'Pedagogie van het werk' vs. 'Apologie van de school'
(Van âPedagogie van het werkâ heb ik enkel hoofdstuk 24 (Naar een pedagogiek van het werk) en 25 (Maar wat voor werk?) gelezen. Over de rest van het boek kan ik dus geen oordeel geven.)
Het is vreemd om een tekst te lezen en meteen door te hebben dat het in een periode is geschreven die tegelijk enorm verschilt aan degene waar jij in leeft en toch vergelijkbaar blijft.
Dit was een gedachte die meerdere keren terugkwam terwijl ik âPedagogie van het werkâ van CĂ©lestin Freinet las. Iets wat blijkbaar wel vaker voorkomt wanneer hij fictieverhalen schrijft, aangezien ongeveer hetzelfde probleem had toen ik âMinetâ probeerde door te nemen. Daar verloor ik mezelf soms zo sterk in het zoeken naar de metafoor van het verhaal dat ik vergat om simpelweg plezier te hebben met het lezen ervan.
Bij âPedagogie van het werkâ was dit laatste een iets minder groot probleem. Het is duidelijk meer bedoeld om een bepaalde mening over te brengen, dan om echt puur en alleen te entertainen, dus de metafoor is ook duidelijker dan in zijn kinderboeken.
Het is dan ook opgebouwd in een stijl die vergelijkbaar is met de geschriften van Oudgriekse filosofen zoals de dialogen van Plato: Een discussie tussen verschillende personages waarin wordt gepraat over een filosofische of maatschappelijke kwestie. In dit geval zijn er drie personages: Een landbouwer, een dorpsmeester en zijn vrouw die aan het discussiëren zijn over de hervormingen van het onderwijs.
Ik moet wel zeggen dat deze wel niet eerlijk verdeeld is op vlak van wie van de 3 personages het meeste gelijk heeft (toch niet in de hoofdstukken die ik heb gelezen). De dorpsmeester en zijn vrouw mogen dan wel niet de stem spelen van het âtraditionele onderwijsâ en zijn duidelijk wel voor het hervormen van de school, maar hun manier van aanpakken (werkmethodes die bedacht & uitgetest zijn door wetenschappers) worden vaak ronduit bespot door de landbouwer, die de mening van C. Freinet uitbeeldt. Misschien dat ik het daarom liever wil vergelijken met een ander boek dat ik onlangs heb gelezen: âDe apologie van de schoolâ, geschreven door Jan Masschelein en Maarten Simons. Een boek dat de school wil verdedigen tegen de maatschappelijke kritiek die het vandaag de dag vaak krijgt.
Helemaal aan het begin van deze tekst schreef ik dat âPedagogie van het werkâ zowel verouderd als relevant overkwam, dat komt hierbij voornamelijk van toepassing.
In allebei deze boeken spreken de personages/schrijvers over een maatschappij waarin drastische veranderingen aan het plaatsvinden zijn (âPedagogie van het werkâ is uitgegeven in 1942 & en âApologie van de schoolâ in 2012), zowel op sociaal en politiek vlak als op schoolbeleid. Toch hebben ze heel verschillende manieren waarop men hiermee hoort om te gaan.
Terwijl C. Freinet zegt dat er meer hoort gefocust te worden op de individuele talenten & leefwereld van elk kind op zich, willen Masschelein & Simons hier juist van weg stappen en voornamelijk ervoor zorgen dat leerlingen juist de kans krijgen om buiten hun persoonlijke leefwereld te treden. Ook argumenteren Masschelein & Simons dat een flexibele school/leerkracht die zijn leerstof constant aanpast aan de wereld buiten de schoolmuren om deze toepasbaar te houden (voornamelijk op de kapitalistische arbeidsmarkt), er juist voor zorgen dat studenten niet in staat zijn om deze maatschappij te hervormen waar en/of wanneer het nodig is, omdat ze alleen getraind zijn op hun toepasbaarheid in het economische werkveld. Terwijl C. Freinet juist deze toepasbaarheid & flexibiliteit aanmoedigt, gaande vanuit het principe dat een instituut dat zich niet wil aan een maatschappij die zo snel veranderd snel weggespoeld gaat worden en verouderd geraakt.
Natuurlijk komen deze verschillen voor een groot deel uit de tijdsgeest waarin de 2 boeken zijn geschreven. Een deel van âApologie van de schoolâ praat over het feit dat we vandaag de dag praktisch constant âlerendeâ zijn vanwege het internet en social media. We komen dag in dag uit in contact met nieuwe informatie, maar vaak vraagt het ons niet om onze eigen leefwereld tijdelijk te vergeten en een nieuwe te betreden. Iets wat binnen de schoolmuren volgens Masschelein & Simons wel zou gebeuren.
Deze overvloed aan informatie en leermomenten waren nog niet aanwezig in de maatschappij toen C. Freinet âPedagogie van het werkâ schreef, noch was de snelheid waarop de wereld veranderde zo hoog zoals die nu is (al begonnen de beginselen van deze versnelling wel tevoorschijn te komen). Ik denk niet dat C. Freinet het zo fijn zou hebben gevonden als er om de 4 jaar een volledig nieuw onderwijsbeleid werd uitgebracht, wetende dat wanneer het eindelijk goed geĂŻntegreerd is in het schoolbeleid het opnieuw volledig verouderd is. Dit maakt wel dat wel dat het principe dat C. Freinet aanneemt dat leerlingen juist nood hebben aan werk in plaats van spel, wat verouderd overkomt tegenover een maatschappij waarin het brein juist de hele dag worden aangespoord om bezig te zijn met âwerkâ, niet enkel door social media, maar ook door het kapitalistische idee dat elke minuut van rust verwaarloosd wordt. Een maatschappij waarin individualiteit wordt geprezen, zolang het maar inzetbaar is in het werkveld.
Toch durven Masschelein & Simons soms een beetje te idealistisch te zijn over het onderwijs als een entiteit op zich. In hun boek beschrijven ze het schoolgebouw haast als een utopische en communistische plek waarin iedereens culturele en financiële achtergrond verdwijnt op het moment dat ze de schoolpoort binnenstappen, of dat is toch hetgeen wat het volgens hen hoort te zijn, maar geven geen manieren waarop dit idee kan worden verwezenlijkt in de werkelijkheid.
Alle verschillen terzijde gelaten, uiteindelijk willen de auteurs wel allemaal hetzelfde bereiken: Een schoolstructuur creëren die ervoor zorgt dat leerlingen interesse krijgen in de wereld rond hen, niet alleen hetgeen dat ze al kennen, en deze ook kritisch durven benaderen. Al werken ze dit anders uit: Masschelein & Simons door de school als een entiteit op zich voor te stellen die apart staat van de maatschappij errond en door minder te focussen op het ontwikkelen van talenten en vaardigheden die direct inzetbaar zijn in een kapitalistisch werkveld. C. Freinet door juist te focussen op de zelfexpressie en individualiteit van elk kind op zich en elke leerling niet als een uitwisselbare arbeider te behandelen, maar als een persoon met interesses, gewoontes en behoeftes.