De herfst kwam. Ik verloor al m'n bladeren. De wind was sterk en waaide me van plek tot plek. Naar hemel en hel tot ik niet meer herkende wie ik ben.
De winter volgde. Versteend en stil. Niemand weet wat ik wil en of ik ooit nog terug zou komen. Ik rouwde al m'n bladeren die de herfst me had verloren.
Het ijs smolt in de lente. De zon scheen op m'n tranen, terwijl de lucht nog koud was en de sneeuw viel op m'n blaren. M'n allereerste adem na het overleven van die jaren.
De zomer bracht me groter, zonder al te veel gedoe. Er kan me eigenlijk niks schelen behalve wie ik ben en wat ik doe. Ik ben allang niet wie ik was
En wat ben ik blij, dat ik er mag zijn.





















