Effectiviteit van interventies in een steeds complexere samenleving: onderwijs en onderzoek
De laatste jaren is er steeds meer aandacht voor "focusgebieden" in het onderwijs en onderzoek: de geldstromen en de aandacht van onderwijs- en onderzoeksinstellingen zouden zich steeds meer moeten concentreren op enkele focusgebieden (bijvoorbeeld life science en food & agro), om die te versterken en om op die manier de internationale concurrentiepositie te verbeteren. Het Rathenau instituut publiceerde een onderzoek hierover (PDF), "Focus en massa in het wetenschappelijk onderzoek: de Nederlandse onderzoeksportfolio in internationaal perspectief".
Interessante conclusie: het lijkt alsof er weinig verbetering te zien is in de output van de sectoren waarop wordt gefocust, zowel vanuit binnenlands perspectief:
Het beleid van focus en massa lijkt geen structureel effect te hebben gehad op de Nederlandse wetenschappelijke output. Als dat wel zo was geweest, dan was de verdeling van de output over de onderzoeksgebieden schever geworden met een sterkere concentratie van de output in een klein aantal (focus en massa) velden. Maar de output is juist meer divers geworden.
Alswel vanuit het buitenlandse perspectief:
In internationaal perspectief is Nederland niet gespecialiseerd in de meeste Nederlandse focusgebieden. Alleen in water en genomics heeft Nederland een comparatief voordeel opgebouwd (een revealed comparative advantage groter dan 100). In het algemeen heeft Nederland juist een sterk comparatief voordeel in de biomedische velden. De internationale positie van deze velden wordt sterker, terwijl die van de focusgebieden juist afneemt.
Let wel, het is allemaal relatief:
De geobserveerde ontwikkelingen zijn relatief: in de meeste focusgebieden groeit de Nederlandse wetenschappelijke output, maar in andere landen groeit de output sneller. Het zijn vooral de landen van Zuid- en Oost-Azië die sterk opkomen in de Nederlandse focusgebieden
De onderzoekers komen dus tot de conclusie dat de huidige aanpak voor de focusgebieden niet afdoende werkt om deze dermate te versterken dat Nederland op deze gebieden een betere internationale concurrentiepositie verwerft.Â
Hoe komt dit? Wellicht (dit is een eigen mening) zijn de focusgebieden slecht gekozen: dit waren gebieden wiens output over de loop der jaren al af leek te nemen volgens de gekozen meetmethode van de onderzoekers. De onderzoekers hebben een andere, interessantere stelling, namelijk dat het Nederlandse onderzoeksstelsel redelijk immuun is voor top-down interventies. Dit komt door de manier waarop het systeem is opgebouwd en door de complexiteit van het systeem. Willen we centrale sturing makkelijker maken (is dat wenselijk?), dan moet het systeem anders worden ingericht.Â
De onderzoekers hebben onder andere dit erover te zeggen:
Het feit dat het F&M-beleid niet slaagt, is volgens ons niet toe te schrijven aan een gebrek aan tijd of middelen of aan het herlabelen op de werkvloer van het wetenschappelijke onderzoek. We vermoeden dat het uitblijven van een effect op de wetenschappelijke output verklaard kan worden vanuit de complexiteit van het wetenschapssysteem. En dan met name door de veelheid van strategische prioriteiten van andere actoren en de hechte organisatie op het middenniveau. Het grote âmiddengebiedâ van het wetenschapssysteem, met de vele regelingen en de verknooptheid van instituties en organisaties, lijkt tot compenserende effecten te leiden. Als het ene veld extra wordt gestimuleerd, past men zich op andere plekken aan. Maar adaptatie vindt ook plaats op andere plaatsen in het wetenschapssysteem, met name in de grote onderzoeksorganisaties, zoals universiteiten, die een grote vrijheid hebben in het verdelen van onderzoeksgelden volgens eigen prioriteiten. Ook de inzet van de FES-middelen overlapt slechts gedeeltelijk met de prioriteiten van de genoemde ministeries. Het resultaat is contra-intuĂŻtief: de focusgebieden groeien niet sterker maar juist zwakker dan gemiddeld.
Blijkbaar is het wetenschapssysteem resistent tegen beleidsinterventies en vinden veranderingen plaats onder invloed van andere mechanismen. Top-down beleidsmaatregelen om specifieke gebieden te stimuleren leiden daarom niet een-op-een tot een gewenst effect, maar worden door complexe interactie tussen een veelheid aan actoren in het wetenschapssysteem geabsorbeerd. Het Nederlandse wetenschapssysteem wordt gekenmerkt door een hoge mate van lokale autonomie in thematische keuze, zoals in de besteding van de eerste en tweede geldstromen. Als de overheid bepaalde velden extra stimuleert, terwijl universiteiten tegelijkertijd strategisch voor ander velden kiezen, NWO zijn eigen prioriteiten stelt en de FES-geldentoekenning een eigen strategische logica heeft, dan resulteert dat in tegenstrijdige interventies met mogelijk onbedoelde effecten. De sturende invloed van de overheid (top-down) lijkt klein. Omdat regie en coördinatie dominanter zijn dan concurrentie tussen onderzoekers, lijkt ook de invloed van de bottom-up dynamiek tanende. De vraag is of dat op de lange termijn voor het Nederlandse wetenschapssysteem niet erg nadelig kan uitpakken. Sterkere centrale regie, gecombineerd met meer decentrale vrijheid, kan dan een oplossing zijn.Â
Het rapport is het lezen waard, om inzicht te krijgen in de krachten en zwaktes van het Nederlandse onderzoek op internationaal vlak. Maar de discussie over de interventies raakt vooral mijn interesse, omdat het weer een bewijs is van de toenemende complexiteit van de samenleving en het daaraan gekoppelde afnemen van de effectiviteit van top-down interventies. Alles wat de skepsis over simpele oplossingen doet toenemen is welkom!