croissant
Ik zit op een bankje op het perron. Er landen twee duiven voor me, beide missen ze een voetje, toch wandelen ze soepel langs broodkruimels en sigarettenpeuken. Ze bewegen zich als stofzuigers met veren over de tegels. Alles wat geen stoep is, knabbelen ze op.
‘Vieze beesten’, zegt een meisje tegen haar vriendin. Ze trekt haar kin een beetje in. Dat mensen duiven vies vinden begrijp ik niet. Ze leven van wat wij teveel hebben. Als duiven vies zijn, zijn wij ranzig. 
 Ik pluk een beetje van mijn croissant en gooi het naar ze, maar ze schrikken en vliegen op. ‘Kutbeesten’, mompel ik. ‘Ja echt he, dat vind ik nou ook.’ Het meisje met de ingetrokken kin knikt instemmend naar me. 
Er gaat een steek door me heen. Alsof ik per ongeluk op de staart van een hond ben gaan staan en geen sorry kan zeggen. Ik wil in vloeiend Duifs mijn excuses aanbieden, maar ik spreek de taal niet goed genoeg. In gedachten schrijf ik mijn excuusbrief: 
’Eénvoetige, gevederde vrienden, het spijt me: jullie zijn geen kutbeesten. Eerder magische vliegmachines, dat zijn jullie. Ik voelde me gepasseerd, vanwege het wegvliegen, maar ik snap het: jullie schrokken van mij. 
Trek het je niet aan hoor, als mensen jullie kutbeesten noemen, of vliegende ratten. Jullie kunnen er ook niks aan doen. Onze steden zijn snackbars voor de duif. Onze stoepen een lopend buffet. Als ik in een snackbar ben, hou ik me ook niet in en ik verwacht ook niet dat jullie dat doen. Leef je uit. Treat yo self.
 Misschien mogen jullie iets minder vaak op straat poepen, maar goed, een kniesoor die daar op let. Anderzijds ruimen jullie ook weer een hoop troep op. Van mij niets dan lof. Blijf lekker knabbelen en knagen dat het een lieve lust is. Ik laat mijn croissant hier achter, voor jullie. Opdat jullie maar rond en dik mogen worden, zo dik dat jullie kleine vleugeltjes je bijna niet meer van de grond kunnen krijgen.’
Uit de trein kijk ik naar het feestmaal dat ik heb opgediend. Een heel weeshuis aan duiven doet zich tegoed aan bladerdeeg. Een van de voetloze duiven kijkt nog even naar me op. Met zijn hoofd maakt hij een instemmend knikje. Een teken, denk ik. En ik knik terug.















