Samenvatting : De Kleine Prins
Toen de piloot 6 jaar was tekende hij een plaatje van een slang die een olifant op had gegeten. De grote mensen zagen er alleen een hoed in, en geen slang. Toen tekende hij de slang âdoorzichtigâ. Toen begrepen ze hem wel. De grote mensen zeiden: âGa toch iets nuttigs doen, rekenen en taal bijvoorbeeld. Maar hij wilde schilder worden. Uiteindelijk is hij toch piloot geworden.
De piloot kreeg problemen met zân vliegtuig in de woestijn. Hij hoorde een stem die zei: Â teken een schaap voor mij. De piloot wist niet zo hoed hoe, want hij kon alleen slangen en olifanten tekenen. Uiteindelijk tekent hij een doos met gaten erin. Daarin zit het schaap.
De piloot komt erachter wie de kleine prins is. Dit duurt even omdat de kleine prins alleen vragen stelt en nooit antwoord geeft. Hij komt erachter dat de kleine prins van een andere planeet komt. Deze planeet heeft geen naam maar een nummer: B612. Grote mensen willen alles een nummer geven. Als grote mensen een mooi huis zien, vragen de mensen naar de prijs, niet of er leuke bloemen in de tuin staan. De piloot begint beetje bij beetje alles te begrijpen.
De kleine prins vertelt dat hij elke avond de zon onder ziet gaan. Op een avond zag hij de zon zelfs 43 keer onder gaan. Hij houdt van de zonsondergang als hij verdrietig is. Opeens vraagt de kleine prins aan de piloot: "Als een schaap struiken eet, eet hij dan ook bloemen?". "Ja natuurlijk eet een schaap bloemen." Dan vraagt de kleine prins weer of een schaap dan ook bloemen met doorns eet. En zo blijft de kleine prins telkens doorvragen.De piloot antwoord vermoeit van al het vragen dat doorns de gemene kant van de plant laten zien. Het schaap kan de doorns dus gerust eten.Â
De kleine prins kent een planeet waarop een man woont die Karmijn heet. Hij lijkt op een champignon. De kleine prins vertelt dat er op zân planeet een bloem groeit die nergens anders voorkomt en dat die bloem morgen wordt opgegeten door een schaap. De piloot zegt dat hij wel een muilkorf tekent voor het schaap en een pistool voor de bloem.Â
Later vertelt de kleine prins dat hij zich bezig houdt met het bezoeken van planeten. Op de eerste planeet komt hij een koning tegen. De koning is alleen op de planeet. Hij heerst dus over niemand. De kleine prins kan nergens zitten omdat de mantel van de koning de hele planeet bedekt. Opmerkelijk is, dat als de kleine prins iets aan de koning vraagt, hij hem
hetzelfde beveelt. Dan is er tenminste een onderdaan die naar hem luistert.
Op de tweede planeet komt hij een ijdeltuit tegen. De kleine prins vindt het maar een raar mannetje. Als de kleine prins weer weggaat, doekt de ijdeltuit zân hoed af en zegt gedag.
Op zân derde bezoek komt de kleine prins een zuiplap tegen. Hij heeft een kist met flessen sterke drank naast zich staan. De kleine prins vraagt waarom hij drinkt. Hij zegt dat dat is omdat hij dan vergeet. De kleine prins vraagt wat hij dan vergeet. Hij zegt: ik vergeet dat ik me schaam. âWaarvoor dan?â , vraagt de kleine prins. âIk schaam me voor het feit dat ik drinkâ zegt de zuiplap. De kleine prins vindt het maar een rare man.
Op de volgende planeet komt kleine prins een zakenman tegen. De zakenman heeft helemaal geen aandacht voor hem. Hij is sterren aan het tellen. Hij telt alle sterren die hij bezit. Hij schreeuwt als hij een vergissing heeft gemaakt met optellen. De kleine prins snapt niet goed wat er nu gebeurt, want de koning zei ook al dat alle sterren van hem waren.
De kleine prins heeft nog niemand gevonden die zân vriend wil zijn. Op de volgende planeet is een man die een lantaarn aansteekt als het nacht wordt. Dat doet hij erg vaak want de planeet is zo klein dat het elke minuut dag en nacht wordt. De kleine prins vraagt of hij dan nooit rust heeft. De lantaarnaansteker zegt dat hij gewoon zijn werk doet en niet kan stoppen
of rusten. Af en toe veegt hij ook nog de ruiten schoon met zân zakdoek. Hij vertelt dat hij het een verschrikkelijke baan vindt.
Op de zesde plannet woont een geograaf. Het is een oude man die achter zân bureau zit. De geograaf weet niet waar alles ligt op zân planeet. Hij vertelt dat hij dan ontdekkingsreizigers nodig heeft. De kleine prins vraagt of hij alles wat hij wel kent in kaart heeft gebracht. De geograaf vertelt dat alle bergen die hij ziet, heeft opgeschreven. De kleine prins vraagt dan
weer of ook deze bloem erop staat. De geograaf zegt dat alleen dingen die er voor altijd zijn in zân kaart staan. De bloem verwelkt na een tijdje weer, en staat dus niet op de kaart.
De zevende planeet is de Aarde. Op aarde wonen 1200 koningen, 7000 geografen, 900.000 zakenmannen en 7.5 miljoen ijdeltuiten en er leven in totaal 2 miljard grote mensen. De kleine prins vindt het dus maar een saaie planeet.
Op aarde komt hij een slang tegen. Hij vindt het maar een raar beest en vindt dat hij niet zoveel kan. De slang zegt dat hij de kleine prins op een dag wel kan helpen, als hij terug wil naar zân eigen planeet. De kleine prins gaat weer verder met het verkennen van de aarde. Hij komt bij een rozentuin waar 5000 rozen staan. Hij dacht dat de roos op zijn planeet uniek was, maar hier staan er veel en veel meer. Hij wordt er verdrietig van en vindt zichzelf een slechte prins van een planeet die niets voorstelt.
Even later komt hij een vos tegen. De vos zoekt lekkere kippen, de kleine prins zoekt vrienden. âJe bent pas vrienden als je uniek voor elkaar
bentâ, zegt de vos. Hij neemt afscheid van de vos. De vos zegt nog: âJe ziet slechts goed met je hart en het gaat in het leven om het innerlijkâ.
De kleine prins en de piloot zijn nu acht dagen in de woestijn. De piloot wil dat zân vliegtuig gemaakt wordt en wil water drinken. Hij wil hier zo snel mogelijk weg. De kleine prins wil ook water gaan zoeken. Hij vindt dat water in een grondwaterput. Hij wil het water uit de put halen, maar dat lukt niet omdat de emmer te zwaar is voor hem. De piloot helpt hem.
De piloot vindt het water beter smaken dan al het voedsel dat hij gegeten heeft. Het water heeft grote waarde voor hem. Het is nu een jaar geleden dat de kleine prins op aarde kwam. Hij vindt het jammer dat de piloot straks weer weg moet. De kleine prins zit op een muur van een oude ruĂŻne en praat met een slang. Hij is zân vertrek aan ât voorbereiden. Hij vraagt aan de slang of die er wel zeker van is dat hij niet lang zal lijden. Nu de piloot dat hoort wordt hij bang en verdrietig.
Hij weet niet wat er gaat gebeuren. De piloot vindt het niet leuk dat de kleine prins weer weg gaat. Hij was erg gehecht aan hem. Ze zijn in die acht dagen goed bevriend geworden. De piloot gaat het aanspreken met: klein, leuk en aardig mannetje. De piloot zegt dat hij altijd aan de kleine prins zal denken. De kleine prins kalmeert hem door te zeggen dat hij niet dood gaat, dat het er alleen maar op lijkt. Het zal zijn als de schors van een boom die overblijft. Hij reist verder met zân ziel. Hij kan zân lichaam niet meenemen naar de andere planeet, dat is te zwaar.
De piloot heeft het bovenstaande verhaal alweer 6 jaar geleden beleefd met de kleine prins. Hij vindt het erg leuk om naar de sterren te kijken, omdat hij dan aan de kleine prins denkt. Hij hoopt dat het schaap de bloem niet heeft opgegeten. Volwassenen snappen niet dat hij dat belangrijk vindt, maar hij vindt dat er dan iets belangrijks uit het heelal zal vergaanâŚ