Waarvoor zijn dichters eigenlijk?
Ik besloot om een hoofdstuk uit een vertaling naar het Engels van Heidegger's Poëzie, Taal, Denken terug te vertalen naar het Nederlands. Niet alleen leent de Engelse taal zich om simpel te denken, ook wist ik daardoor zeker dat ik sterk zou afwijken van al bestaande vertalingen naar het Nederlands van hetzelfde hoofdstuk – gesteld dat die bestaan. Het hoofdstuk heet 'Waarvoor zijn dichters?' en vormt een stuk tekst dat mij en anderen heeft beïnvloed qua denken.
Omdat Heidegger niet te begrijpen valt voor normale mensen (laat staan 40-90 jaar na dato) vind ik het een schande dat er links en rechts zo met hem gezeuld wordt. Er zijn maar enkele dingen belangrijk aan wat Heidegger heeft gepresteerd en ze staan allemaal in dit hoofdstuk. Ik zou zelfs zover willen gaan dat de filosofie in het algemeen maar enkele dingen van belang heeft gepresteerd, en die staan ook allemaal in dit hoofdstuk. Vergeet dus de rest van al het ellendig gezever met taal, en de verschrikkelijke verstrikkingen waar iedereen die zich aan filosofie waagt (en ook die dat niet doen) in verzeild raakt. Het enige wat ik heb opgepikt dat blijvend van waarde is gebleken, staat in dit hoofdstuk. Na dit hoofdstuk over filosofie dus geen woord meer over filosofie. Ik ben geen filosoof, zal dat ook niet worden, en al zeker niet iemand die zich over de waarde van filosoferen bekommert. Ik zie het – zoals het wordt beoefent - als een kunstmatig te waarderen taaloefening die nergens anders toe leidt dan het respecteren en dus afstellen van het oplossen van vraagstukken. Daarbij is niemand gebaat.
De vertaling is tevens een aanval op alle concepten die fantasie zijn, die ons zijn verteld als waarheid maar die bedoeld zijn om een grotere waarheid voor ons weg te houden. Deze grotere waarheid heeft iets met het ware zelf en met de ware wereld te maken: er is geen waar zelf, ook geen ware wereld, en al helemaal geen waar zelf in een ware wereld. Deze stelling kan verduidelijkt worden met een voorbeeld van het gebruik van taal tussen mensen uit verschillende delen van de wereld. Toen ik voor twee jaar in de VS studeerde,, hoorde ik een studiegenoot vaak zeggen dat hij zijn fiets naar school had gereden. Even stond ik hem aan te kijken. Ik zou altijd 'met' of 'op' de fiets naar school zijn gereden, ik had altijd een voorzetsel nodig in deze zin. Was dat in alle Europese talen zo? Nee, want in Engeland zeggen ze het ook. Maar in Nederland ('Ik ben met/op de fiets naar school gereden'), Frankrijk ('Je suis allé a l'école à vélo'), Spanje ('Yo he ido en bicicleta a la escuela'), Italie (Io sono andato in bici a scuola') en Duitsland ('Ich bin mit dem Fahrrad zur Schule gefahren') gebruikt je beter ook een voorzetsel. Hoe zit dat dan, en waarom is dat belangrijk om te verklaren hoe het zelf zich niet in wereld bevindt, maar dat de wereld in de eerste plaats via taal 'wereldt'?
Via het voorzetsel wordt duidelijk dat de fiets als voorwerp wordt gebruikt om een 'ik' te transporteren. Als geen voorzetsel wordt gebruikt ligt de nadruk minder op het transport van een 'ik' en meer op de handeling zelf. De toehoorder moet dan zelf maar concluderen dat de 'ik' inderdaad is getransporteerd. 'Ik heb mijn fiets naar school gereden' neemt daarnaast aandacht weg van de handeling 'fietsen' en plaatst deze aandacht bij de fiets zelf. Komt het dan simpelweg neer op een verschil in aandacht (ofwel het handelende zelf, ofwel de verplaatste fiets)? Ja, want het verschil ligt in het gebruik van 'zijn' en 'hebben': de eerste zin' geeft aan dat men tijdens het fietsen de hele tijd aanwezig was, terwijl er in de tweede zin (voor continentale Europeanen dan) een vacuüm aan ervaring ontstaat: maar wat was je dan (wat zat je dan te doen, was je er wel), toen je die fiets naar school reed? Er ontstaat een akelig soort vermoeden dat het zelf ook kan worden weggecijferd, als taalconventies dat zo bepalen. Amerikanen lijken hier hun voordeel mee te doen omdat ze minder moeite hebben het zelf -dat volgens Heidegger het beste als opening, zowel aan- als afwezig, kan worden begrepen - weg te cijferen. Maar uiteraard alleen in het heden. Continentaal-Europeanen hebben de mogelijkheid zich van deze opening in het heden bewust te maken en er in de herinnering en het vooruitschiet betekenis aan verlenen.
Dit maakt duidelijk dat waarheid alleen als voorheen-verscholen waarheid aangetroffen kan worden, en dus ook dat het moment van openbaring een onware moet zijn. Veel sterker dan de behoefte aan waarheid is daardoor volgens Heidegger de behoefte aan zorg – onder meer de zorg dat we de waarheid niet kennen. Zorg uit zich in handelen, daardoor is al het normatief handelen eerder aan gezonde moraal toe te kennen dan aan puurheden als waarheid of schoonheid. Reacties op deze vertaling,, bijvoorbeeld, zullen eerder van kritische aard zijn dan van kunstzinnige aard. Kritiek dreunt harder door, heeft meer betekenis.
Sommige critici zullen zich bijvoorbeeld afvragen hoe het komt dat ik net doe alsof ik Heidegger's werk op een juiste manier interpreteer terwijl ik toch net gezegd heb dat dat onmogelijk is. Toch is de vertaling niet op die manier bedoeld, het gebeurt niet met opzet. Het is veel eerder als inzet van mijn levenstijd te zien, het wedden daarop dat Heidegger als laatste een vleugje van de alledaagsheid heeft weten te beschrijven, haar een spiegel heeft kunnen voorhouden. Voor mij wordt dat bijvoorbeeld duidelijk op pagina 437 van Zijn en Tijd, waarop hij de alledaagse spreuk 'de tijd vergaat' hetzelfde laat betekenen als 'de tijd ontstaat'. Daarmee wordt de idee van tijd als oneindig voor de mens, omdat zij niemand en allen toebehoort, tastbaarder. Omdat zij altijd maar voortgaat, en het moment bij haar benoeming als moment, al toekomst in zich gedragen blijkt te hebben, weet de alledaagsheid van deze voor-lopende voortgang (ontslotenheid) net zo min, als dat het in-de-wereld-zijn het eigen uit-de-wereld-zijn kan kennen. Door haar uittreden uit deze voortgang via het benoemen van deze voortgang ('de tijd vergaat') be-grijpt een mens (Dasein) toch een vleugje van het verschuilen van de ware tijdelijkheid achter het 'zelf', zichzelf. Het lijkt meer te gaan om dit verstoppertje spelen zelf dan om zich van deze tijdelijkheid bewust te worden. Dat wil zeggen, het gaat meer om een vermoeden van een tijdelijk zijn achter zichzelf dat dit zelf listig naar de uitgang – de dood, de ultieme opening - begeleidt, dan om een ultiem antwoord op de vraag wat tijd is.
Uiteindelijk voert mij dat terug tot het zijn bij de geschriften als de beoefening van rituelen, als tegenhanger van de gerichtheid op continue behoefte-vervulling – de zinloze handeling die in de tijd dat de mens op aarde is altijd centraal heeft gestaan, de opgave tot overgave.
_________________________________________________________
Waarvoor zijn dichters? (beginstuk alleen)
UIt: Poezie, Taal, Denken (1971)
"...en waar zijn dichters voor in een tijd van pure armoede?"vraagt Hoelderlin's jankgedicht 'Brood en Wijn'."
We kunnen deze vraag vandaag niet begrijpen. Hoe moeten we dan het antwoord begrijpen dat Hoelderlin geeft?
“...en waar zijn dichters voor in een tijd van pure armoede?” Het woord 'tijd' staat voor het tijdperk waar wij nog steeds toe behoren. Hoelderlin voelt dat met de opkomst en het offerdood van Christus het begin van een einde van het godentijdperk is ingeluid. De nacht valt. Sinds de drie-eenheid Heraklus-Dionysos-Christus de wereld hebben verlaten, is het tijdperk van de wereld van avond in nacht overgegaan. De nacht van de wereld spreidt haar duisternis. Het tijdperk kenmerkt zich door een god die faalt te arriveren, door het gebrek aan God. Maar het gebrek aan God dat Hoerderlin ervaarde, ontkent niet dat de christelijke relatie tot God voorleeft in individuen en in de kerken; nog minder beoordeelt het deze relatie als negatief. De mangel aan God betekent dat geen god nog mensen en dingen tot zichzelf brengt, zichtbaar en eenduidig, en daarbij de geschiedenis van de wereld en het oponthoud van de mens daarbinnen even doet vergeten. De mangel aan God duidt echter op iets nog grimmiger. Niet alleen zijn de goden en god gevlucht, maar het goddelijke licht over de geschiedenis van de wereld is verloren gegaan. De tijd van de nacht van de wereld is de straatarme tijd, omdat zij steeds straatarmer wordt. Het is al zo straatarm geworden dat het gebrek aan God niet langer als een gebrek wordt gezien.
Door dit gebrek bestaat er voor de wereld geen grond die haar aardt. Het woord afgrond – abyss, Abgrund – betekent oorspronkelijk de aarde en de grond tot welke zich een ding, omdat het het onderste is, in neerwaartse beweging richt. Maar in wat volgt zullen we het af- als de complete afwezigheid van grond denken. De grond is de aarde waarin we wortel schieten en staan. Het tijdperk waarin de grond faalt te komen, hangt in de afgrond. Gesteld dat het tij nog te keren valt voor deze straatarme tijden, kan de grond alleen komen door een fundamentele omslag van de wereld – en dat betekent duidelijk: als het zich van de afgrond afkeert. In het tijdperk van de nacht van de wereld moet de afgrond van de wereld ervaren en doorstaan worden. Maar daarvoor is het nodig dat er mensen zijn die in de afgrond reiken.
De omkering van het tijdperk zal niet gebeuren via een soort nieuwe god, of via een vernieuwing van de oude, die op zeker ogenblik vanuit zijn schuilplaats de wereld binnenvalt. Waar zou hij naartoe gaan als mensen niet een plaats voor hem hadden gereserveerd? Hoe kan er ooit een geschikte plaats zijn voor een god als er niet eerst een goddelijk licht in alles wat is begint te schijnen?
De goden die “eens hier waren,” zullen alleen “op het juiste moment terugkeren” – als er een omkering heeft plaatsgevonden, op de juiste plaats en de juiste manier. Om deze reden schrijft Hoelderlin in de onafgemaakte hymne “Mnemosyne” (IV: 225), korte tijd na het jankgedicht 'Brood en Wijn':
Kunnen ook niet alles. Het zijn de stervelingen
Die eerder in de afgrond springen. Dus het ligt
De tijd, maar het ware komt in
Lang is de straatarme tijd van de nacht van de wereld. Om te beginnen is er lang nodig om tot de helft te raken. Op middernacht van deze nacht is de armoede het grootst. Dan kan de armoedige tijd niet langer in staat zijn haar eigen armoede te ervaren. Deze onmogelijkheid, door welke zelfs de armoede van de armoedige staat wordt verduisterd, is het absoluut armoedige karakter van deze tijd. De armoede is volledig verduisterd omdat zij alleen nog voorkomt als de behoefte die vervuld wil worden. Toch moeten we denken aan de nacht van de wereld als een lotsbestemming die aan deze kant van pessimisme en optimisme plaatsheeft. Misschien nadert de nacht van de wereld nu middernacht. Misschien wordt de tijd van de wereld nu de compleet armoedige tijd. Maar misschien ook niet, nog niet, nog niet eens, ondanks de onmetelijke nood, ondanks al het lijden, ondanks het naamloze verdriet, ondanks de groeiende en zich versrpeidende vredeloosheid, ondanks de zich opstapelende verwarring. Lang is de tijd omdat zelfs angst, die zichzelf vaak als basis voor omslag ziet, staat machteloos als er geen omslag met stervelingen plaatsheeft. Maar er is een omslag met stervelingen als zij de weg naar hun eigen natuur vinden. Die natuur ligt daarin dat stervelingen eerder naar de afgrond reiken dan de hemelse krachten. Stervelingen, als we aan hun natuur denken, staan dichter bij de afwezigheid omdat zij geraakt worden door aanwezigheid, de eeuwenoude naam van Zijn. Maar omdat aanwezigheid zichzelf op hetzelfde moment verbergt, is het zelf al afwezigheid. Dus blijft de afgrond bestaan en bakent alles opnieuw af. In zijn hymne “De Titanen” zegt Hoelderlin over de 'afgrond' dat het 'alziend' is. Degene tussen de stervelingen die eerder dan andere stervelingen en op een andere manier dan hen in de afgrond moet reiken, leert de bakens kennen die de afgrond afbakent. Voor de poeet zijn dit de sporen van de voortvluchtige goden. In Hoelderlins ervaring breng Dionysos de wijngod zijn spoor terug tot het goddeloze temidden van de donkerte an hun nacht van de wereld. Want in de wijn en in zijn fruit beschermt de wijngod het elkaar tegenoverstaan van aarde en lucht als de plaats waar de bruiloftsviering van mens en god zich voordoet. Alleen als deze plaats binnen bereik is, waar dan ook, kunnen sporen van de voortvluchtige goden nog achterblijven voor godenloze mensen.
...en waarvoor zijn dichters in een tijd van pure armoede?
Hoelderlin legt verlegen het antwoord in de mond van zijn dichtervriend Heinse, tot wie hij spreekt in dit jankgedicht:
'Maar ze zijn, zoals je zegt, zoals de wijngod's heilige priesters, die van land tot land reisden in heilige nacht.'
Dichters zijn de stervelingen die de sporen van de voortvluchtige goden voelen, op de rails van de goden blijven, en zo voor hun geliefde stervelingen de weg naar de omslag opsporen. Maar de ether, waarin alleen de goden goden zijn, is hun godhoofd. Het element van deze ether, dat binnen zichzelf zelfs het godhoofd nog steeds present is, is het heilige. Het element van de ether dat ervoor zorgt dat de voortvluchtige goden komen, het heilige, is het spoor van de voortvluchtige goden. Maar wie heeft de kracht om een dergelijk spoor op te sporen? Sporen zijn van onopvallend en zijn altijd het resultaat van een richting die niet erg goddelijk was. Een dicther zijn betekent: de sporen van de voortvluchtige goden bij te wonen en te bezingen. Daarom uit de dicther, in de tijd van de nacht van de wereld, het heilige. Daarom is de nacht van de wereld de heilige nacht, volgens Hoelderlin.
Een noodzakelijk onderdeel van de dichter moet zijn, voordat hij echt dichter wordt in een dergelijk tijdperk, dat de armoede van de tijd het hele zijn en de hele roeping van de dichter een poetische vraag wordt voor hemzelf. Daarom moet “dichter in een armoedige tijd” in poezie vooral de natuur van poezie verzamelen. Waar dat gebeurt mogen we het bestaan van dichters veronderstellen als op weg naar het lot van het tijdperk van de wereld. Wij anderen moeten leren te luisteren naar wat deze dichters zeggen – aangenomen dat we, met het oog op de tijd die Zijn schuilhoudt omdat ze het beschermt, onszelf niet voor de gek houden door tijd slechts in termen van datgene wat bestaat te zien door het bestaande uiteen te splitsen.
Hoe dichter de nacht van de wereld middernacht nadert, hoe uitsluitender het armoedige zich zal doorzetten, op een manier dat het haar eigen natuur en aanwezigheid onttrekt. Niet alleen gaat het heilige verloren als het spoor naar het godhoofd; zelfs de sporen die naar dat verloren gegane spoor leiden worden nagenoeg weggevaagd. Hoe meer de sporen worden verduisterd, hoe minder een enkele sterveling die in de afgrond reikt de toefluisteringen en tekens bijwonen. Het wordt dan nog duidelijker dat iedereen het verst komt door alleen zover te gaan als de weg wijst die voor hem ligt. Het derde rijm van hetzelfde jankgedicht, dat de vraag stelt – “Waar zijn dichters voor in een armoedige tijd?” – drukt de wet uit die heerst over dichters:
Een ding staat vast: of het nu tegen de middag loopt
Of tegen middernacht, een bepaling houdt altijd stand,
Een ieder bekend; maar aan ieder is ook zijn eigen toebedeeld
Elk van ons gaat naar en be-reikt de plaats die hij kan.
In deze brief aan Boehlendorf van 2 december 1802 schrijft Hoelderlin:
“...en het filosofische licht rond mijn raam is nu mijn vreugde; dat ik zo door mag gaan als ik tot nu toe heb gedaan!”
De dichter dingt zijn weg naar de binnenplaats die bekend staat als verlichting van Zijn, welke zijn karakteristieke vorm heeft bereikt als de Westerse metafysica in haar zelf-volmaaktheid. Hoelderlin's denkende poezie heeft een aandeel gehad in het geven van deze vorm aan deze dimensie van poetisch denken. Zijn creatie verblijft zo intiem op deze binnenplaats als geen andere poetische creatie van zijn tijd. De binnenplaats waar Hoelderlin bij kwam is een structuur van Zijn, een structuur die zelf het lot van Zijn toebehoort en welke, vanwege dat lot, is bedoeld voor de dichter.
________________________________________________________
Even verderop staat Rainer Maria Rilke's ongetitelde gedicht naar het Engels vertaald. Terugvertaald naar onze tijd zou het zo kunnen klinken:
Zoals Natuur iedereen de onderneming
van zijn of haar getemperde vreugde geeft
en niemand meer beschermt dan een ander
zo geeft ook ons wezen ons de aard van
onze onderneming te kennen;
ook wij zijn niet bijzonder, iets onderneemt ons.
Toch zijn we meer dan plant of dier in staat
om mee te ondernemen, ons ook zelf te willen,
zo sterk zelfs soms, dat we uitdagender nog zijn
dan we hoeven (vaak uit eigenbelang).
Want daar waar we onbevangen zijn voelen we
ons juist veilig, juist daar, waar we zwaarte- en krachten
voelen die groter zijn; tenslotte zijn we onbevangen
het vrijst, en zullen we de Openheid van het
onbevangen Zijn altijd bevestigd willen zien.