De Kapitein en de Zes Bevers, een verhaal door Seneca en De Dode Van Gogh
Woensdag 12 augustusÂ
Ik schreef gisterennacht impromptu een verhaal samen met Seneca terwijl we aanwezig waren in een kring van jonge, frisse fotografen. Er werd gebabbeld over neo-punk, zelfverminkende kunstenaressen die hun eigen genderspecifieke lichaamsdelen opaten, Ă©n gewelddadige vormen van protest. Het was allemaal een beetje duister voor de klassieke ziel van Seneca, maar het bevreemde hem ook op een nog ongekend aangename manier. Hieronder volgt onze improvisatie. Het verhaal is getiteld âDe Kapitein en de Zes Beversâ.
De Kapitein en de Zes Bevers Een verhaal door Seneca en De Dode Van Gogh
Toen de zedenpolitie de broodjeszaak goed en wel had gevonden, waren de zes bevers, natuurlijk, al lang gevlucht.
Het bouwen van een dam van brood was in slechte aard gevallen bij de mensen; ze hadden namelijk brood nodig en aan delen met dieren werd vandaag niet gedacht.
âDie vervloekte bevers stelen onze koolhydraten!â riep een klant met haar handen in de lucht. âOnze kwadraten?â vroeg de kapitein van het blauwwitte politieteam. âWel, dat weet ik niet,â antwoordde ze met een boterkoek tussen de tanden,â maar dat kan ook! Waarschijnlijk wel.â
âNu ik erbij nadenk, ik heb gisteren nog een dekselse bever met een ludiek brilmontuur een reeks vierkantswortelvergelijkingen zien oplossen,â vervolgde ze smakelijk smakkend, âhij at hier een broodje Kip-Curry zĂłnder groenten! Ze mogen zich dan wel voordoen als geleerden, als redders van onze zonden⊠voor mij blijven het BEESTEN.â
âVertel me niets over dat broodje zonder groenten,â zei de kapitein stilletjes zodat zijn collegaâs het niet hoorden, âdat bespaart me heel wat papierwerk. Je weet hoe dat gaat tegenwoordig. Vertel me liever welke richting die houtkakkers uitgingen.â
De klant wees beduusd naar het spoor dat de bevers hadden achtergelaten. Er lagen hopen brood en hout naast hun hazenpad. De besnorde korpschef volgde gezwind en kwam uit op een berg van brood en schaterlachende bevers (die bovendien allemaal een bril droegen en de stelling van Pythagoras scandeerden).
En toen de kapitein zijn handboeien in één sierlijke beweging van zijn heupen zwierde, kwam hij tot het ongelukkige besef dat hij de mensen-handboeien, en niet de bever-handboeien, deze ochtend uit zijn kluisje had gehaald. Hij wist op dat moment dat hij geen andere keuze had dan over te schakelen naar ongrondwettelijke maatregelen.
Zijn Colt .45mm bevatte zeven patronen. Er waren zes bevers. Hij kon het zich veroorloven één keer te missen. In een blinde woede schoot hij zes keer raak. Dat was een heleboel papierwerk, bedacht hij zich toen hij bedaarde. En daar had de kapitein allesbehalve zin in. Hij keek naar het warme handwapen dat terwijl het nog stoomde nog juist één kogel bevatte. Hij sloot voor een lange stilte zijn ogen.
Hij dacht aan het voorval met de dassen, dat hem exact een jaar geleden in de eindeloze kluwen van de administratie had gedwongen, en verzekerde zichzelf dat één kogel vele malen lichter weegt dan die eindeloze stapels van ingebonden papier. Hij dacht aan de beslissing om de pensioenleeftijd tot 67 op te trekken. Hij dacht aan zijn vrouw. Aan haar moeder, maar ook zijn eigen moeder. Aan zijn zoon die al 12 jaar communicatiewetenschappen studeerde. En aan die gruwelijke vakantie in Tenerife waar de hitte ondraaglijk was - terwijl hij uitdrukkelijk had gevraagd naar een kamer met airco, en aan hoe zijn vrouw hem dat op één of andere manier kwalijk nam.















