Mijn kapper, die grappige, eigenaardige man wiens schaar sneller knipt dan mijn gedachten soms kunnen volgen. Elke keer als ik die kleine salon binnenstap – een plek die je gerust kunt omschrijven als de grens tussen kunst en een kippenhok – word ik begroet door wat alleen maar kan worden omschreven als een speciaal manneken. Je kent het soort wel, zo eentje dat eigenlijk gewoon in de dierenwereld thuis hoort. Een beetje zoals een hamster: klein, alert, en altijd bezig met iets te knabbelen, of in dit geval, met het knippen van mijn oh-zo-wildgroeiende kapsel.
Hij staat daar, met zijn sluwe vosachtige glimlach, als een meesterstrateeg die mijn haren ziet als een veldslag die gewonnen moet worden. ‘Ah, daar is mijn grappige schrijver weer,’ zegt hij altijd, terwijl hij zijn handen laat klappen zoals een kraai die net een glinsterend stuk kaas heeft ontdekt. Het klinkt dan alsof ik het hoogtepunt van zijn dag ben, al weet ik dat hij diezelfde zin waarschijnlijk al honderd keer heeft uitgesproken tegen klanten voor mij. Maar ach, ik geef hem het voordeel van de twijfel. Zoals een schaap dat braaf zijn wol afstaat, stel ik mezelf maar weer over aan zijn vaardige handen.
Nu moet je weten, mijn kapper is niet zomaar een kapper. Nee, hij heeft een bijna filosofische kijk op het knippen van haar. Hij beweert dat elke lok, elke snede, een weerspiegeling is van je innerlijke zelf. Laat dat even bezinken. Dus, als ik daar zit met mijn verwilderde haardos – zoiets wat eerder doet denken aan een poezengevecht in een boom dan aan een doordachte coupe – probeer ik zijn blik te volgen terwijl hij mijn schedel kritisch inspecteert. Een blik die de sereniteit heeft van een vis die door een aquarium zweeft, alsof hij zich afvraagt hoe hij de esthetiek van mijn hoofd kan verheffen tot iets meer dan een pluizige eend in een storm.
‘Weet je,’ zegt hij, terwijl hij met zijn schaar knipt en fladdert alsof hij een dirigent is van een onzichtbaar orkest, ‘mensen zijn eigenlijk niet anders dan schapen. Je ziet er soms eentje die denkt dat hij een wolf is, maar als het erop aankomt, lopen we allemaal gewoon achter elkaar aan, op zoek naar die perfecte scheerbeurt.’
Ik lach, want hoe kan je niet lachen als iemand je zo secuur met een schaap vergelijkt? ‘Maar ik, mijn vriend,’ antwoord ik, terwijl ik me probeer te verzetten tegen de neiging om een kwaaie eend na te doen, ‘ik ben misschien eerder een vos die het schaap probeert te misleiden. Mijn haar is het bewijs.’
Hij schiet in de lach, een soort rare, krassende kraaienlach, alsof hij het geheim van het universum heeft ontcijferd en ik, in mijn eenvoud, zijn meesterwerk niet volledig kan bevatten. Maar ik laat hem, want hij heeft de schaar en ik heb de hoop dat mijn haar niet eindigt als het verwarde nest van een wilde eend.
En dan, als de laatste lokken op de grond vallen, kijk ik in de spiegel. Een meesterwerk? Niet helemaal. Misschien eerder een geslaagde poging om mijn dierlijke uiterlijk te temmen. Mijn haren zijn korter, mijn hoofd lichter, en ik voel me als een vis die net uit een te krappe kom is ontsnapt.
‘Zie je?’ zegt hij, trots als een kraai die de felbegeerde kaas heeft gewonnen. ‘Ik zei het je toch. Je innerlijke vos is weer zichtbaar.’
Ik knik, lachend en misschien ook een beetje opgelucht. Als ik mijn jas aandoe en afscheid neem, denk ik: er zijn maar weinig mensen zoals mijn kapper, die in staat zijn om zo'n dierentuin van gedachten te creëren terwijl ze gewoon je haar knippen. Maar eerlijk is eerlijk, ik kom toch altijd weer terug. Want wie wil er nu geen knipbeurt vol levenswijsheden, humor en een beetje chaos?
En zo stap ik, een vos in schaapskleren, met frisse coupe en een hart vol vrolijke zelfspot, weer de wereld in.