In de extraâs van films die op DVD worden uitgebracht ontbreken nooit de zogenaamde âdeleted scenesâ. Dit zijn scènes die wel geschoten zijn, maar niet in de uiteindelijke versie van de film terecht zijn gekomen. Omdat de film te lang werd, de scène toch niet zo werkte als gedacht, of omdat er geen geld meer was voorde benodigde special effects. Het leek mij leuk om dat ook eens een keer voor een theaterstuk te doen. Niet alleen om iets over het maakproces prijs te geven, maar ook om een inzicht te geven in wat het proces van de schrijver is, tijdens het maken van een voorstelling.Â
Een schrijver heeft namelijk een nogal vreemde positie binnen dat maakproces. Je begint ver voor iedereen uit, met denken, dingen op papier zetten, schrappen, en weer verder nadenken, praten met de regisseur, enzovoorts. Je bent een goede maand of twee al bezig met de uiteindelijke tekst  voordat er Ăźberhaupt een letter op papier staat; je hebt informatie die niemand anders heeft en je loopt op de menigte vooruit. Het is jouw stuk. En langzaam begint die menigte, de dramaturgen, acteurs, vormgevers, en de regisseur, je in te halen, zich jouw gedachtenfrutsels eigen te maken, te becommentariĂŤren. Je levert scènes af, herschrijft, schrijft bij, schrapt, net zolang tot er een eerste versie van het complete stuk ligt. Waarna je het hele proces weer opnieuw doorloopt. Uiteindelijk, en dit is de laatste fase, beginnen de repetities, je geeft de tekst af en zegt: âtabeeâ. In principe. Want het moet nu in de repetitieruimte gebeuren; de tekst is af, de woorden, de taal. Nu moet het vorm krijgen. De taak van de schrijver zit erop. Maar de voorstelling zelf, die bestaat nog niet, en het creatieve maakproces dendert onverdroten voort. En dan kan het nog wel eens gebeuren dat je als schrijver, wanneer je naar een voorlopige doorloop gaat kijken, opeens geconfronteerd wordt met de gedachte: âHee, had ik hier niet die ene scène geschreven?â Of, nog erger: âHee, dit heb ik helemaal niet zo bedoeld/geschreven.â Soms leuk, soms minder. Dan volgen gesprekken met acteurs, dramaturgen en regisseur. Waar jij eerder voorop liep in de stoet van de voorstelling, hinkel je er nu achteraan. Opeens moet jij proberen iedereen bij te houden. Dan wordt het, opeens, ons stuk. Een vreemd gevoel, maar dat hoort bij het vak.Â
Juist daarom is het leuk om eens van de achterkant te laten zien wat er gebeurt. Zeker bij een voorstelling als Dantons Dood, waarin de vorm eigenlijk heel dominant was voor mijn schrijven. Het beruchte keuzemoment was en is de focus van elke scène. Los nog van het feit dat er een oersterk, klassiek stuk bewerkt diende te worden. Wat dat bewerken overigens, zoals alle klassieken, wonderwel weerstond. Ik heb af en toe moeten wrikken en gedacht: âSorry BĂźchner, maar, fuck you.â
Â
Een van de deleted scenes die ik graag in de voorstelling had gehad is de onderstaande Proloog (Joost noemt het graag âHet Proloogâ, geen idee waarom, maar hij is daar verdomd vasthoudend in). Het is een monoloog van Danton die vertelt over waarom onze huidige levenshouding de verkeerde is.Â
Het grappige van deze scène is dat ik âm oorspronkelijk niet geschreven had. Joost belde me op een gegeven moment tijdens de repetities op en zei: ik mis een openingsscène. Iets waarin Danton het publiek welkom heet, of in ieder geval aanspreekt en het stuk introduceert.Â
Okay, goed, maar hoe doe je dat? Ik bedoel, er zijn legio manieren waarop je het publiek bij binnenkomst kunt begroeten en met de kwaliteit van de acteurs die we hebben, was het niet per se nodig voor mij om daar een scène over te schrijven. Dus ik wilde iets anders doen, niet alleen een uniek inkijkje in de geest van Danton, maar, bovenal, een knallende opener. Iets dat je meteen bij je ballen pakt en niet meer loslaat. Qua taal maar vooral zeggingskracht. Ons statement van de voorstelling in vijf minuten. BOEM! En dan de voorstelling inglijden.
Inspiratie voor deze scène was een omweg die ik in mijn voorbereiding had gemaakt: van de Poetica van Artistoteles naar de Epistulae Morales ad Lucilium, de brieven van Seneca aan Lucius. Een klassieke brievenwisseling over ethiek en moraal, en het paste voor mij volledig in wat we nu met het stuk wilden zeggen. Uiteindelijk heb ik ĂŠĂŠn claus als uitgangspunt genomen en het omgedraaid: Hoe kan ik Danton het hier nu eens mee laten zijn? En dan niet op een positieve, optimistische, manier. Maar als een vilein statement. Neem daarbij zijn frustratie over dat hij de hele tijd in een soort van limbo â de setting van Dantons Dood â zit, waarbij hij een perfect uitzicht heeft op de Hemel (en de Hel) en de Aarde. En dat hij ondanks al zijn kennis en charme en ego niets, helemaal niets, kan veranderen. Is dat zijn schuld? Nee, het is de schuld van de mens. Als de mens wilt veranderen hoeft ze alleen maar naar hem te luisteren. En als ze dat niet doet, tsja, dan verdient ze het in haar eigen hel te leven.Â
Maar hij zit er niet in, deze scène. Wellicht omdat hij te alomvattend was, voor een begin. Maar ik blijf het een mooie monoloog vinden. De taal, het punt dat hij maakt. En ik vind het een perfect statement over deze tijd. Iets om je mee te vereenzelvigen of tegen af te zetten. Maar tekst is niet een voorstelling. Joost heeft uiteindelijk voor een ander begin gekozen. En hoewel ik toch zeker drie weken campagne heb gevoerd, heeft het niet mogen baten. Is de voorstelling daar slechter van geworden? Nee, zeker niet. De monoloog paste niet in de visie van Joost en hij heeft âm daarom niet gebruikt. Dat is niet alleen zân goed recht, die beslising hoort een regisseur ook te maken. En het publiek heeft âm natuurlijk niet gemist (en gelukkig maar). Maar elke keer dat ik de voorstelling zie en Robespierre de boel opent, kan ik niet anders dan terugdenken aan deze monoloog, dit openingsstatement van George Danton.
Ach ja, het lot van de schrijver. Het is niet anders.Â
âJe moet je geest veranderen, niet de hemel.â
Seneca.
Ik bedoel, die schreef het, dus dan moet je dat erbij zeggen.
Godverdomme, het is gek om een andere dode te moeten citeren hier, maar ik heb gekeken,
en niks van wat ik ooit heb gezegd komt ook maar in de buurt van de waarheid van die zin.
âJe moet je geest veranderen, niet de hemel.â
Precies. Godverdomme, precies.
Hoeveel Hemelbestormers zijn er al niet gestorven?
Hoeveel niet van de trappen gevallen, zo, bam, de Hel in?
Hoeveel bedoelingen niet uitgewrongen in naam van het Goede.
Wat hebben we ervoor teruggekregen?
Of nou, wat hebben jullie ervoor teruggekregen.
Mij interesseert het geen fuck meer, ik ben dood.
Maar jullie leven nog, jullie zitten nog elke dag in dat moeras van een wereld.
Die zwetende, lillende, klamme, verstikkende pot met pus
dat ze ât leven noemen.
Niet dat jullie daar iets aan kunnen doen, dat zeg ik niet.
Het is gewoon wat het leven is.
Dat is het punt.
Hoe je daar mee omgaat,
dat diepe besef, hier, in je lijf,
dat ronde gat waarin je valt en rondtolt en tuimelt,
weet, voelt, in je botten: niets wat ik doe heeft betekenis.
Alles wat ik moet en wil en geacht word te doen is een illusie.
Je kunt ertegen vechten.
Natuurlijk. Je kunt iets doen.
Opstaan alleen al is een medaille waard,
je tanden poetsen, naar je werk gaan, âs avonds het nieuws kijken, chapeau.
En ondertussen vechten tegen die muur van emotie,
die gigantische tsunami van onrecht die je elke minuut op je afgevuurd krijgt:
WAAROM ZIJ WEL EN IK NIET?!?!
Of het nou gaat om bankiers die kunnen rentenieren van gestolen miljoenen
of Nigeriaanse negertjes die omkomen van de honger -
zij zijn tenminste dood, zij hebben rust. Toch?
Terwijl jij daar zit en de haat in je opborrelt, tegen je ingewanden kapot slaat,
in je hart sijpelt, je hersens vergiftigt en je opeens,
gewoon, omdat je dat een gast hoorde zeggen op internet,
een bom om je middel tapet en honderd man in stukjes met je mee het hiernamaals inneemt.
Zij de Hemel in, jij de Hemel in. Klaar. Juist?
Fout!                                 Â
De Hemel is fokking saai.
Niets te doen.
Beetje met God praten, woepdiedoepdiedoe, hij wĂŠĂŠt alles.
En denk je dat hij je ook maar ĂŠĂŠn potje poker laat winnen?
VergĂŠĂŠt het maar!
En dan zit je daar, dat âparadijsâ, dat eindeloos uitstrekkende haleluja waar je alles voor hebt opgeofferd in de hoop dat het op dat gore haveloze mensonterende planeetje tenminste ietsjes beter zou worden, en dan kijk je naar beneden en dan realiseer je je:
Kut.
Alles wat ik heb gedaan, elke stap die ik heb gezet, niets heeft het veranderd.
Alles is precies zoals het was, alleen noemen ze het nu âdemocratieâ.
Of âmediaâ. Of âeconomieâ
Alles tevergeefs.
Teleurstelling.
Geloof me nou maar,
ik heb het allemaal zien gebeuren.
Al die Hemelbestormers.. Al die ârevolutionairenâ.
Opnieuw en opnieuw.
Methodes veranderen, het resultaat niet.
Zie je, mensen snappen het niet.
âJe moet je geest veranderen, niet de hemel. Ook al steek je de onmetelijke zee over, ook al verwijderen zich, zoals Vergilius zegt, landen en steden, je gebreken zullen je volgen waarheen je ook gaat.â
Danton laat zich zakken in een comfortabele stoel en trekt een blikje bier open