De Kus
Het is stil in de hallen van het verlaten schoolgebouw. Oude posters hangen nog aan de deuren van evenementen die al lang geweest zijn, leerposters met het alfabet en de tafels, een muur met oude schoolfotos. De vloer is dof, er ligt een dikke stoflaag op de kasten. Alle stoelen staan nog netjes naast elkaar in de aula, ze zijn gericht op het podium, waar twee gedaantes tegenover elkaar staan. Ze zijn uitbundig gekleed, alsof ze met elkaar gaan trouwen, maar hun kleding is zwartgekleurd. Hun gezichten zijn niet te zien achter de sluiers. Ze lijken elkaar aan te kijken. Een van de gedaantes reikt zijn hoofd op. Hij kijkt naar de andere gedaante, en tilt zijn hand op naar de hand van de ander. Hij houdt een blinkend, onduidelijk voorwerp vast in de vuist van zijn vuist.
Ergens op een kermis was het ook stil. De lichten staan er uit, er is geen feestmuziek te horen, enkel de wind die suist, de blaadjes die in de late herfst naar beneden vallen en een dof achtergrondmuziek die in de verte te horen is. Een klaagzang, een Franse chanson. Er zijn wel mensen aanwezig, ze zijn in witte nette pakken gekleed. Maar er wordt geen woord gezegd, er is geen uitdrukking te vinden op hun gezichten. Ze staan stil. Alle aandacht is gericht op een witte grafkist, die op de schouders van zes witte net geklede gedaantes gedragen wordt, die langzaam vooruit lijken te marcheren. Naast de gestadige gelijktijdige voetstappen van de zes gedaantes, is het doodstil. Ze marcheren voort, totdat ze in een ruim plein in het midden van de kermis halt maken. Daar staan ze stil.
De gedaante opent zijn vuist, hij houdt een ring vast. Hij knielt. Wanneer hij de grond raakt, heft hij zijn arm met de ring en biedt hem aan aan de andere gedaante. Ze lijkt geschrokken te reageren, of was het juist verrast? Ze houdt haar handen voor haar mond. Haar lippen trillen, ze lijkt iets te willen zeggen, maar ze weet de woorden niet te vinden. De gedaante dringt de arm met de ring aan. Ze lijkt te twijfelen. De klok begint razendsnel te draaien, de wijzers slaan op hol.
Een van de zes gedaantes reikt naar de rand van de grafkist, en tilt hem langzaam op. Het lukt hem niet, hij is te zwaar. Hij gebaart dat de anderen hem moeten helpen. Ze tillen en tillen, maar de deksel is te zwaar om hem er van af te krijgen.
Nog steeds dringt de gedaante aan met de hand waarin de blinkende ring zit. De klok piept en draait razendsnel. De andere bevert. Een glimmende traan rolt over haar wang, over haar rode lippen, en valt op de grond. De echo weerkaatst het. Haar andere hand trilt, en beweegt, langzaam, maar zeker, naar de hand van de ander, waar de ring in zit. Ze pakt hem aan. De gedaante neemt haar hand en doet soepel haar de ring om. Even staan ze allebei stil, dan lijken ze elkaar aan te kijken. Plots staat de klok stil. Hij slaat voor de eerste keer.
Uit alle macht tillen ze de deksel op, het kost zoveel moeite, de deksel valt bijna, maar langzamerhand, komt er een beweging in. Er is een glimps te zien van wie er in de kist ligt.
De gedaante kijkt stil naar de geringde toe. Ze lijken een blik uit te wisselen. De klok slaat twee. De gedaante zakt zijn armen, en beweegt deze naar haar heupen toe. De klok slaat vier. Ze wordt dichterbij getrokken. Ze lijkt terug te stribbelen maar geeft toe. De klok slaat zes. Hun gezichten bewegen naar elkaar toe. Ook de gedaante trilt nu, hij lijkt niet zeker te zijn. De klok slaat elf. Hij beweegt zich dichter bij, ze sluiten hun ogen, en hij geeft haar een zachte kus op haar rode lippen. De klok slaat twaalf. Hij proeft bloed.
~
Hij doet een stap achter uit, er lijkt bloed te stromen van haar mond. Haar ogen zijn bloeddoorlopen, en een paar kleine druppels bloed vormen zich in haar ogen. Ze kijkt hem half aan. Even leek het echt. Even leek het gemeend. Toen stortte ze neer, haar handen naar haar hart grijpend, bonkend reageren de muren op haar val. De gedaante lijkt er van geschrokken te zijn, dan, na een kille stilte, barst hij in snikken uit.
De deksel van de grafkist wordt geopend, er lijkt iemand in te liggen. De gedaante heeft een ring om, haar lippen zijn zo rood als rozen. Haar gezicht toont geen emotie. Ze is wit en netjes gekleed.











