Vandaag is er een jongen in elkaar geslagen. Zomaar. Hij fietste naar huis. Had een film gekeken met een vriend. Een paar jongens achtervolgden hem, trokken hem van zijn fiets, en sloegen meerdere malen in op zijn hoofd.
Gisteren sprongen twee studenten van een brug. Ze hadden gedronken en dachten dat het leuk zou zijn om een stukje te zwemmen. Slechts één van hem kwam weer naar boven.
Een maand geleden zat ik in het park, toen iemand naar ons toe kwam rennen en de tas van mijn vriendin uit haar handen rukte. Op klaarlichte dag.
Ik kijk niet meer naar het nieuws, omdat ik nachten wakker kan liggen als ik teveel nadenk over klimaatverandering. Of mensen die voor treinen springen. Of terroristische aanslagen. Of een extreemrechtse regering.
Op sommige dagen moet ik mezelf met het lood in mijn schoenen het huis uit slepen. Krijg ik het benauwd als ik iemand achter me hoor lopen. Heb ik de hele treinreis zweethanden. Zet ik mijn muziek extra hard en mijn kraag omhoog. Sluit ik de wereld het liefst helemaal uit.
En toch.
Toch houdt een jongen in de trein de deur voor me open; ook al moet hij daarna rennen om zijn aansluiting te halen. Toch loopt een meisje honderden meters achter me aan om me mijn gevallen pinpas terug te geven. Toch zie ik puppies op de brug waar gisteren de jongen vanaf is gesprongen, en lachende kinderen, en verliefde stelletjes. Toch probeer ik het zonlicht dat weerkaatst op het water mooi te vinden.
Toch vecht ik elke dag tegen mezelf om van de kleine dingetjes te genieten.
Toch laat ik de angst niet winnen.
Toch vind ik de wereld mooi.
















