De zwaan die naast hem was komen dobberen was niet alleen zwart, ze had ook een langere nek dan die van haar witte soortgenoten. Nieuwsgierig volgde ze zijn bewegingen. Hij stak de enige overgebleven roeispaan in het door de kopwind gerimpelde water en zette zich af. Het bootje draaide in de richting van het torengebouw, waarvan zeker vijf verdiepingen boven het wateroppervlak uit staken. Van de andere huizen was alleen het dak nog zichtbaar, vaak dan nog overgroeid met een klimop van een taaie soort. Het ging maar moeizaam vooruit. Omdat hij de riem soms te krachtig en dan weer te slap afzette, moest hij voortdurend bijsturen.
Midden in het grote kanaal zag hij de kruinen van twee palmbomen. Voorzichtig manoeuvreerde hij zich langs het scherpe gebladerte. De zwanen volgden hem. De zwarte kwam af en toe langszij en stak haar nek uit alsof ze wilde kijken of het roeiwerk wel behoorlijke opschoot. Hij dreef het ritme op en wisselde sneller van kant, zodat de boot eindelijk een koers leek aan te houden.
Net achter de palmbomen voer hij door een pak houten kratten die daar waren samengedreven. Het doffe getok tegen de boeg doorbrak de open stilte die over de stad hing. De laaghangende grijze hemel verspreidde een diffuus licht, te zwak om schaduwen achter te laten. Het was onmogelijk te zeggen welk moment van de dag het was. Ochtend vermoedde hij. Alleen een dag die nog moest beginnen, kan zo stil zijn. De gesmoorde plons van de roeispaan in het water was het enige wat hij hoorde. Voetstappen zonder afdruk, meteen opgevreten door een zachte maar aanhoudende zeewind die de oren vult met bedrieglijk geruis.
Hoe lang de storm had gewoed, wist hij niet. Het was ook allerminst duidelijk wanneer zich de catastrofe had voorgedaan. Had er dagenlang een orkaan gewoed of had het water zich sluipend meester gemaakt van de straten? Wie zou het hem vertellen? Hij hield de roeispaan stil in het water en liet het bootje dobberen. Door zijn hand licht gekromd boven zijn wenkbrauwen te houden, probeerde hij het alomtegenwoordige licht uit zijn ogen te weren . Toen dat niet lukte sloot hij de hand tot een gewelfde tunnel, een sleutelgat groot, maar met een zicht dat scherp genoeg was om zich te oriënteren.
Alsof dat zin had in deze hertekende vlakte. Alsof hij hier ooit een weg zou vinden, laat staan een uitweg. Zo ver hij kon zien was hij de enige boot. Op de daken waren geen overlevenden te bespeuren. Hij zuchtte diep en duwde zich weer af. Een paar grote drijvende takken,waarin zich een vuilnisbak samen met zijn volledige inhoud hadden vastgehaakt, belemmerden de doorgang. Hij leunde ver over de boeg om ze met de roeispaan uit elkaar te duwen. Met grote moeite harkte hij de dobberende rommel uit de weg. Bijna had hij de zwarte zwaan een mep verkocht, de roeispaan pletste vlak naast haar in het water, waardoor het beest schrok en hees kakelend wegvloog.
Voor hem strekte zich een open vlakte uit. De wind stond nu langszij. Zonder dat hij er erg in had was hij gedraaid. Misschien had hij de stad alweer verlaten. Een paar honderd meter verder, een eind links van de toren, meende hij een dak te hebben gezien dat ondanks de grauwe lucht lag te glimmen. Hij besloot om te gaan kijken en zette weer kracht achter zijn slagen.
Het roeien kostte hem geen enkele moeite, alsof hij veerman was en zijn verdere leven niets anders meer zou doen. Zijn hele hoofd was bij de krachtige soepele riemslagen. Wijdbeens, voeten tegen de randen, steken zonder dat er een spat water opspringt, afduwen, een flinke, niet te lange haal, en net voorbij de heup de roeispaan, opnieuw zonder spatten, weer optrekken en van kant wisselen.
Hij schrok toen hij het glansdak vlakbij zag. Van hieruit leek het op een zilveren tentendorp, een losgeslagen voetbalstadion of een geharnast zeemonster met een hazenlip en groene ogen. Het kwam zijn kant uit. Het was op drift. Bijna had hij de roeispaan in het water laten glijden, maar hij herpakte zich en slaagde erin om de boot in drie slagen te keren.
Hij voelde de pijn in zijn armen en wist dat hij zich niet vergiste. Hij was wakker, of tenminste bijna, want de idiootste dromen komen altijd op het eind. Zo meteen wordt hij gedwongen om het op hol geslagen schubbendier te bevechten want het zit hem achterna en de roeiboot zwalpt tot er water over de randen klotst en hij komt nog amper vooruit omdat hij achterom kijkt en de stinkende bek van het monster spert zich open en hij verdwijnt voorgoed in het zwarte gat zonder eind. Het kon nog steeds allemaal.
Maar hoefde niet meer, niet meer voor hem. Zijn strijd was gestreden. Hij had het begrepen. Het monster, was zijn monster. Hij had het eigenhandig geschapen en verslagen, zonder daaraan enige verdienste te hebben behalve dat hij had volgehouden. Zo lang had hij volgehouden, dat hij zich nu leeg en, eindelijk, achtergelaten voelde. Hij zou nu blijven dobberen en turen. Zonder een lijn uit te gooien, zonder de haast van wat onder hem, achter hem ligt, mensen, dagen, gedachten, verdwenen en weggespoeld door een getij dat ze niet hadden zien aankomen, overrompeld door een verlangen dat groter was dan zij zelf. Hij stond recht in zijn boot, keek naar zijn schoenen, dan naar de zon die tevoorschijn was gekomen en nu rond en schuchter achter een wolkensluier bleef hangen, en hij sprak:
‘Ik ben de veerman tussen straat en veld, puin en geweld, kus en verdriet. In mijn hoofd zingt een lied. Ik ben het beterdier, dat onderweg naar morgen wolken kamt. Ik ben sneeuwwitje net voor ze wakker werd. Niemand zal mij vragen of ik goed geslapen heb. Maar overal zullen mensen lachen, omdat ze het klokhuis hebben verlaten, omdat ze hebben nagedacht.’
Achter hem hoorde hij het luide zuchten van water dat in een gootsteen verdwijnt. De watermassa had het dreigende gevaarte opgeslokt. Een draaikolk sloot zich in feestelijk schuim en bellen die aan de randen uitdijden in een tevreden golfslag. De deining, verzwakt intussen, deed het bootje schommelen. Even dreigde hij zijn evenwicht te verliezen, maar hij hield zich overeind en zong stilletjes voor zich uit.
‘Ik ben de veerman die nooit meer aan de wal komt. Ik ben de meerman en het zeedier. Op mijn rug zal altijd plaats zijn. Ik heb geweten wat ik nooit heb geweten, gezoend wat ik nooit heb gezien. Daar wil ik u brengen. Om te weten zonder het te weten. Dat we ademen en niet meer aan lucht denken, dat we de grond voor een keer nog door de vingers laten rollen, voor hij verdwijnt in stof, dat we later, voor altijd, zullen smeken om water.’