Verschillende schellebanden
Afbeelding No. 51―55.
Eene ruime keus van eenvoudige en praktische schellebanden. Zij zijn gedeeltelijk gehaakt, gedeeltelijk in kralen uitgevoerd.
Afbeelding No. 51. Deze schelleband bestaat uit twee strepen van grijs garen gehaakt, die met rood wollen koord aan elkander gewerkt en met lussen van hetzelfde koord zijn afgesloten. Men werkt voor elke streep op een opzetsel overeenkomstig de lengte van den schelleband heen en weder 8 toeren vaste steken, waarbij men telkens in de achterste van de beide bovenste lussen van de steken van den vorigen toer steekt. Voor de moezen, die in den 3. en 5. toer uitgevoerd en volgens afb. No. 52 verzet worden, haakt men in elken zesden volgenden steek van den vorigen toer 3 stokjes, in den volgenden toer worden deze met 1 kett. overgeslagen. Zijn de 8 toeren voltooid, dan sluit men de streep aan de beide lange zijden met 1 toer open stokjes af, namelijk 1 stokje, 1 kett., met dezen laatsten 1 steek overslaan, en werkt dan in de stokjes aan eene zijde van de streep 1 rij festonneerlussen van rood wollen koord volgens afb. No. 52. Beide strepen worden dan naar aanwijzing van genoemde afb. met rood wollen koord aan elkander gewerkt. Tegen den tot dusverre voltooiden schelleband naait men eene voering van grijs linnen, uitgenomen aan den eenen dwarsrand, waar men het handvatsel aan bevestigt. Voor laatstgenoemd neemt men een eind dik touw ongeveer 25 d. lang, verbindt de einden hiervan en overhaakt den ring dicht met v. st. van grijs garen tot op ongeveer 4½ duim aan beide zijden van het verbindingspunt af, dat onbewerkt blijft, men haakt de v. st. in de steken van een vooraf vervaardigd dubbel opzetsel van roode wol, dat men onder het touw neemt. De spiraalvormige omwinding van de steken verkrijgt men, door ze op het touw zeer dicht te zamen te schuiven en een weinig te draaien. Nu werkt men de franje, die zich aan het handvatsel aansluit, en wel eerst de afzonderlijke strengen met grijs garen als volgt: * Men haakt 36 kett., maakt van roode wol een bosje 20 draden dik, 2 d. lang, haakt in aansluiting aan de kett. het bosje in het midden met den werkdraad omvattende, insgelijks 1 kett. en omhaakt daarna teruggaande, de streng kettingsteken dicht met vaste steken (aan ons model 80), waarbij men de steken even als bij het omhaken van het handvatsel draaien moet; eindelijk werkt men 1 v. st. in den 1. van de 36 kett., dan 3 kett. Van * af nog 9 maal herhalen en den draad bevestigen. Daarna haakt men voor den rand van de franje nog de 3 volgende toeren. 1. toer met grijs garen: 1 v. st. in den laatsten v. st. van de laatste streng, 1 kett., * 1 v. st. in den middelsten van de 3 naastbijzijnde kett., 3 kett., van * af nog 8 maal herhalen, 1 v. st. in den laatsten v. st. van de eerste streng franje. 2. toer met roode wol: afwisselend 1 stokje in den eersten en laatsten van elke 3 kett., daarna 1 kett. 3. toer. 1 v. st. om elken kett. van den vorigen toer, daar tusschen gedurig 3 kett. Nu snijdt men 5 einden rood wollen koord, elk 54 d. lang, legt in elk hiervan op regelmatige afstanden 12 knoopen, haalt ze aan de einden als eene franje uit en naait ze volgens de afbeelding aan den bovenrand van de franje aan de verkeerde zijde vast. Daarna wordt de franje aan het handvatsel en deze tusschen het haakwerk en de voering van den schelleband bevestigd, waarbij men er tevens aan den onderrand van de voering een eindje riet inlegt en de voering eenige malen om het bovenste gedeelte van het handvatsel rolt. ― Afb. No. 53. De grondvorm van dezen schelleband bestaat in een rol watten met grijs linnen bekleed van 3 d. in doorsnede en van vereischte lengte. Deze rol is dicht met vaste steken van groene castorwol omhaakt, die men bij het werken dicht aan elkander schuift en zoo draait, dat zij spiraalvormig omwonden wordt. Op dezen toer haakt men 1 toer vaste steken met dik wit garen, waarop men groote kristallen kralen aanrijgt. Na elken v. st. schuift men voor de lus 40 kralen aan. Aan het begin van de eerste omwinding moet men evenwel de kralen lussen eerst zeer kort, dan langzamerhand langer maken, zoodat zij niet over den onderrand van de rol reiken. Dan bedekt men de witte steken met groene wol, daar men elken witten steek eenmaal met den groenen draad omwerkt. Aan den onderrand wordt voor het handvatsel van den schelleband eerst een ronde houten vorm met wol omwonden op de rol geschoven, zoodat deze onder den houten vorm ongeveer 3 d. lang uitkomt. Aan het overstekende gedeelte wordt een vorm van een knoop van een overeenkomende grootte aangebracht, het linnen naait men hierover te zamen, opdat de schelleband niet uit het handvatsel zou schuiven. De houten vorm wordt door eene klokvormige bekleedig bedekt, die met 6 toeren vaste steken over touw gehaakt vervaardigd wordt. Aan de steken van elken toer van deze bekleeding worden volgens afb. No. 53 insgelijks lussen van kristallen kralen gehaakt. ― Afbeeld. No. 54. Ter vervaardiging van dezen schelleband met kralen met den platten steek gewerkt snijdt men eerst naar aanwijzing van afbeelding No. 55, dat een gedeelte hiervoor in oorspronkelijke grootte geeft, een strook karton van vereischte lengte met ruiten uit; dan hecht men hierop een strook rood cachemir van overeenkomende lengte als ook stijf gaas en overwerkt nu het traliewerk van karton, ook door de lagen van de stof stekende, volgens afb. No. 55 met kristallen kralen, waarbij men de kruispunten onbewerkt laat. Op deze kruispunten wordt telkens een groot geslepen glazen plaatje genaaid. Nadat de strook voltooid is, naait men er uitgenomen den ondersten dwarsrand eene voering van grijs linnen tegen. Voor het handvatsel neemt men voor den grondvorm een rieten stokje van 14 d. lengte, overtrekt het met shirting en omwoelt het met dik garen, tot dat het ongeveer 4½ d. in omvang is, hierbij omwoelt men tegelijkertijd er in het midden van het stokje een dik koord ongeveer 24 d. lang, 2 d. lang op vast. De einden van het koord worden aan een rieten stokje 10 d. lang met shirting overtrokken bevestigd, zoodat zij in het midden hiervan aan elkander komen. Hierna bevestigt men aan elk einde van het langste stokje eene groote kristallen kraal, omwoelt deze, als ook het koord dat zich tusschen de stokjes bevindt, dicht met aangeregen kristallen kralen en versiert het handvatsel volgens afb. No. 54 met lange in elkander gevatte lussen van dezelfde kralen. Men bevestigt het handvatsel aan den schelleband, door de voering aan den onderrand eenige malen om het bovenste stokje van het handvatsel te rollen en daarna vast te naaien. De voering wordt vervolgens tegen het cachemiren gedeelte genaaid.