Over de toekomst van centrumlinks in Groot Brittannië
Dit voorjaar heb ik een tijd stage gelopen bij een Brits parlementslid. Op het kantoor van de vicevoorzitter van de liberaal-democraten hielp ik het parlementslid met het beantwoorden van e-mails van kiezers; volgde ik het parlementslid in zijn dagelijkse activiteiten en hielp ik met het organiseren van een evenement om geld in te zamelen voor een lokaal project. Wat zijn m’n bevindingen? Wat heb ik geleerd over de Britse nationale politiek?
Een eerste belangrijk punt is de impact van de media. Vaak heb ik me gestoord aan de focus – voornamelijk, het moet gezegd, vanuit de hoek van het partijhoofdkwartier – op de vorm in plaats van de inhoud. Op de vergaderingen van de parlementaire fractie (vergaderingen waarop mensen van het hoofdkwartier proberen in debat te treden met de medewerkers in het parlement), ging het gesprek voornamelijk over de strategie van de partij om ‘on top of the news wave’ te blijven. De eerste opdracht voor de liberaal-democraten in deze regering, het leek, was om duidelijk te maken dat zij een verschil maken. Om die boodschap over te brengen moet de communicatie strak gemanaged worden. Een voorbeeld: wanneer een journalist je benadert met vragen over de begroting (een begroting waarin de hoogste belastingsschijf wordt afgeschaft), zeg dan dat dankzij de liberaal-democraten de armste laag van de bevolking nu geen belasting meer hoeft te betalen. In het kort, de permanente focus op communicatie staat in de weg van een debat over de inhoud.
Een tweede punt is de grote moeilijkheid die de Britse politiek lijkt te hebben met de idee van een coalitie. De noodzaak om compromissen te sluiten tussen de twee regeringspartijen wordt vaak geïnterpreteerd door de media – en, bijgevolg, door het ruimere publiek – als verraad. Deze houding is enerzijds begrijpelijk: het Britse politieke systeem is gebaseerd op polarisatie; het First-past-the-post systeem heeft in het verleden steeds sterke eenpartijregeringen opgeleverd. De huidige coalitie is de eerste coalitie in Groot Brittannië sinds mensenheugenis.
Anderzijds doet de moeilijke verhouding tussen de twee regeringspartijen – conservatieven en liberaal-democraten – toch de vraag rijzen of de polarisatie in de Britse politiek geen nefaste vormen begint aan te nemen. De kloof tussen de linkervleugel van de liberaal-democraten – een vleugel vertegenwoordigd door, onder andere, het parlementslid voor wie ik werkte – en de rechterzijde van de conservatieve partij is van een orde die ik in de Belgische politiek nog niet gezien heb. Terwijl de linkervleugel van de liberaal-democraten alles inzet op sociale rechtvaardigheid, tracht de rechtervleugel van de conservatieven grote delen van het Britse staatsbestel te privatiseren. Concurrentie, zo gaat het refrein, leidt tot meer efficiëntie. Waarom dat principe niet toepassen op de overheid zelf? Het resultaat is een voortdurende druk op eerste minister Cameron om steeds verder te gaan met de privatiseringen. En hoe meer Cameron toegeeft aan zijn rebellerende backbench, hoe meer de verhouding met zijn coalitiepartner onder druk komt te staan.
Tot dusver heeft PM Cameron het spel goed gespeeld. Hoewel zijn conservatieve partij in de polls steevast achter de Labour oppositie aanholt, zijn het toch vooral de liberaal-democraten die de prijs voor regeringsdeelname betalen. In de opiniepeilingen scoren de liberaal-democraten bijzonder slecht. Vertaald in parlementszetels zouden verkiezingen tot een ware slachtpartij leiden: de liberaal-democraten, die nu op 57 zetels staan, zouden herleid worden tot 12 (het moet gezegd, de liberaal-democraten zijn hier het slachtoffer van het First-past-the-post systeem).
De perceptie heerst dat de partij van Nick Clegg er niet in slaagt wat dan ook van haar partijprogramma te realiseren. Eén van de redenen waarom de liberaal-democraten in zee zijn gegaan met de conservatieven van Cameron, was de belofte – opgenomen in het regeerakkoord – dat een referendum zou worden georganiseerd over een hervorming van het kiesstelsel. De liberaal-democraten, die zoals gezegd keer op keer gestraft worden in een meerderheidssysteem, stelden een ‘alternative vote’ systeem voor. Indien aangenomen zou zulk een systeem een grote stap geweest zijn naar een meer proportioneel kiesstelsel. Tot grote ontgoocheling van de liberaal-democraten, en na een negatieve campagne door de conservatieven, echter, heeft het Britse electoraat de hervorming afgewezen.
Het referendum over de ‘alternative vote’ was de eerste van vele teleurstellingen voor de liberaal-democraten. In de twee jaar sinds de verkiezingen van 2010 hebben zij de afschaffing van de hoogste belastingsschijf moeten slikken; hebben zij een gedeeltelijke privatisering van de sociale zekerheid moeten accepteren; hebben zij – tegen hun expliciete belofte in – ingestemd met een verhoging van het inschrijvingsgeld voor de universiteit; hebben zij hun plannen om het aristocratische Hogerhuis te hervormen moeten opbergen én hebben zij een radicale austeriteitspolitiek moeten dulden.
En wat hebben de liberaal-democraten zelf gerealiseerd? Toegegeven, ze hebben de drempel onder de welke je vrijgesteld bent van belasting weten verhogen, en misschien functioneren ze als ‘rem’ op de privatisering- en besparingsdrang van de conservatieve Chancellor of the Exchequer (Groot Brittannië’s minister van financiën) Osborne, maar los daarvan oogt het bilan van de liberaal-democraten in deze regering verre van rooskleurig.
Het resultaat is een partij die in tweeën lijkt te scheuren. De positie van partijvoorzitter en vice-eerste minister Nick Clegg wordt openlijk in vraag gesteld door prominente figuren in de partij (niet in het minst door Matthew Oakeshott – lid van het Hogerhuis en informeel adviseur van Vince Cable, de minister voor ondernemen die steeds vaker als vervanger van Clegg naar voren wordt geschoven).
De breuk in de liberaal-democratische partij lijkt dubbel te zijn. Enerzijds is er de breuk tussen links en rechts, waarbij linksgeoriënteerde parlementsleden zoals Simon Hughes het steeds moeilijker hebben om de palmares van een door rechts gedomineerde regering te verdedigen, en meer rechtsgeoriënteerde partijleden, zoals partijleider Clegg of Vince Cable, die zich niet filosofisch verzetten tegen het pro-vrije markt beleid van de conservatieve partij. Anderzijds is er de breuk tussen de partijbasis en de partijtop, waarbij zij die hun lot verbonden hebben met het lot van de regering (hier komt wederom Nick Clegg in het vizier) tegenover de meer zelfstandige stemmen staan (denk hier, wederom aan Simon Hughes, maar ook Vince Cable, die als bij wonder de storm tot dusver zonder kleerscheuren heeft doorstaan). Hoewel de twee breuklijnen in grote mate samenvallen, zijn er toch verschillen. Vince Cable in het bijzonder staat ideologisch dicht bij Clegg, maar heeft toch een onafhankelijke lijn – los van de coalitielijn – weten te bewaren.
Het is niet duidelijk hoe de toekomst er voor de liberaal-democraten uit ziet. Zoals gezegd, indien er vandaag verkiezingen georganiseerd worden, zou de liberaal-democratische fractie herleid worden tot twaalf leden – een ramp. Dat gezegd zijnde, in twee jaar tijd kan veel veranderen. De huidige crisis was in zekere zin te voorzien. Een partij die het verleerd is regeringsverantwoordelijkheid te nemen, in een regering waarin de breuk tussen links en rechts bijzonder groot is, in een politiek bestel dat niet weet om te gaan met coalitieregeringen, en in een economisch klimaat dat doet terugdenken aan de jaren ‘30… dat een regeringsdeelname moeilijk zou zijn in zulke omstandigheden is dan geen verrassing.
Dat de liberaal-democraten terug recht zullen kunnen krabbelen, is echter verre van zeker. De figuur van Nick Clegg lijkt fataal besmet te zijn door de associatie met David Cameron en – op indirecte wijze – met het radicaalrechtse discours van de conservatieve backbench. Het is moeilijk in te beelden dat de liberaal-democraten met Nick Clegg als boegbeeld de verkiezingen succesvol zouden kunnen doorstaan – ook al zijn ze nog twee jaar ver weg (tenzij de regering valt, wat niet uit te sluiten valt).
Betekent dit dat Nick Clegg een stap opzij moet zetten, en misschien vervangen dient te worden door Vince Cable? Hoewel de verleiding groot is om voor deze optie te kiezen, zijn hier ook grote nadelen aan verbonden. Zal Vince Cable niet in korte tijd hetzelfde lot beschoren zijn als Nick Clegg? Hoe kan Cable, met andere woorden, zijn onafhankelijke positie bewaren, indien hij als partijleider – en bijgevolg vice-eerste minister – mede verantwoordelijk wordt voor het succes van de coalitieregering? De betere optie voor Cable, en voor de liberaal-democraten, lijkt dus de storm uit te zitten met Nick Clegg als partijleider. Dat de liberaal-democraten zullen verliezen in de volgende verkiezingen lijkt een zekerheid; dat de conservatieven zullen winnen, is echter alles behalve vanzelfsprekend.
De Labour partij van Ed Miliband is op dit moment op koers om een parlementaire meerderheid binnen te rijven. Indien zij deze koers kan bewaren, ziet de nabije toekomst voor de liberaal-democraten er niet goed uit. Sterk verzwakt zullen zij terug naar de oppositie verwezen worden. Hun geloofwaardigheid zal sterk aangetast zijn. Indien Labour er echter niet in slaagt een meerderheid te verzilveren, zal de partij noodgedwongen naar de liberaal-democraten moeten kijken.
Ed Miliband is zich goed bewust van de noodzaak om de liberaal-democraten te vriend te houden. In een toespraak verleden week gaf Miliband toe per sms contact te hebben gehad met Vince Cable. Ed Balls, de shadow chancellor, probeert een wig te slaan in de liberaal-democratische rangen door zijn steun uit te spreken voor een belasting op onroerend goed – een parade paardje voor de liberaal-democraten dat zij, in coalitie met de conservatieven, waarschijnlijk niet zullen kunnen realiseren.
Staat een coalitie van de liberaal-democraten en de sociaaldemocraten in de steigers? De optie is zeer aanlokkelijk. Een samenwerking tussen beide partijen lijkt natuurlijker dan de huidige coalitie. Bovendien zou een samenwerking tussen het linkse Labour en de overwegend linkse liberaal-democraten een historische breuk in het linkse kamp ongedaan kunnen maken. De liberaal-democraten zijn het product van het samengaan van de zogenaamde ‘new liberals’ (liberalen die – contra de negentiende eeuwse vrije marktliberalen – wel geloven in een rol voor de overheid in het bevorderen van sociale rechtvaardigheid) en een hervormingsgezinde fractie van de socialistische partij (de social- democratic party) die zich medio de jaren tachtig had afgescheurd van Labour. Indien de liberaal-democraten samenwerken met een Labour partij die zich onafhankelijker opstelt van de vakbonden dan in het verleden het geval is geweest, dan bestaat er een mogelijkheid om een sterk centrumlinks front uit te bouwen in het Britse politieke bestel.
In een best case scenario voor de liberaal-democraten behaalt Labour in 2014 geen absolute meerderheid in het parlement. Labour zal dan naar de liberaal-democraten moeten kijken om een regering op poten te krijgen. Indien de liberaal-democraten daartoe bereid zijn, dan bestaat de mogelijkheid om de Britse politiek fundamenteel te hervormen. Ofwel blijven de liberaal-democraten een onafhankelijke koers varen, en kunnen zij – indien zij het spel goed spelen – hun geloofwaardigheid herwinnen in een context waarin coalitieregeringen de norm worden in plaats van de uitzondering; ofwel kiezen zij voor een meer permanente samenwerking met Labour. Zulk een samenwerking kan in eerste instantie de vorm aannemen van een kartel, om dan in de verdere toekomst tot een samengaan van beide partijen te leiden. Het resultaat zou een centrumlinkse formatie zijn die het klassieke socialisme inruilt voor een linksgeoriënteerd liberalisme – een liberalisme dat sociale rechtvaardigheid centraal stelt en naar de overheid kijkt als de beschermer van een gelijkheid van kansen in plaats van de oorzaak van alle onheil (zoals het rechts-liberale discours in Groot Brittannië de bevolking voorspiegelt).
Indien Labour wel een absolute meerderheid behaalt, zal de druk voor Labour om met de liberaal-democraten samen te werken fel verminderen. Het zal dan moeilijker zijn voor Miliband om een sociaal liberale koers te blijven varen, terwijl de liberaal-democraten zelf veroordeeld zullen zijn tot een (potentieel) langdurig verblijf in de coulissen van de Britse politiek.
Samengevat, wat ik Groot Brittannië toewens bij de komende verkiezingen is een kleine conservatieve partij, een Labourpartij die net niet genoeg zetels verovert om een absolute meerderheid te vormen, en een liberaal-democratische partij die – hoewel veel kleiner dan vandaag – sterk genoeg is om de sociaal liberale strekking in Labour te consolideren.
Dat zou nog eens een mooi resultaat zijn na vier jaar coalitie met de conservatieven.Â