Verdwenen buitenplaatsen in Hillegom
Buitenplaats Hof Lapinenburg, LeidschestraatÂ
Jocobus Craandijk schreef in 1882 een verslag van zijn wandeling door Nederland. Zijn bezoek aan Hillegom vermeld het volgende over Hof Lapinenburg: Â Â Â Â Â Â
De scheiding tusschen de landgoederen Veenenburg en Lapinenburg is aangewezen door een'  hollen weg tusschen twee hoog begroeide wallen. Tot Lapinenburg is inderdaad  de toegang door rasters afgesloten. Ook hier ontbreekt het hoog geboomte  niet, maar wij zien er toch veel hakhout en dennen. Misschien moeten de rasters  meer het wild er in, dan de wandelaars er uit houden. 't Moet hier een  wildrijke jagt zijn en van ouds waren de âlapinenâ, waaraan dit goed zijn'  naam ontleent, in den omtrek van Hillegom veel overvloediger, dan den geburen  lief was.
Groote schade bragten de konijnen aan akkers en  bosschen toe en in 1518 werd den meesterknapen van Holland gelast, hen  zooveel mogelijk uit te roeijen in het Hillegommerbosch, terwijl de boeren in  1608 - toen de plaag nog niet verminderd was - vergunning ontvingen, hen te  vangen en uit te delven, waar zij konden. Ook mogten de landlieden aan de  zijde hunner akkers den kant der slooten zoo steil maken, als zij wilden.  Maar regt ernst schijnt het toch met den wensch, om het schadelijk gedierte  te verdelgen, niet te zijn geweest.
In sommige tijden van het jaar moesten de honden met  een blok aan den hals worden voorzien of âgepootâ worden, en naar den kant  der wildernis moesten de slooten zoo zijn ingerigt, dat de konijnen er niet  verdronken, maar er van afstand tot afstand âoppereelkensâ konden vinden,  waardoor zij weĂȘr in het bosch konden ontkomen.
Onder de inkomsten van den Heer van Hillegom werden  in 1722 nog 60 koppel konijnen jaarlijks uit het Asseler duin en 40 uit het Jan van Sanensduin genoemd. Er waren er dus nog genoeg in  de buurt.
Naar het schijnt is de lust tot het edele weispel  hier nog niet verdwenen. Bij een achterhek van het schoone landgoed vinden  wij het jagershuis en de hondenstallen. Lange, deftige lanen voeren hier diep  in het digte bosch en ook aan de overzijde van den weg loopt een statige laan  tusschen het hooge hakhout. In weelderigen overvloed slingert zich de  kamperfoelie om de stammen in het bosch en haar ranken vormen als een priëel  over de paden in het akkermaalshout, die zonnige doorkijkjes geven tusschen  de gewelven van takken en bladeren.
Het heerenhuis is gesloopt, evenals het huis van het  voormalige, later aan Lapinenburg getrokken buiten Elsbroek. Wat er van over is, wordt door  arbeiders bewoond.
Deze kleine buitenplaats behoorde sinds 1642 tot de eigendommen van de familie Six.
de familie  van de Leidse lakenfebrikant B.F. Krantz ( 1840-1854) verblijft niet alleen in Leiden. Langs het Warmonderhek, waarvoor een abonnement van 12 gulden betaald wordt, trekt men naar het buiten Lapinenburg, onder Hillegom, tweeëneenhalf uur rijden van Leiden. Voor deze buitenplaats wordt een huur van 50 gulden per maand betaald.
In 1857 verschijnt de  naam van Caroline de Clercq, volgens registers geboren op hof Lapinenburg, Hillegom 13 maart 1857, en overleden in Leiden 1 december 1872. Dit is een familielid van de familie de Clercq die we kennen van de Olmenhorst die wonen in de Lisserbroek van de Haarlemmermeer en hier land kochten na de drooglegging van de Haarlemmermeer.
Buitenplaats Elsbroek, Leidschestraat
Jean Six (zoon van Charles Six en Alix de Lattre) trouwde in 1606 met Anna Wijmer te Vlissingen. De kinderen van Jean Six kregen een zeer goede opvoeding.
De oudste zoon Pieter Six studeerde filosofie en rechten. Zijn jongere broer Jan Six studeerde rechten.
Ter afsluiting van zijn opvoeding maakte Jan Six in 1641 een zogenoemde Grand Tour naat Italië. Na zijn terugkeer uit Italië kocht hij in 1642 de buitenplaats Elsbroek. Door koop werd hij later ook heer van Wimmenum en Vromade (bij Heilo).
In 1655 trouwde hij met Margaretha Tulp, dochter van de bekende en zeer invloedrijke dr. Nikolaas Tulp (1593-1674). Voor deze bruiloft werd door Joost van de Vondel speciaal een bruiloftsdicht geschreven, waarin hij benadrukte dat Anna Wijmer de bruid zelf had uitgekozen:
Hoe ze inhaeren tijt, bekommert voor den soon
Uuyt duyzend maegden een zoo zedig koos als schoon
Een zuivre Tulk, dit puik van allerhande bloemen
Toen 't oog op deze viel, die wij perle noemen
Buitenplaats Treslong
, De buitenplaats werd rond 1560 gebouwd door de adellijke familie Bloys van Treslong. In 1652 erft de familie Van Loon de buitenplaats. Daarna kwam het in handen van de familie Van den Ende.
In 1858 was de familie Tets van Goudriaan eigenaar. Zij lieten het huis uitbreiden en in neogotische stijl verbouwen. Het werd later onder meer verhuurd aan burgemeester De Kat en aan de gebroeders Ludwig, die een bloembollenbedrijf hadden.
De buitenplaats werd in 1939 door de gemeente Hillegom aangekocht. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het huis maar gedeeltelijk bewoond en het werd gebruikt als distributiekantoor voor distributiebonnen. Tijdens de oorlog werden er vele bomen gekapt om in de behoefte aan brandhout te voorzien.
In 1949 werd voor het huis nog een demonstratietuin aangelegd door de Stichting Hillegomse Bloembollenbeurs. In 1950 werd het monumentale pand afgebroken en in 1952 verrees op het terrein het gelijknamige beursgebouw van de Hillegomse Bloemenbeurs, dat tot 2005 bleef staan.
Buitenplaats Weeresteijn, Weeresteinstraat 108
Na het overlijden van Willem Maertensz. Ruchaver in 1651 werden zijn bezittingen aan de familie Van Loon (de kinderen van zijn zuster Anna) nagelaten, viel de hofstede aan de weduwe van Willem van Loon, Margaretha Bas, en kinderen uit twee huwelijken toe. Deze hofstede moet een zeer gesloten âweerbaarâ karakter hebben gehad.
Margaretha Bas kreeg op hoge leeftijd in ca. 1680 ook de hofstede Treslong via haar moeder. Ze kon er niet lang van genieten. Ze overleed in 1685 en liet Æ 12.000,00 na. In de Maartenskerk te Hillegom hangt nog het gebedsbord van haar, uit de tijd dat ze op de buitenplaats Weeresteijn heeft gewoond.
Tot het overlijden van haar zoon Frederik Willem van Loon in 1708 was hij eigenaar van beide buitenplaatsen.
In 1721 werd Weeresteijn blind verloot aan Willem van Loon, zoon van wijlen de broer van Frederik Willem van Loon.
De villa Weerestein, werd in 1878 gebouwd door Hendrik Hermanus van Waveren, op een kavel die aan de noordzijde grensde aan de kavel waarop Villa Nova stond, tegelijk met een koetshuis, stal en koetsierswoning. In 1937 huurde de gemeente Hillegom de villa als ambtswoning voor de toenmalige burgemeester Van Nispen tot Pannerden.
in 1951 aankoop van de villa door de gemeente, de villa werd in 1953 gesloopt. en een vervangende ambtswoning gebouwd.
Buitenplaats Horstendaal
Lucratieve zandwinning gaf de gebroeders Van Loon rond 1660 in het duinrijke Hillegom de gelegenheid om hun buitenplaats Oostende uit te breiden en het tegenovergelegen afgezande duin de overplaats Horstendaal aan te leggen.
Omstreeks 1700 werd door de familie Geelvink de buitenplaats Horstendaal gebouwd. De buitenplaats is verdwenen, de slootstructuur is nog herkenbaar en een stuk bouwland.
Van de buitenplaats Horstendaal, die tussen Bennebroek en Hillegom aan de westkant van de Heereweg lag, is het mogelijk een goed beeld te krijgen hoe deze er in 1735 uit moet hebben gezien.
Uit één van de detailplattegronden valt op te maken dat Horstendaal een monumentale entree bezat. Het voorplein was beplant met bomen en door een hek afgescheiden van de Heereweg. De weg was bij een toegangspoort in het hek ovaalvormig verbreed. Vanaf de toegang liep er een rechte as naar het herenhuis. Over het voorplein betrad men door een sierlijk hek op een brug over een sloot of vijver de bassecour, waaraan het herenhuis en de bijgebouwen lagen.
Horstendaal kwam omstreeks 1700 in bezit van mr. Lieven Geelvink, heer van Castricum, Loosdrecht en andere plaatsen, burgemeester van Amsterdam, gedeputeerde van de Raad van State, bewindhebber der Verenigde Oostindische Compagnie, en nog veel meer. Horstendaal werd omstreeks 1650 door de Geelvinks gesticht en bleef het tot het eind van de 18e eeuw in de familie.
Bij de beschrijving van de buitenplaatsen bleek al dat de oorspronkelijke boerderijfunctie ook in de 18e eeuw nog een belangrijke rol speelde. Op Horstendaal bijvoorbeeld was niet alleen opvallend veel grond in gebruik voor het telen van gewassen die gegeten konden worden of vrucht droegen, maar ook de bassecour voor het herenhuis werd geheel omringd door bedrijfsgebouwen als betrof het een grote herenboerderij. Bovendien stond er veel hakhout en werd er rond de eigenlijke tuin intensieve veeteelt en tuinbouw bedreven.
Daarnaast werd er naar alle waarschijnlijkheid duinzand afgegraven, verkocht en via de sloten en het Haarlemmermeer afgevoerd.
Wellicht werd reeds omstreeks 1650, ten tijde van de afronding van het eerste stuk van de Amsterdamse grachtengordel, ter plaatse van Horstendaal systematisch zand afgegraven voor de aanleg van die gordel, waarna de vooraanstaande Amsterdamse regentenfamilie Geelvink kans zag er een buitenplaats te stichten. Zo wordt het opvallende systeem van parallel lopende sloten, dat in verbinding stond met het Haarlemmermeer begrijpelijker.
De buitenplaatsen vormden een goede bron van inkomsten. Tot de opbrengsten zullen allerlei landbouwproducten van de landerijen om de tuin en het herenhuis hebben behoord. Ook producten uit die tuinen zelf, zoals de boomgaarden en moestuinen, lijken gedeeltelijk voor de handel bestemd te zijn geweest, want het is onwaarschijnlijk dat er zoveel nodig was voor het leven op het buiten zelf.
De afzandingen deden niet veel goeds voor het voortbestaan, Horstendaal was omstreeks 1800 verdwenen.
Buitenplaats Oosteinde
,Andere benaming: Oostende
De buitenplaats werd rond 1600 gebouwd door Maerten Willemsz. Ruychaver (1545â1626), buskruithandelaar en burgemeester van Haarlem.
De gebroeders Nicolaes en Lieve van Loon waren samen eigenaar van Oosteinde en tegenoverliggende duinen, toen in 1660 werd besloten tot de Tweede Uitleg van de Amsterdamse grachtengordel. Nicolaas had op dat moment zitting in de Vroedschap. Het was niet toevallig dat de broers tegelijk rond deze tijd besloten de zandduinen tegenover Oosteinde flink af te graven. Voor de zandafvoer verlegden en verbreedden ze de Oostendervaart en werden parallelle kanalen in de duinen gegraven. Voor de ophoging van de veengrond voor de aanleg van de aanzienlijke keurblokken tussen Singel en Prinsengracht waren zeer grote hoeveelheden zand nodig. Buitenplaats-uitleg door zandontginning was zo beschouwd âbig businessâ.
De zoon van Nicolaes, Adriaen van Loon (1631-1722) kreeg (mogelijk door vererving) de buitenplaats in bezit. Hij is getrouwd met Cornelia Hunthum (1634-1721) en beide zijn in 1681 geportretteerd met de buitenplaats op de achtergrond.
In 1735 had de buitenplaats zijn grootste omvang bereikt. Het buiten werd na het overlijden van Jan van Loon Wzn. verkocht in 1764 en aan het begin van de 19e eeuw moet het zijn afgebroken.
22 juni 2020
















