I Een mens wordt steeds geconfronteerd met zichzelf. Iemand vertelde me ooit dat geel oogwit kan ontstaan door de afbraak van rode bloedcellen en ik besefte dat er in die zin drie kleuraanduidingen zitten en je er één formule uit kan afleiden. Dat er evengoed iets ontstaat als er wat wegvalt. Het werkt ook andersom. Een elektrische schok vormt zich in de wrijving tussen synthetische materialen. Een mens wast zijn kleding met water en sop tot de vlekken in de stof verdwijnen. Je kan je handen op een gezicht leggen tot de huid er als gruis in wegtrekt. II Het dak loopt schuin tot aan de spijlen van het bed. Het raam staat open en de wind lijkt over ons heen te strijken. Ik heb op internet gelezen dat het een tuimelvenster is en dat je hem tot 165 graden om zijn as kan roteren, dat de scharnieren in het midden van de balken hout ervoor zorgen dat je hem vanaf de onderzijde op een kier kan zetten. Ik heb getwijfeld de montagehandleiding als pdf-bestand te downloaden maar ken mezelf als iemand die hem achterstevoren zou lezen om te weten hoe ik het uit elkaar kan halen tot het niet meer bruikbaar is. III Het matras is het hardst aan de kant van de muur. Er zijn dingen die niemand je vertelt. Dat als je je lach opneemt met een voice-recorder en het later gevisualiseerd terugziet op een desktop, het lijkt op een gekantelde ribbenkast, op de botten van een slapend mens. Dat als je de batterijen uit het brandalarm haalt en de positieve en negatieve pool op hetzelfde moment tegen je tong aan legt, het gevoel van de letter Z heel kort door je heen rilt. Dat als je de controle over je ademhaling verliest en gaat hyperventileren, je wangen kunnen tintelen door zuurstofgebrek zoals bij het in- en uitademen van lachgasballonnetjes. Het is de eerste keer dat ik niet in de kuil van het bed lig.















