Obiectum nulla idea II
Scientia Potentia Est
Ergens aan het begin van de 17e eeuw stelde Francis Bacon in zijn ‘Meditationes Sacrae’ de u vast bekende regel ‘Kennis is macht’. Volgens zijn idee is kennis één van de belangrijkste dingen in het leven en het vergaren en delen ervan de basis van ons zijn. Het stelt ons in staat onze reputatie en invloed te verbeteren en daarmee onze macht te vergroten. Toch zag onze Francis enkele kleinigheden over het hoofd. Zo ook het geval Brilmans.
Ondanks dat ik al jaren bezig ben met het vergaren van kennis, met name op het gebied van de natuur’wetenschappen’, is het nog schabouwelijk gesteld met mijn reputatie, nog niet eens als klapvee zullen ze me uitnodigen bij DWDD, om nog maar te zwijgen over invloed en macht. Wat dat betreft ben ik van al die kennis niets wijzer geworden. Zelfs niet nu ik regelmatig die kennis met u deel.
We kunnen dus concluderen dat de stelling van Francis niet klopt. Althans niet helemaal. Het moet mijns inziens wat specifieker. Iets meer nuance om recht te doen aan de werkelijkheid. Zoiets als: ‘De juiste kennis is macht’. Of, beter nog: ‘de juiste kennissen is macht’.
Lol der onwetendheid
Hoe dan ook, mij zal het een zorg zijn, mij is het niet om macht te doen. Veel liever wend ik mijn specifieke kennis aan om mijn natuurvondsten te bepalen. En wat dat betreft legt een flinke dosis parate kennis me geen windeieren. Hoe meer ik leer des te gemakkelijker het gaat. Steeds meer natuurvondsten weet ik aan de hand van parate kennis te bepalen en van naam te voorzien.
Maar, hoe tevredenstellend het ook is om een vondst in een handomdraai te determineren, de echte lol zit hem in de vondsten waarbij dit niet direct lukt. Daar word je wijzer van. Hoe langer de zoektocht des te meer je leert. Zo ook bij een raadselachtige vondst die meer dan twee jaar mijn gemoederen bezig hield.
Queeste
Ruim twee jaar geleden vond ik tussen de Westerschelde schelpen een vreemd uitziend object. Naar mijn inzicht een fossiel. Het stuk wekte de indruk ooit organisch te zijn geweest en was geheel versteend, gefosforiseerd om preciezer te zijn. Typische kenmerken van een fossiel. Ik schatte een spons of koraal, daar had het namelijk het meest van weg, maar herkende het niet. Ik besloot tot nader onderzoek.
Weken lang heb ik in diverse bronnen gegrasduind, naar overeenkomende sponsen of koralen, maar zonder enig resultaat. Ook bij bryozoa, holtedieren en kalkalgen, wat ook had gekund, vond ik niets. Zelfs een bezoek aan Naturalis bleek tevergeefs. Het spoor bijster, maar zeker niet verslagen, besloot ik de zaak te laten rusten tot zich nieuwe aanknopingspunten zouden aandienen.
Aanknopingspunt
Enige maanden later trof ik tussen dezelfde Westerschelde schelpen een nogal fors slotfragment van een schelp. Met wat parate kennis wist ik het te determineren als Pycnodonte callifera. Een grote en dikschalige oester die in ons land bekend is uit het Oligoceen en waarvan voornamelijk de bruin verkleurde slotfragmenten worden aangetroffen. Bij een grondige schouw, viel mij op dat de sponsachtige structuur overeen kwam met de structuur die ook zichtbaar was op het raadselachtige fossiel.
Ik legde de stukken ter vergelijk naast elkaar, raadpleegde wat literatuur en concludeerde dat het onbekende fossiel in ieder geval deels een Pycnodonte callifera betrof. De voor Pycnodonte kenmerkende calcitische lamellen die onderling verbonden zijn door een harde sponsachtige structuur lieten daar geen twijfel over bestaan. Maar wat was het andere deel? Met dit nieuw aanknopingspunt hervatte ik mijn zoektocht.
Tweede exemplaar
Ten tweeden male doorzocht ik alle mij ter beschikking staande bronnen op zoek naar een gelijkend organisme. Aanvankelijk zonder succes, maar nadat ik via de zoekmachine de ondergetoonde afbeelding vond en kort daarop een tweede exemplaar van een dergelijk fossiel werd mij langzaam maar zeker duidelijk waarmee van doen te hebben.
Op de naar mijn smaak prachtige afbeelding staan naast wat schelpen ook enkele met mijn vondsten overeenkomende organismen. Vooral met mijn tweede vondst tonen zij veel gelijkenis. Helaas werd er op de afbeelding geen naam van het beest vermeld. Verder zoeken dus.
Daar ik wist waarnaar te zoeken, kwam ik met dank aan Google al snel meer overeenkomende afbeeldingen tegen. De meeste ongedetermineerd, maar uiteindelijk ook een aantal met naam en toenaam. Het bleek te gaan om de Martesia rugosa een boormossels met een voorkeur voor de schelpen van Pycnodonte callifera.
Nu duidelijk was met welke pappenheimers ik van doen had, hoefde ik alleen nog maar de beide namen te verenigen in een zoekopdracht om er achter te komen dat er al diverse publicaties bestaan waarin dit fossiel besproken wordt.
Voor uitgebreide informatie verwijs ik u graag naar een van die publicaties, maar samengevat komt het hier op neer: de ‘vermoedelijk’ tijdens het Mioceen levende Martesia rugosa verkoos graag de toen al fossielen schelpen van de Pycnodonte callifera als substraat om in te boren. De boorgangen vulde zich na verloop van tijd op met sediment en fossiliseerde vervolgens verder. Met als resultaat het Miocene ichnofossiel (sporenfossiel) van de boormossel in een fossiele oester uit het Oligoceen. Gaaf toch?!
Scientia magnifica est!












