geen “praktische strijd” uit voort. Op basis daarvan kan de Duitse idealistische filosofie en literatuur begrepen worden: schrijvers zoals Goethe en Schiller werden enkel geconfronteerd met “het kleine burgerlijke leven” (137). Het werk van Goethe wordt gedomineerd door een grote blinde vlek: ze moesten hun werk in thematiek en vorm afschermen van de uiterst beperkte maatschappij waarin ze leefden.
De Duitse maatschappij was immers niet gecentraliseerd door een sterke staatsmacht (Frankrijk, Engeland). Gorter identificeert een burgerlijk genot (dat aanwezig is in o.a. het werk van Hooft, Bredero en Vondel maar niet in Goethe): “het individualistisch-heerlijke, het gevoel van de burgerlijke arbeid, …” (138)