Er staan nog drie dozen. Boeken, een paar stapels brieven en oude tekeningen. Verder is het appartement leeg, zodat iedere stap klinkt alsof er een volle zaal naar hem luistert en zijn ordelijke denken aan een ultieme test onderwerpt. Hij is zozeer op zijn hoede, dat hij het gevoel heeft te wankelen. Een beetje onwennig schuift hij de gordijnen open en niest. Het uitzicht blijft indrukwekkend. Dit was het allereerste huis dat de rivier recht in de ogen durfde kijken, een slag in het gezicht van het stadsbestuur, dat het water alleen als bron van inkomsten had gezien. Hij was fier dat precies dit huis de vernieuwing van de stad had ingeluid, ook al was het een werk van zijn vader.
Beneden reden de graafmachines af en aan. Deze week wordt alles afgegraven, daarna beginnen ze aan de funderingen van het Middenterras, een groots en langgerekt culturencentrum dat zich over honderd meter langs de rivier uitstrekt en waar je zowel over, op, als onder kunt lopen. De burgemeester wilde een architectuur die de stad zou teruggeven aan de mensen. Wel, dit gebouw was het perfecte openbare bezit. Van overal kon je erin. Het had zelfs een aanlegsteiger voor wie met de jetski kwam aanwaaien. De verhoogde rivieroever wordt opgedeeld in wandelpaden en picknickweiden, afgezoomd door een strook kassei, die ongeveer een vijfde beslaat van het originele plaveisel uit de tijd toen zeemastodonten tot onder de toren van de kathedraal voeren. Om de herinnering levend te houden moet dat ruim volstaan.
De burgemeester had erop aangedrongen, dat hij het project zelf van begin tot einde zou leiden, omdat er voor hem veel op het spel stond. De nieuwe kaaien waren zijn testament, zijn eigenste geschenk aan de stad. Uiteindelijk had hij het werk aanvaard. Nog een grootse opdracht wilde hij afwerken. Daarna mocht het eindelijk kalmer aan.
Telkens wanneer hij hier binnenkwam, viel het hem op hoe ongewoon rustiek de gladde plankenvloer aandeed voor een huis dat van buiten af altijd als een kosmopolitische baken in de stad werd beschouwd. Zijn vader nam nooit het woord ârecyclerenâ in de mond, maar had het altijd over opbouwen en ergens op bouwen, waarbij de laatste betekenis als absolute voorwaarde gold voor de eerste. âJe bouwt pas iets op als je ergens op bouwtâ, zei hij altijd. Funderingen en nieuwbouw vond hij onzin, hij wilde ruĂŻnes. Liefst van het doorleefde soort, steen die al wat had doorstaan. Dit gebouw hoorde niet tot die categorie. Voor de renovatie was het een verpauperd hoekhuis, waarvan de bovenste verdiepingen waren ingenomen door duiven, die met hun gekoer een idyllisch trekje gaven aan de plaatselijke hoerenbuurt. Waar de hoeren zaten, huizen nu prachtige winkels met gepoetst glas en daarachter meubilair waar niemand ooit in woont.
Het felle zonlicht flitst van de geverniste vloer naar de witte muren en weer naar de ramen, die bestoft zijn door het gewroet van de machines in de uitgedroogde grond. Het zou nog eens mogen regenen. Anders moet hij een poetsvrouw langs sturen. Zonder gordijnen, tapijt of meubels is de ruimte overgeleverd aan de almacht van de zon, die vandaag verpletterend aanwezig is zoals alleen op de mooiste dagen in mei.
Hij opent een van de dozen en haalt er een bundeltje brieven uit. Voorzichtig neemt hij het stapeltje bij de randen en laat de brieven een na een onder zijn vingers wegtikken. Eentje van zijn ma, eentje van zijn broer, nog eentje van zijn ma met het antwoord eraan vast geniet, en dan, een van hem.
Bij de aanhef komt het hem weer voor de geest. Het was een scheldtirade die hij twintig jaar geleden had verstuurd en waarin hij uithaalde naar de wederopbouw die zijn vader had geleid na de tweede wereldoorlog. In het veel te pompeus gestelde betoog, moest alles eraan geloven, de stadsring die als âeen stel slecht sluitende handboeien rond het historische centrumâ zaten, de âbloederige slachting onder de groenzonesâ, de âcatastrofale toegang tot de stadâ via de leien. Het klonk als muffe haat, vermolmd als een oude krant of vergeten post, maar er sprak ook restje jonge woede uit die hij zich nu weer bleek te herinneren.
 Ik wou dat er een bom viel op uw werk. Van het soort dat alleen beton aan gruzelementen slaat. Want dat is wat ge in de stad hebt gedaan. Beton gegoten. In de hoogte en laag bij de grond. Gewapend of verkleed als speelstraat. Maar altijd weer beton beton beton. Ik zeg het nog een keer in de hoop dat ge definitief gedegouteerd geraakt en het niet meer kunt horen: BETON.
 Ge zult me waarschijnlijk zeggen dat uw naakte constructies vertellen  over de gebouwen van lang lang geleden, dat ze een spiegel zijn voor de stad zoals ze is en dat ze tonen dat er zoiets bestaat als natuurlijke erosie. Weerloze waarde, ik hoor u al een of andere verlichte dichter parafraseren. Maar ik moet u teleurstellen, zoals gij mij hebt teleurgesteld. Van al uw idealistische  theorieën is niets in huis gekomen. Er is zelfs geen huis van gekomen. Het enige wat er nog staat, zijn  uw nietszeggende zuilen, die te moe zijn om deze stad nog langer te dragen.
Nu ge al het leven om u heen hebt gedood, moet ge eens rondkijken. Ik hoop dat ge geniet van het nieuwe schelle lawaai dat het oude gemoedelijke gebrom heeft vervangen. Ik hoop dat ge ziet dat ge verkeerd zijt geweest om u te laten inpakken door de stadsadministratie en uw zwakte te verkopen als een geniale vondst. Ik hoop dat ge rustig slaapt terwijl onder uw venster de camions daveren over de macadam, op weg naar alweer een betonwerf. En daarmee ben ik ongeveer door mijn hoop heen.
 Het ga u goed vader. Ik wil u graag nog terugzien, maar niet meer om het over architectuur te hebben. Mijn vader de architect is dood.
 Hij stond op van de vensterbank en keek beneden naar een van de graafmachines die onder het raam had postgevat en met een buitenmaats gegrom het luchtledige isolement waarin hij zich de voorbije vijf minuten had bevonden, geleidelijk had doorbroken. Door het dubbele glas smolten de resten geluid van de bewegende grijparm en de motor die hoog in de toeren werd gejaagd, samen tot een hinderlijke stroop die in zijn gehoorgangen bleef hangen en zich, naarmate ze zich verder in zijn hoofd begaf, de vorm aannam van een weemoed die hem verlammend in de spierzenuwen beet.
Dat gevoel van plotse, onpeilbare droefenis, die een sombere schaduw hangt over elk beeld, elk woord, won aan kracht wanneer hij de brief las die zijn vader aan zijn moeder had geschreven toen hij zich in de Verenigde Staten bevond voor de bouw van een bibliotheek in Denver.
 Het is stil en onheimelijk wanneer ik hier over straat loop. Ik denk dat het door de schaduw van de torengebouwen komt, die alles plat slaat. Als ik van de werf naar het hotel stap, lijken die brede lanen te krimpen en vragen die gebouwen neerbuigend waar ik in godsnaam mee bezig ben.
Om heel eerlijk te zijn, ik weet het ook niet. Vandaag hebben we de omgekeerde piramide gezet bij de ingang. De burgemeester is komen kijken en heeft aan een stuk staan zeuren, omdat hij vindt dat het gebouw te Europees aandoet. Ik had geen zin om een discussie met hem aan te gaan over wat dat dan precies betekent. Oké er zit wat Pantheon in de centrale leeszaal en misschien zelfs een beetje gestreepte jugendstil in de aankleding van het kinderpaviljoen, maar moet je daarom alle meteen in een vaag-etnische hoek duwen? Er zit minstens evenveel Frank Wright (het Robie House) in de bakstenen buitenbouw en zelfs een klein eerbetoon aan de Chicago School in de ramen van de toren bij de ingang.
Misschien is het allemaal te eclectisch, met te veel referenties die niet meteen duidelijk zijn en daardoor denken de mensen dat het eigenlijk maar een rommeltje is. Onderweg naar het hotel heb ik geprobeerd om weer afstand te nemen en te kijken of ik me misschien had vergist, of mijn concept om verleden en heden en toekomst samen te brengen in een plek waar iedereen op zijn eigen ritme kan lezen en zoeken en zuchten, misschien verkeerd was. Het lukte niet echt. De gebouwen bleven op mij afkomen. Alles en iedereen rond mij had opeens een mening. De wolkenkrabbers die altijd zo stil hadden gestaan, gaven de burgemeester gelijk en vonden het te ingewikkeld, te Europees. Zelfs het Brown Palace Hotel, waarvan de aanblik mij elke dag tot rust had gebracht, alsof er een bruin maar zacht deken over mijn gemoed werd gelegd, wel dat hotel was nu een labyrint van acht verdiepingen, waarin ik verloren liep, om telkens weer uit te komen bij het grote met glas overkoepelde atrium, waar al de vragen die in mijn hoofd gonsden opeens een schelle echo meekregen.
Ik ben weer naar buiten gelopen naar het parkje aan de overkant, waar mijn angstaanval, gelukkig weer is gaan liggen. Toen ik daar zo zat,, kwam opeens de behoefte om met onze Jan te praten over dit werk, over mijn werk. Als hij zijn woede een richting weet te geven wordt het misschien nog iets met die jongen. Onder de lak van zijn overdrijving, zit volgens mij een artiest die iets kan vertellen. Daarom wil ik graag nog een laatste keer om zijn mening vragen. Ook al bestaat de kans dat hij me deze keer definitief met de grond gelijk maakt.
Suzy, meiske, ik was niet van plan om u te overladen met alleen kommer en kwel. Maar nu het toch is gebeurd, wil ik er meteen bij zeggen dat het vandaag beter gaat. Ik heb jou foto in het midden van mijn schrijftafel gezet en geef je een kus, in de hoop dat het niet lang meer duurt voor we elkaar echt terugzien.
 Jan haalde zijn portefeuille uit zijn achterzak en streek met de drie middelste vingers zachtjes van het gelooide stuk op de plooi naar het nog intacte wildleer aan de buitenkant. Hij sloeg de binnenste flap open en zocht tussen de fotoâs die hij daar bewaarde een waar zijn vader op stond. Hij kon hem niet meer precies voor de geest halen. Zijn trekken waren zo vaag geworden in zijn herinnering, dat het hem onrustig maakte. Hij wist dat het angstgevoel alleen zou toenemen als hij zich nu niet meteen een precies beeld zou kunnen vormen, aan de hand van een foto die hij hier, dat wist hij zeker, een paar maanden geleden nog had in gestopt.
De volledige inhoud van zijn portefeuille lag op de glimmende plankenvloer en hij woelde, op zijn knieĂ«n gezeten, met de hand tussen de bankkaarten, de betaalbewijsjes, drie biljetten van twintig en vier van vijftig euro en de fotoâs van het hele gezin, behalve van zijn vader. Hij zette zich neer tegen een van de drie overvolle dozen, die hem nu veel te zwaar leken om straks helemaal in zijn eentje naar buiten te zeulen. Een map die helemaal bovenaan stak, viel van de stapel.
Jan draaide zich half om zijn heup, strekte zijn arm zo ver hij kon en raapte ze op. Het was een verzameling vergeelde stukken en knipsels, volledig gewijd aan de hem onbekende architect Giuseppe Grassini, een cultfiguur uit de jaren dertig die nooit aan bouwen was toegekomen en desondanks een bijzondere bewondering had genoten bij zijn vader.
Vermoeid, maar nieuwsgierig bladerde hij door het korrelige papier dat zwarte vegen op zijn vingertoppen achterliet. Zijn armen voelden als lood dat via gaten achter in de schouderbladen was gegoten en bij het stollen alle resterende energie uit zijn lichaam had gezogen.
De man had ooit een soort volkshuis voor de Italiaanse fascisten ontworpen en was later aangezocht om deze stad van een nieuwe bibliotheek te voorzien, plannen die door de toenmalige stadsecretaris voor bouwaangelegenheden waren afgekeurd en waarvan nadien nooit nog een spoor was teruggevonden. Jan keek naar de vuile ramen. Hij voelde zich zo moe en moedeloos dat hij twijfelde of hij ooit nog zou opstaan. Terwijl hij zich overgaf aan de weemoed die hem had overvallen, legde hij de knipsels weer in hun oorspronkelijke volgorde. Bij dat gedachtendodende werkje, stootte hij op een document dat hij over het hoofd had gezien bij het doorbladeren van de map.
Achteraan zat een briefje, dat ongelezen was teruggekeerd uit de Verenigde Staten, omdat het adres niet klopte of de bestemmeling op een of andere manier onvindbaar was geraakt. De brief was nadien opengemaakt, zodat hij zich geen zorgen hoefde te maken dat hij het briefgeheim zou schenden. Toch aarzelde hij om de brief open te vouwen en hem te lezen. Het geschrift was verzorgd en voorzien van eigentijdse krullen en franjes. Nergens was een vlekje of een doorhaling te bespeuren.
Uit de aanspreking â âmy dearest friendâ â mocht blijken dat de twee niet alleen kenden, maar ook gevoelens van vriendschap jegens elkander hadden gekoesterd. In de eerste paragraaf ging het nog over het einde van de oorlog en de praktische problemen die daarmee gepaard waren gegaan. Zijn vader vroeg herhaaldelijk naar het welbevinden van zijn vriend, waaruit hij dacht te kunnen opmaken dat de Italiaan een moeilijke tijd had doorgemaakt.
Omdat het zo nog een tijdje kabbelend voort ging, was hij meteen naar het einde gesprongen, dat zich even loom aankondigde met de uitdrukking van een vage hoop elkander terug te zien. Toen Jan bij de allerlaatste zin kwam, was zijn hoofd alweer verdoofd door de sombere gedachten en het geronk van de machines onder het venster. Helemaal onderaan, alsof het om een bijkomstigheid ging, schreef zijn vader aan Giuseppe dat zijn zoon het goed stelde en dat hij zich geen zorgen hoefde te maken. Hij en Suzy zouden er alles aan doen om het kind in de allerbeste omstandigheden groot te brengen.
Jan stond op, liet de brief vallen en trok aan de handvatten van een van de dozen. Er was geen beweging in te krijgen. Hij liep naar het raam en dan naar de deur, die hij met een klap in het slot liet vallen. Mechanisch daalde hij de trap af. Bij elke tok van zijn hak op de treden, sneed de zin dieper in zijn hoofd. Toen hij de deur opendeed, zwaaide de werfleider naar hem, maar hij zag hem niet.
Jan stak de zandweg dwars over en keek naar de meeuwen die stil en alwetend tegen de blauwe hemel hingen. Er slofte een man voorbij in een zwarte pandjesjas, die onder de gele zavel zat. Toen hij Jan kruiste, tikte hij met twee vingers van zijn rechterhand aan de rand van zijn hoed en zette zijn weg onverstoord verder. De architect aarzelde geen moment en stapte in de rivier.