Zo’n impressiegedicht over verstrooidheid.
28 oktober 2019
Milde peuken op een maandagmorgen. Thee dat naar lauw afwasmiddel smaakt. Klokken zonder secondewijzers. Cafés die nog dicht zijn. Spelfouten. Net niet passende achtergrondmuziek. Onverschilligheid. Half afgekeken films. Buikpijn en bijna huilbuien. Niet-afgescheurde daardoor achterlopende kalenderpagina’s. Constante hoofdpijn. Wat aankloten op muziek instrumenten. Taken ontduiken, onaf achterlaten, ontwijken, ontvluchten, ontgaan. Belastingenveloppen. Niet gelegd laminaat. Verhuisdozen die gepromoveerd zijn tot interieur. Afgestorven vetplanten. Een klein flesje rum in je binnenzak. Kleine teugen verdriet en vergeten in je binnenzak. Programma’s voor kinderen maar kind ben je niet meer. Allang niet meer. In ieder geval niet op die manier. Het idioom “in ieder geval”. De angst voor verantwoordelijkheid. Half oprechte functioneringsgesprekken. Vakantieplannen die nooit plannen waren. Openbare lompheid. Treinvertraging wegens “Aanrijding met een persoon” alsof dat per ongeluk gebeurd. Liefde dat niet ingewikkeld wordt maar bij gebrek aan een ander woord... Wachtkamers ‘s ochtends zonder “goedemorgen”’s. Het zoeken naar woorden. Vergeten wat je ging zeggen. Vergeten wát je ging zeggen. Vergeten wat je ging zéggen.












