seen from United States

seen from Italy

seen from Malaysia
seen from Singapore

seen from Italy
seen from Yemen
seen from Italy
seen from Yemen

seen from Italy
seen from United States

seen from United States

seen from United States
seen from Philippines
seen from Germany
seen from United States
seen from China

seen from Philippines
seen from China

seen from China

seen from United States

Anya is live and ready to show you everything. Watch her strip, dance, and perform exclusive shows just for you. Interact in real-time and make your fantasies come true.
Free to watch • No registration required • HD streaming
@rogdona
I have drawn my favourite of your OCs this is also the first time I used coloured pencils in a long time I kept trying to get cosme hands and feet right, but I decided to just leave them like this on the picture 
In our current research for #EMSOC (www.emsoc.be) my colleagues and I focus on the development of digital, tangible tools for teachers to stimulate pro-social behavior off- and online within a class group, as a means to strengthen social cohesion and to prevent (cyber)bullying from happening in the first place (i.e. general prevention).
Naar een bottom-up aanpak van (cyber)pesten
Door de steile opgang van sociale en mobiele media is cyberpesten uitgegroeid tot een wijdverspreid fenomeen. Cyberpesten bracht niet alleen een verbreding, maar ook een verdieping of intensivering van de pestproblematiek met zich mee: meer kinderen en jongeren geraken betrokken bij pestgedrag en voor slachtoffers is er vaak geen ontsnappen meer aan, omdat ze zowel offline als online worden gepest, dag in dag uit.
De voorbije decennia werden er heel wat anti-pestprogramma’s ontwikkeld. De unieke bijdrage van dit onderzoek in het kader van het EMSOC project (www.emsoc.be) bestaat erin dat we een toolkit ontwikkelen waarmee leerkrachten lager onderwijs kinderen kunnen faciliteren om zelfsturender en zelfregulerender te worden in het aanpakken en voorkomen van pestgedrag. We focussen daarbij op zowel cyberpesten als op klassieke vormen van pesten, alsook op hun onderlinge relatie. Belangrijk is dat we de klas als een sociale groep benaderen en dat we ons richten op de exclusie van slachtoffers ten gevolge van pesten. Hoewel het asociale gebruik van sociale media aan de basis ligt van cyberpesten, bekijken we sociale media in dit onderzoek als een middel om pro-sociaal gedrag in de klasgroep te stimuleren en aldus pestgedrag te reduceren.
Kinderen zelfsturender en zelfregulerender maken in het aanpakken en voorkomen van pestgedrag, wil niet zeggen dat de rol van de leerkracht wordt geminimaliseerd. In tegendeel, de leerkracht krijgt een centrale en faciliterende rol toebedeeld en gidst de kinderen doorheen het proces aan de hand van de toolkit.
Participatory design
Als eerste stap in het ontwikkelingsproces van de toolkit identificeerden we een reeks voorwaarden waaraan een bottom-up georiënteerde aanpak van (cyber)pesten moet voldoen. Daarvoor nodigden we verschillende experten en leerkrachten uit voor een reeks mapping sessies waarbij we gebruik maakten van de MAP-it tool (www.map-it.be). Mapping is een techniek om ideeën en de relaties tussen ideeën op een visuele manier in kaart te brengen. Het gebruik van de techniek kadert binnen de Participatory Design aanpak die aan de basis ligt van dit onderzoek. Kenmerkend voor Participatory Design is dat gebruikers en andere belanghebbenden participeren in het ontwerpproces om te garanderen dat de resulterende ontwerpen afgestemd zijn op de manier waarom gebruikers het product daadwerkelijk zullen gebruiken in hun eigen leven (Schuler, 1993).
De voorwaarden die resulteerden uit de MAP-it sessies en die gepresenteerd worden in dit rapport fungeren als een metaforische ‘roadmap’, die de reiziger een overzicht biedt van mogelijke wegen, gevaren en opportuniteiten, zonder daarbij één weg of één oplossing naar voor te schuiven. De roadmap zal dienen al een leidraad doorheen het ontwikkelingsproces van de toolkit. In wat volgt geven we een beknopte samenvatting van de resultaten.
Preventiepiramide
Tijdens de MAP-it sessies werd herhaaldelijk benadrukt dat je een bottom-up georiënteerde aanpak van (cyber)pesten enkel kan implementeren in een veilige klasgroep zonder actuele pestproblemen. De preventiepiramide kwam daarbij herhaaldelijk ter sprake. De preventiepiramide is een theoretisch model om het preventiebeleid op school te ondersteunen en te versterken. Volgens dit model moet preventie worden gestructureerd op verschillende niveaus, gaande van de brede, maatschappelijke context tot preventie maatregelen voor heel specifieke problemen.
Het eerst niveau, de brede maatschappelijke context, omvat alle buitenschoolse activiteiten van het kind. De invloed van de school op deze buitenschoolse activiteiten is uiteraard beperkt, maar ze beïnvloeden wel in sterke mate het denkpatroon en het gedrag van het kind. De participanten beschouwden het sociale schoolklimaat, het tweede niveau van de preventiepiramide, als het vertrekpunt voor een bottom-up georiënteerde aanpak van (cyber)pesten. Op dit niveau ligt de klemtoon op het creëren van een algemene positieve atmosfeer. Dit houdt onder andere in dat er niet enkel gefocust wordt op de risico’s van sociale media en het internet, maar dat er een genuanceerd beeld wordt verschaft waarin ook aandacht is voor opportuniteiten.
Algemene of basispreventie, het volgende niveau, heeft te maken met het vergroten van de emotionele geletterdheid van kinderen. Dit houdt onder andere in het stimuleren van empathie voor anderen, het ontwikkelen van sociale vaardigheden en het vergroten van de weerbaarheid van kinderen. Pestgedrag, zowel offline als online, komt enkel expliciet aan bod in de bovenste niveaus van de preventiepiramide: specifieke preventie en interventie. Voorbeelden van specifieke preventie zijn kinderen aanleren hun Facebook instellingen adequater te hanteren ter bescherming van hun privacy en rollenspellen om kinderen te leren hoe ze moeten omgaan met pestgedrag, zowel als slachtoffer en toeschouwer. Interventie, het bovenste niveau, betreft het aanpakken van concrete (pest)problemen.
Aangezien de onderste niveaus bijdragen aan de kwaliteit van de andere niveaus in de preventiepiramide en omdat pestgedrag in de eerste plaats zo veel mogelijk moet worden voorkomen, is de huidige focus op (cyber)pesten mogelijks te nauw. Het is, aldus de participanten, aanbevelingswaardig om een breedspectrum toolkit te ontwikkelen die de verschillende niveaus van de preventiepiramide in rekening brengt. Meer nog, de toolkit moet worden geïntegreerd in een ‘whole school approach’ met aandacht voor het individu, de klas, het schoolteam en de communicatie met de betrokken partijen waaronder de ouders.
Verscheidene participanten stuurden aan op een sociale enquête als onderdeel van de toolkit om groepsdynamieken in kaart te brengen en na te gaan hoe elk van de kinderen zich voelt in de groep. Op die manier wordt het gemakkelijker om spanningen bloot te leggen en te voorkomen dat ze uitgroeien tot acute (pest)problemen. Ook hulpmiddelen om wederzijds vertrouwen te stimuleren tussen de leerkracht en de kinderen zijn onontbeerlijk. Wederzijds vertrouwen maakt het een leerkracht gemakkelijker om inzicht te verwerven in wat er zich afspeelt onder de oppervlakte van de groep, zowel offline als online.
Pesten is in de eerste plaats een groepsproces waarin omstaanders een belangrijk effect hebben op de persistentie van het pestgedrag. De toolkit moet kinderen daarom faciliteren om afspraken te maken ter bevordering van de klassfeer (basispreventie), alsook afspraken over hoe zij slachtoffers kunnen helpen wanneer er zich een geval van pesten voordoet (interventie). Peer sensibilisering werd ook regelmatig genoemd. Enkele, eerder populaire kinderen, nemen een voortrekkersrol in het sensibiliseren van andere kinderen over veilig internet gebruik en wat zij, als omstaanders, kunnen doen om pestgedrag te stoppen.
Open en aanpasbare toolkit
Belangrijk, een breedspectrum toolkit is niet hetzelfde als een one-size-fits-all benadering. De toolkit moet open en aanpasbaar zijn en moet ontwikkeld worden voor structureel en lange termijn gebruik. Meer nog, de toolkit moet worden gestoeld op een ‘no blame’ filosofie om diepgaande en blijvende verandering teweeg te brengen. Kortom, in sommige gevallen is een ommekeer in de gehele schoolcultuur nodig om een bottom-up georiënteerde aanpak van (cyber)pesten mogelijk te maken.
Aangezien kinderen belangrijke stakeholders zijn in het ontwerpproces van de toolkit, zullen we ze actief betrekken in de volgende fase van het onderzoek met behulp van specifieke Participatory Design methoden. Samen met kinderen van het vierde leerjaar, maar ook met hun leerkrachten en zorgcoördinatoren, zullen we de toolkit verder ontwikkelen op basis van de roadmap gepresenteerd in dit rapport.
Meer informatie over het onderzoek van Maarten Van Mechelen, Karin Slegers en Dirk De Grooff (CUO, iMinds, KU Leuven) vind je op de EMSOC website: http://emsoc.be/5126-naar-een-bottom-up-aanpak-van-cyberpesten/

Anya is live and ready to show you everything. Watch her strip, dance, and perform exclusive shows just for you. Interact in real-time and make your fantasies come true.
Free to watch • No registration required • HD streaming
Het verzadigingspunt van Facebook [dutch]
This is an opinion piece I wrote for Apache News Lab. It was published at Apache News Lab and the EMSOC website.
19 jun 2012 / Joachim Vlieghe
De beursgang van Facebook is in geen geval onopgemerkt voorbij gegaan. Het aantreden van het bedrijf achter de gelijknamige sociale netwerkwerksite zorgde maanden vooraf reeds voor heel wat opschudding. Ook op de openingsdag regende het kritiek. Het aandeel zakte bij de start op 21 mei meteen van 42 dollar naar 38 dollar. Door de aanhoudende daling heeft het aandeel aan het begin van de derde week al meer dan 35% van haar waarde verloren. Steeds meer misnoegde beleggers dienen nu klacht in tegen de Facebook-top.
Het team van Mark Zuckerberg wordt ervan beschuldigd de openingsprijs van het aandeel kunstmatig hoog te hebben gezet. Daarnaast zou ook belangrijke informatie zijn achtergehouden. De informatie waarover sprake heeft te maken met de groeiverwachting van het bedrijf. Die werd voor de openingsdag verlaagd door de financiële instellingen verantwoordelijk voor het uitgeven van het aandeel. Dat Facebook met haar jaarlijkse omzet van 3,71 miljard dollar inderdaad een verzadigingspunt heeft bereikt blijkt uit enkele recent aangekondigde veranderingen.
Andere inkomsten zoeken
Begin mei gaf de leiding van Facebook al toe te experimenteren met een nieuwe eigenschap die gebruikers toelaat hun status tegen betaling zichtbaarder te maken bij vrienden. Dergelijke nieuwe eigenschap maakt een uitbreiding van de advertentie-inkomsten op een wel zeer bijzondere manier mogelijk. Naast professionele adverteerders die betalen voor Facebookpagina’s, banner-ads en Sponsored Stories, zou het bedrijf nu ook de gebruiker zelf aanspreken als adverteerder. Daarmee wordt uitdrukkelijk ingezet op zelfreclame door gebruikers. Gebruikers kunnen uiteraard al langer geld spenderen op de sociale netwerksite. Met behulp van vooraf aangekochte Facebook dollars kunnen ze toegang krijgen tot exclusieve items of mogelijkheden in mini-games en applicaties. Het gaat daarbij telkens om producten en diensten die aangeboden worden door externe instanties in de sociale netwerkomgeving. Het status-experiment heeft daarentegen geen betrekking op externe producten en diensten. Anders gezegd: de ontwikkelaars van Facebook tasten de mogelijkheden af om voor het eerst interne onderdelen van de website betalend te maken.
Gebruikersbasis uitbreiden naar kinderen
Naast nieuwe inkomstmogelijkheden blijkt Facebook ook te onderzoeken hoe het haar gebruikersbasis van 845 miljoen maandelijks actieve leden verder kan uitbreiden. Het bedrijf kondigde deze week aan bezig te zijn met het uitwerken van een module voor ouderlijk toezicht. Die module zou het mogelijk moeten maken om ook gebruikers jonger dan 13 jaar officieel toe te laten tot de sociale netwerksite. Omwille van juridische beperkingen is dit momenteel niet het geval. Toch weerhouden de huidige inschrijvingsvereisten kinderen er niet van gebruik te maken van Facebook. Zo’n 7,5 miljoen gebruikers zijn jongeren dan 13 jaar. Dankzij de nieuwe module zou Facebook niet enkel de huidige groep van jonge gebruikers als lid kunnen behouden, maar ook aanzienlijk kunnen uitbreiden zonder vrees voor juridische problemen.
Red- of lapmiddelen?
De dalende beurscijfers leren dat deze voorgestelde veranderingen het ongenoegen en het wantrouwen van de aandeelhouders niet kunnen sussen. Integendeel, de berichten lijken het vermoeden van oneerlijk spel net kracht bij te zetten. Bovendien dreigt Facebook niet alleen haar investeerders af te schrikken, maar ook haar gebruikers. De sociale netwerksite werd in het verleden al meermaals gehekeld voor het aanzetten tot egocentrisch en narcistisch gedrag. Met het status-experiment lijkt de site daar nu uitdrukkelijk op in te zetten. Ook het inschrijvingsbeleid werd reeds veelvuldig bekritiseerd door bezorgde ouders en opvoeders. Zonder wezenlijke veranderingen aan het huidige inschrijvingsbeleid zal de module voor ouderlijk toezicht voor velen ongetwijfeld weinig meer zijn dan een lapmiddel. Tot slot kan de omschakeling naar een gedeeltelijk of geheel betalend model de aantrekkelijkheid van Facebook ernstig aantasten. Heel wat gebruikers stemmen in met het advertentie gedreven model omdat het hen kosteloos toegang geeft tot de diensten en producten van de sociale netwerksite. Het vrijgeven van informatie aan adverteerders nemen ze er vaak moedwillig bij.
ACS Participatory Session
Presentation during ACS Summer Institute: presenting conceptual framework for EMSOC research.
“Unlike their relationship to mainstream media, unlike their relationship with content and activities that adults provision for them, smaller scale peer publics are the ones that children participate in not just as consumers but as producers and distributors of content, knowledge, taste and culture.” (Mizuko Ito, 2010)
Wat maakt iemand tot een geletterd persoon? Het antwoord lijkt voor de hand te liggen: het gaat om kennis en vaardigheden. Terecht volgt dan de vraag om welke kennis en vaardigheden het gaat. Ook hier lijkt het antwoord vanzelfsprekend: datgene wat wordt aangeboden in het onderwijs. Een pienter geest merkt voegt daar vast nog aan toe dat het echter niet volstaat om louter de eindertermen na te lezen. Elke school kan immers zelf invulling geven aan de eindtermen door een eigen canon van ‘belangrijke’ werken samen te stellen.
Net zo belangrijk als de vraag naar inhoud (wat) is de vraag naar wie ze bepaalt? Op het eerste zicht lijkt het misschien vreemd om deze vraag te stellen. Benadrukken dat de overheid, de scholen en de leraren beslissingen nemen met betrekking tot de inhoud van het onderwijs lijkt immers weinig bij te dragen aan het debat over geletterdheid. Waarom herhalen wat evident is? Het feit dat er een überhaupt discussie gaande is, betekent echter dat de antwoorden op de voorgaande vragen lang niet zo van zelfsprekend zijn als ze lijken. Dergelijke vaststelling ligt aan de basis van de discussie waarin ook ouders en werkgeversorganisaties zich steeds vaker mengen.
In het debat worden kosten noch moeite worden gespaard om de eigen deelname te legitimeren. Iedereen meent recht te hebben op zijn of haar zegje. Wie merkwaardig genoeg ontbreekt in het debat zijn de kinderen en jongeren om wie het nagenoeg altijd draait. Ook Abbie Boutkabout van STAMP-media (nvdr. het Vlaamse persagentschap voor jongeren) kwam onlangs nogmaals tot die vaststelling tijdens de twee Staten-generaal van de Media. Het is inderdaad hoogst bedenkelijk om kinderen en jongeren uit het debat te weren. Het voorwendsel dat ongeletterde personen onmogelijk kunnen bepalen wat geletterdheid is net omdat ze niet geletterd zijn houdt immers een groot risico in voor iedereen die meent deel te mogen nemen aan de discussie. Discussiëren over ‘wat geletterdheid is’ betekent onvermijdelijk dat we onze eigen positie als geletterde personen op het spel zetten. Wat als we aan het einde van de discussie plots helemaal niet zo geletterd blijken te zijn als we wel dachten? Houdt ons recht op deelname aan het debat dan op?
Voorvechters van het spreekrecht van kinderen moeten – alle optimisme ten spijt – vaststellen dat de erkenning van dit recht op zich onvoldoende blijkt om kinderen daadwerkelijk aan te zetten tot discussie. Allerhande verklaringen worden gezocht voor deze vaststelling; gaande van een gebrek aan interesse tot een gebrek aan communicatieve kennis en vaardigheden. Deze verklaringen zijn interessant desondanks, of net omwille van de tweedeling tussen geletterde volwassenen en ongeletterde jeugd. Zo rijst in de slipstream van de legitimatievraag een nieuwe vraag met betrekking tot geletterdheid: waar komen de interesse, de motivatie en het vermogen van de volwassenen vandaan voor het voeren van maatschappelijke debatten?
De mogelijkheden van kinderen en jongeren om deel te nemen aan maatschappelijke discussies lijken zich vooral buiten de school te bevinden, terwijl communicatievaardigheden net bovenaan de onderwijskundige agenda staan. Maar schijn bedriegt. Terwijl volwassenen het hoge woord voeren in het mainstream debat, vat de jeugd onderling zelf de discussie aan. Met de komst en explosieve groei van de sociale media wordt steeds duidelijker dat kinderen en jongeren helemaal niet stilzwijgend aan de kant zitten. In de kantlijn hebben zij een nieuw ruimte gecreëerd. Daarin is discussie mogelijk waarbij de legitimering van individuele deelnames niet bepalend is voor de geldigheid van de stellingen. Integendeel, de legitimatie van de deelname wordt continu onderhandeld door datgene wat door de deelname naar voor komt. Enkel zij hun deskundigheid tonen kunnen door anderen als expert worden (h)erkend.
Hoog tijd dus om zelf de daad bij het woord te voegen en deze gedachten verder te onderzoeken.