Ik behoor tot een generatie die met blijmoedig onbegrip kennis heeft genomen van de marxistische gekte van de jaren ‘60 en ‘70. Mijn eigen wonder years werden bepaald door de zegetocht van de vrije markt. In 1989 was ik 11 jaar oud en het Sovjet-communisme was een donderwolk die als bij toverslag in luttele seconden oploste. De dreiging van kernoorlog had me als kind erg beziggehouden en te midden van doemberichten over zure regen, het broeikaseffect en Afrikaanse hongerbuikjes voelde de val van de Muur als een belofte. Vanaf nu zou het weer beter worden.
Mijn ouders waren in de jaren ‘80 sterk links angehaucht. Niet communistisch, maar sociaal-democratisch. Desondanks was er een zekere sympathie voor het mensverbeterende experiment, het reëel bestaande socialisme. Natuurlijk, Stalin was een monster, maar de Bolsjewieken hadden in ieder geval het beste voorgehad met de mensheid. Een jaar nadat het IJzeren Gordijn openschoof verruilden mijn ouders, die zo lang uit principe sociale huurders waren gebleven, hun doorzonwoning voor een koophuis. De kleine rotanbank, het handgeknoopte vloerkleed en de Lundiastelling verzopen in de nieuwe woonkamer. Geluiden klonken hol door het huis die eerste jaren. De markteconomie bracht niet louter zegeningen.
Het daaropvolgende decennium werd Nederland rijk. In mijn door de-industrialisatie geplaagde geboortestad verrezen luxe winkelcentra, een casino, een Bijenkorf zelfs! In toaststemming gingen Nederland en Europa het nieuwe millennium in. Maar geen feestje duurt voor eeuwig. Moslimextremisme, milieucatastrofes en een financiële crisis deden de stemming omslaan in diepgevoelde depressie. En tegen die achtergrond laat een nieuwe generatie van zich horen. De zogenaamde millennials, en dan vooral de jongere cohorten van na 1990. Ik zag als prepuber de val van de Muur, zij zagen 9/11. Het verbaast me dan ook niet dat ze minder positief tegen de toekomst aankijken dan mijn generatie.
Het opvallende gebrek aan ideologische gedrevenheid van de jeugd van gisteren heeft plaats gemaakt voor een onbestemd verlangen bij de jeugd van nu. Jonge intellectuelen dwepen weer met marxistische theorieën. Er moet een schuldige aan te wijzen zijn voor de doem die ze ten deel is gevallen en gezien de zelfverklaarde hegemonie van het globaliserende kapitalisme is er voor velen slechts één werkelijke verdachte. Een beetje onbekommerd lachen om de groteske filosofieën van Adorno of Sartre is er tegenwoordig op feestjes met studenten niet meer bij. Voor je het weet raak je verstrikt in een ouderwets onbegrijpelijke discussie over kritische kunstbeschouwing of vals bewustzijn.
“There is always the possibility of another outcome, where this system based on destruction, injustice and barbarism can finally be given its long overdue burial”, schrijft de Britse intellectueel Owen Hatherley (1981) in Militant modernism. De jonge kunsteconome Emilie de Vlieger tweette deze zomer: “Als je geld verdient, haal je het altijd bij iemand weg. Hoe meer geld je verdient, hoe meer mensen geld verliezen”. In mijn werkveld, de ruimtelijke ordening, zijn de meeste studenten en jonge afgestudeerden in de ban van een vriendelijke vorm van anarcho-syndicalisme en fel gekant tegen de instroom van hogeropgeleide inwoners in de grote steden.
Hun verering van authenticiteit en afkeer van de consumptiefunctie van steden is zonder enige twijfel - zij het indirect - schatplichting aan de kritische theorie van Adorno en Marcuse. Maar hun belijdenis is vol tegenstrijdigheden en slecht onderbouwde aannames. Een fascinatie voor het zelforganiserend vermogen van mensen gaat zonder enige problemen samen met een luidruchtig beleden liefde voor hoogmodernistische massahuisvesting. Gentrification wordt als absoluut kwaad gezien door mensen die zelf bijdragen aan dit proces. Hoe kan je ronduit beweren dat Bertold Brecht trachtte “the rotting corpse that is the theatre” (echt?) nieuw leven in te blazen, terwijl zijn hanteren van het Verfremdungseffect juist mensen het theater uitjoeg? Waren de modernisten werkelijk de vaandeldragers van de Volkshuisvesting? Grafdelvers ligt wat mij betreft dichter bij de werkelijkheid.
Het zijn allemaal slechts woorden. Echter, weinig dingen zijn gevaarlijker dan abstracte ideeën in lege hoofden, om met Frits Bolkestein te spreken. Amen!