bib·be·ren (bibberde, heeft gebibberd) 1 beven, rillen, m.n. van kou
Op dagen  Zoals deze  Waterkoud en ijzig kil   Raast de wind     Dwars door m’n haren         Staan gedachten even stil Doet de tijd  Er weinig toe en  Gaat ‘t niet zoals gepland      Maar ondanks alles        Zó gelukkig            Omdat jij nu bij me bent














