stoei·en (stoeide, heeft gestoeid) 1 voor de grap doen alsof je vecht; = ravotten 2 spelend, vrijblijvend omgaan met: wat met cijfers stoeien In Utrecht aan een barretje Daar zat jij flink te spinnen Ik was zo onder de indruk Kon geen pick-up line verzinnen Door je schitterende ogen En je gave rode haren Heb ik schaamteloos en stiekem Heel lang naar je zitten staren















