Tulip Fields at Sassenheim
Artist: Claude Monet (French, 1840–1926)
Date: 1886
Medium: Oil on canvas
Collection: The Clark Art Institute, Williamstown, MA, United States

seen from Italy
seen from United States

seen from United States

seen from Malaysia
seen from United States

seen from United States

seen from United States

seen from United States

seen from Italy
seen from Italy

seen from Malaysia
seen from United States
seen from Israel

seen from Malaysia
seen from United Kingdom

seen from Malaysia
seen from Italy

seen from Australia
seen from China
seen from United States
Tulip Fields at Sassenheim
Artist: Claude Monet (French, 1840–1926)
Date: 1886
Medium: Oil on canvas
Collection: The Clark Art Institute, Williamstown, MA, United States

Anya is live and ready to show you everything. Watch her strip, dance, and perform exclusive shows just for you. Interact in real-time and make your fantasies come true.
Free to watch • No registration required • HD streaming
Ontstaan zandsteenfabriek De Arnoud
In 1904 werd de Kunstzandsteenfabriek Arnoud opgericht. De duinen werden verder afgegraven ten behoeve van de zich uitbreidende bollenteelt. In deze fabriek werden stenen gemaakt voor bouw van woningen in de groeiende steden.
Het bedrijf ging later Van Herwaarden heten, maar hierover meer in een volgende aflevering van mijn blog.
De kalkzandsteenfabriek tussen Hillegom en Lisse, Arnoud, is wellicht de bekendste fabriek in de Bollenstreek. Het was een complex met een fabriek, arbeiderswoningen en een directiewoning gelegen aan het Elsbroekkanaal.
De ambitieuze Baron van Hardenbroek had grote plannen. Er was een nieuwe techniek om stenen te produceren. In 1881 werd in Berlijn patent verleend “op een werkwijze ter vervaardiging van kalkzandsteen door inwerking van hogedruk stoom op een mengsel van kalkhydraat en zand….”. Zand in overvloed, en kalk kon uit België aangevoerd worden.
Er moest nog wel een fabriek ontwikkeld worden. Men liet er geen gras over groeien: Op 24 sept. 1903 werd bij de kamer van Koophandel ingeschreven ‘Kunstzandsteenfabriek Arnoud’.
De fabriek komt bij het af te graven gebied tussen Hillegom en Lisse, dicht bij de Ringvaart. Het Veenenburg-Elsbroek kanaal wordt gegraven. Zand kon nu afgevoerd worden. In die tijd is praktisch alle transport over water. Transport met vrachtwagens kwam pas veel later. Dus materiaal voor de fabriek, kolen, kalk uit België, olie enz. werd aangevoerd met zeilschepen.
De productie van stenen begint in augustus 1904. De geproduceerde stenen werden ook per schip afgevoerd. We kunnen het ons bijna niet meer voorstellen, maar toen De Arnoud begon was er geen waterleidingnet of elektriciteitsnet. Voor de fabricage van de stenen was stoom nodig en dus was er een eigen stoommachine en werd een generator aangedreven die voor verlichting en kracht zorgde.
De productie van stenen was meteen een succes en kwam in 1904 al op 7 ½ miljoen uit.
Wat zal het een bedrijvigheid geweest zijn bij de afgravingen, in en om de fabriek en bij de fabriekshaven. Veel handwerk, dus inderdaad was het goed voor de werkgelegenheid. Bedenk dat de holle wegen waar ds. Craandijk over rept nu meters boven het niveau van de bollenvelden liggen (Loosterweg, Veenenburgerlaan).
We kunnen ons dan voorstellen hoeveel zand met het handje is afgegraven en afgevoerd. De graaf Van Lynden op Keukenhof bleef onvermurwbaar. Zijn goed wordt niet afgezand. Denkelijk was de sfeer tussen de beide adellijke heren er niet beter op geworden.
Baron van Hardenbroek kan in 1904 worde benoemd tot voorzitter van de harddraverijvereniging in Lisse, maar hij bedankt voor de eer. Hij schrijft: ‘dat hem gebleken is dat er in deze gemeente een partij bestaat zoo kortzichtig en ondankbaar betreffende algemene diensten verricht in het belang der inwoners dat ik mij niet geroepen voel in andere opzichten het publiek aangenaam te zijn’. Bovendien bedankt hij voor de vereniging.
De afgravingen De productie van stenen stijgt in 1914 naar 22 ½ miljoen. De afgravingen vorderen gestaag richting landgoed Veenenburg. De familie Van Hardenbroek laat zich uitschrijven uit Lisse. Het gezin vertrekt naar de nieuwgebouwde villa “Uyt den Bosch” aan de rand van de Haarlemmerhout (later werd dit de kraamkliniek).
De afgravingen hebben dan Veenenburg bereikt en de villa wordt gesloopt. De afgravingen gingen blijkbaar vanaf het fabrieksterrein in noordelijke en zuidelijke richting. Omstreeks 1927 is het hele bos- en duingebied tussen Hillegom en Lisse afgegraven en omgevormd tot bollenland. Bollengrond was nog steeds schaars en de kopers en pachters waren er als de kippen bij. In 1924 was aan de Loosterweg grond voor ƒ11.000 per ha verkocht en aan de Leidschestraat voor ƒ12.000 per ha.
Wat namen van bedrijven die er gronden gingen bewerken: Veldhuijzen van Zanten, Nieuwenhuis, Driehuizen, De Graaff. Niet alles werd verkocht als bollengrond. Aannemer Janssen kocht in 1927 voor ƒ3975,- een stuk grond in de punt van de Veenenburgerlaan en de Leidsestraat van ruim 13 are.
Tussen Lisse en Hillegom is de afgraving compleet. De fabriek gaat door met afgraven en witte stenen produceren, het zand komt nu van Noordwijkerhout. Dat had weer gevolgen voor het landschap, grotere vaarten moesten gegraven tussen afgravingsgebied en fabriek.
Vaarten en bruggen werden bekostigd door de fabriek. Namen (bijv. Veenenburgbrug, Baron van Hardenbroekbrug, Veenenburg- Elsbroekkanaal) verwijzen nog naar deze afgravingstijd. Twee brugnamen verwijzen naar vroegere bewoners van de Wildernisse, nl. de Rammelaars (mannetjeskonijn) brug en de Hippelaars (vrouwtjeskonijn) brug.
Het prachtige golvende, ruige landschap werd vlak gemaakt. “De streek hier is er niet mooier door geworden”, moet ook de heer Van Herwaarden in een interview bij het 75-jarige bestaan van het bedrijf toegeven.
Maar in de strijd om het bestaan boden de bloembollen een aantrekkelijk perspectief. De mensen van ‘Aernoud’ trokken er op uit om grote terreinen te egaliseren. Dat gebeurde grondig waarbij onder anderen de ,omzuigmethode’ werd toegepast. Van soms 5 a 6 meter diepte werd een mengsel van water en prima zand opgepompt. De gronden werden afgevoerd naar de fabriek in de Leidsestraat om als grondstof te dienen bij de fabricage van kalkzandsteen.
Sinds de negentiende eeuw zijn de meest landinwaarts gelegen duinen afgegraven. Het zand was nodig voor de stedenbouw in de randstad.
De steenfabriek vóór en in de oorlog
In zijn algemeenheid gold destijds dat Van Hardenbroek (de baron), mede vanwege de verdere technische ontwikkeling van het kalkzandsteencomplex, al ver vóór de oorlog nauwe banden onderhield met zijn collega’s in Duitsland.
Hij was daar ook meerdere keren op bezoek en er waren in Hillegom ook tegenbezoeken van Duitse kalkzandsteenspecialisten, met wie vooral veel werd gediscussieerd over de verbetering van bet productieproces. Van Hardenbroek was duidelijk onder de indruk van de Duitse ‘Gründlichkeit’ en slagvaardigheid en toen Nederland in de jaren dertig in de crisis werd ondergedompeld, ontstond bij de baron meer en meer een afkeer tegen het economische beleid in ons land en hij stak dat niet onder stoelen of banken.
Zo correspondeerde hij uitgebreid met zijn in Zeist wonende neef, jonkheer mr. Huydecoper, die zich ook graag afzette tegen ‘de ellendige staatsbemoeiing in het industriële bedrijf’. Zij schreven uitgebreid met elkaar over dit onderwerp. Een paar passages.
“De tijden zijn anders geworden ofwel veel slechter dan destijds mocht worden verwacht. Het was beginjaren twintig ondenkbaar dat het rood-roomsche regime, dat ons nationaal vermogen door verpolitiekheid opsoupeerde, zoo lang zoude aanhouden en zelfs thans nog niet van de baan is. (…)Ik zie in Den Haag veel achter de schermen en ik ben wel gedwongen van alle wetten kennis te nemen en veelal er tegen op te trekken. Mijn conclusie is dat Colijn wel goed wil, maar tegen de rest niet op kan. In een andere brief- gedateerd 3 april 1939- schreef hij: De rede van Romme heb ik ook aangehoord en mij geërgerd aan toon en stem en het zoo duidelijke gebazel voor de balie. Natuurlijk ben ik al lang bezig bij den Premier over mijn geval, doch de premier kan zeer weinig doen om zich niet zelf politiek helemaal onmogelijk te maken. Hij zit geheel onder (de plak van) zijn roomsche ministers. En wat deze willen?
Onder de clique van de Socialisten den volke duidelijk maken, dat men bij hen kan krijgen wat men bij de nazi’s krijgt. Inmiddels doen zij met het afvlakken naar het mindere alles beroerder dan de nazi ‘s, die – met al hun fouten – toch in elk geval het beste laten werken en de efficiency hoog houden” .
Als blijkt dat hij in de Tweede Wereldoorlog fout is geweest, wordt Arnoud graag en snel vergeten. Hij wordt berecht en veroordeeld en verdwijnt in de gevangenis. Zijn fabriek wordt hem ontnomen. De oprichter van de kalkzandsteenfabriek, baron Arnoud Hendrik van Hardenbroek van Ammerstol, was namelijk fout in de oorlog. Omdat hij in de oorlogsjaren stenen leverde aan de Duitsers, die daarmee natuurlijk geen vakantiehuisjes bouwden, werd hij na de bevrijding gearresteerd en vervolgd wegens hulp aan de vijand in oorlogstijd. In oktober 1946 diende zijn zaak voor het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam. Hij werd veroordeeld tot één jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.
Uit dat vonnis kan men concluderen dat hij niet werd beschouwd als een grote vis. Niettemin is zijn met de Duitsers sympathiserende houding geen reden om trots te zijn op deze Hillegommer. Merkwaardig is wel dat zijn zoon Gijsbert (1903), die ook in de directie van de fabriek zat, ongemoeid werd gelaten.
Alleen de sloot naast de steenfabriek draagt in de volksmond nog zijn naam: de Arnoudsloot.
En dan nog dit. Van Hardenbroek was weliswaar pro-Duits, maar toch ook wel zo zakelijk dat hij in de tijd van de mobilisatie in de omgeving van Noordwijkerhout land verhuurde waarop Nederlandse troepen hun oefeningen konden houden.
Baron Arnoud was geen vriend van de Britten, die rond 1900 de door de Boeren bewoonde Zuid Afrikaanse provincies Transvaal en Oranje Vrijstaat met de vele, grote goudvelden probeerden in te lijven. Hij stond aan de kant van de Boeren (landbouwers uit vele Europese landen waaronder Nederland), die voor hun vrijheid vochten.
Baron van Hardenbroek is in Haarlem gestorven op l juli 1947, dus ruim een halfjaar na zijn veroordeling. Verdriet was hem niet bespaard gebleven. Hij verloor zijn eerste vrouw, Cecilia Leembruggen, bij wie hij twee kinderen had. Hij hertrouwde met haar jongste zus die hem nog drie kinderen schonk. De oudste, Alfer Arnoud, kwam in februari 1945 in Duitsland om bij een bombardement. De jongste, Aleid Ingeborg, die in het Nederlandse verzet zat, stierf in april 1945 in een Duits concentratiekamp. (Hans Smulders/met dank aan Arie den Hoed)
25-7-2023
ONTWIKKELING VAN HET LANDSCHAP VAN DE DUIN- EN BOLLENSTREEK 1
Zandwinning in de Bollenstreek is in onze streek een belangrijk onderwerp. De Bollenstreek is een gebied dat in Nederland bekend staat om zijn prachtige bloemenvelden. De veroorzaker hiervan is echter de zandwinning.
Zandwinning is een proces waarbij zand en grind worden gewonnen uit de ondergrond. Het wordt gebruikt voor het maken van stenen, beton en asfalt. In de Bollenstreek is zandwinning al jarenlang een belangrijke bron van inkomsten in eerste instantie voor de landeigenaren en later voor de gemeenten. Er zijn verschillende zandwinningsbedrijven in de regio actief.
Het zandwinningproces heeft echter ook een negatieve invloed op de omgeving. De komst van de zandwinning heeft geleid tot een verminderde waterkwaliteit, verminderde biodiversiteit en een verminderde luchtkwaliteit. Ook is het de oorzaak van een toename van de hoeveelheid stof in de lucht.
Om de negatieve effecten van zandwinning te verminderen, is er door de overheid een aantal maatregelen genomen. Zo zijn er regels ingesteld voor het winnen van zand, zoals het beperken van de hoeveelheid zand dat per jaar gewonnen mag worden. Er is ook een maximale diepte ingesteld waarop de bedrijven mogen boren.
Om de omgeving te beschermen, is er ook een aantal natuurgebieden aangewezen waar zandwinning verboden is. Deze gebieden zijn belangrijk voor de natuur en het behoud van biodiversiteit.
Hoewel de overheid maatregelen heeft genomen om de negatieve effecten van zandwinning te verminderen, blijft het een belangrijk onderwerp in de Bollenstreek. Er zijn veel mensen die tegen zandwinning zijn, maar er zijn ook mensen die het zien als een noodzakelijk kwaad om de lokale economie te ondersteunen. Het is belangrijk dat er een evenwicht wordt gevonden tussen de behoeften van de lokale bevolking en het behoud van de natuur.
Het zanderijenlandschap van de Bollenstreek wordt gekenmerkt door een patroon van rechte zandsloten en wegen met lintbebouwing erlangs. Op veel plaatsen is het contrast tussen de on-afgegraven duinen en de lager gelegen bollenvelden nog goed te zien.
Voormalige duinwegen, zoals de Veenenburgerlaan en Loosterweg tussen Hillegom en Lisse, liggen enkele meters boven de bollenvelden. Als bescherming tegen de zeewind werden de bollenpercelen omzoomd met ligusterhagen en meidoornhagen. Tussen de bedden met bloembollen werden beukenhagen geplant.
Opvallende elementen van deze landschappen zijn nog in het landschap aanwezig, zoals het contrast tussen duinen en zanderijen, bloembollenvelden, lange zichtlijnen, een patroon van hooggelegen wegen en zandsloten, weteringen, de trekvaart tussen Leiden en Haarlem, lintbebouwing, buitenplaatsen, een ridderhofstad, watertorens, bollenschuren met een bijzondere architectuur, duinrellen, oude beken en beukenhagen.
Samen vormen deze elementen een karakteristiek landschap dat op veel plaatsen nog gaaf aanwezig is.
De Duin- en Bollenstreek is cultuurhistorisch bijzonder vanwege de verschillende landschappen: 1. De strandvlakten: oude stranden, tussen twee oude duinenrijen 2. De oude duinen of strandwallen: restanten van de duinen van vroegere kusten 3. De zanderijen: afgegraven oude duinen, meestal voor de bollenteelt 4. De nieuwe duinen of jonge duinen: de hoge duinen langs de kust 5. Het mondingsgebied van de Rijn 6. De plassen- en veenweidengebieden, die achter de oudste duinenrij liggen 7. De droogmakerijen, van delen van de Kagerplassen.
De ontwikkeling van deze landschappen gedurende duizenden jaren is zichtbaar in onderstaande principeschets: een dwarsdoorsnede van west naar oost van de Duin- en Bollenstreek. Tijdens de laatste ijstijd lag de Noordzee droog. Toen het klimaat warmer werd, smolt het ijs en liep de Noordzee vol. De kust en de duinen schoven daardoor steeds verder landinwaarts, tot uiteindelijk de lijn Sassenheim - Lisse - Hillegom. Die plaatsen liggen nu op de oudste kustduinen, van 3800 v.Chr. Achter de duinen was het water zoet en ontstonden moerassen. Daarin zonken dode planten en bouwden een dikke veenlaag op, met daarin meren, zoals de Kagerplassen (7). In die tijd brak ook de Rijn vanuit Utrecht door het veen en de duinen naar zee (5).
De Rijn en de Maas voerden zand aan, dat voor de kust uitgroeide tot grote strandvlakten (1). Op die stranden waaiden weer duinen op, als een nieuwe kust. Zo ontstonden steeds nieuwe strandvlakten met daarop duinen, tot de kust ongeveer op zijn huidige plek lag, in 1800 v.Chr. Deze duinen worden tegenwoordig de Oude Duinen of strandwallen genoemd (2). Ze waren niet hoog, slechts enkele meters. Het grootste deel van de Bollenstreek bestaat daardoor uit lange duinenrijen van zuid naar noord, met daartussen strandvlakten.
Achter iedere nieuwe duinenrij werd het water in de oude strandvlakte zoet en ook daar werd in een moeras veen gevormd. Daarna gingen de duinen stuiven en legde een laag zand over het veen. Maar soms stroomde vanuit de Rijn het rivier- of zeewater de strandvlaktes in en legde daar een laag klei neer. De strandvlakten bestaan dus uit lagen veen, klei en zand. Vele eeuwen later, rond het jaar 1000, spoelden opeens grote hoeveelheden zand aan op het strand. Door de wind werd dit over de oude duinen geblazen, tot enorme zandmassa's van soms tientallen meters hoog. Dit worden de Nieuwe Duinen genoemd (4).
Op de Oude Duinen groeiden bomen die van droge voeten hielden, zoals eiken en beuken. Dit werd Holt (hout) genoemd, wat waarschijnlijk de oorsprong is van de naam Holland (Holtland). De duinen waren hoog, dus droog, met onvruchtbaar zand en waren daarom weinig geschikt voor landbouw. Ze werden door de adel gebruikt om in te jagen en er werden varkens geweid die de eikels aten. De lage delen van de oude duinen, waar het grondwater niet diep lag, waren nog wel bruikbaar en werden Geesten genoemd. In de vochtige strandvlakten groeiden lage moerasbomen, zoals wilgen en elzen. Dit werden wouden genoemd. De vochtige strandvlakten waterden via kreken naar de Rijn in het zuiden. Deze vruchtbare grond werd in cultuur gebracht door de kreken recht te graven tot wateringen, zodat het water sneller werd afgevoerd. Het droge zand van de oude duinen was geschikt voor lange wegen van noord naar zuid. Die ontstonden waar de grond het meest vlak was: op de grens van duinen en strandvlakten, één aan de oostzijde en één aan de westzijde.
25-4-2023
Charbon en Park Rusthoff
De eerste schriftelijke vermelding van ‘Rusthoff’ dateert van 1798. Jean Adam Charbon, een uit Zwitserland afkomstige, welgestelde koopman en fabrikant van textiel te Amsterdam werd toen als eigenaar genoemd. Het totale grondbezit besloeg destijds ongeveer 27 hectare met inbegrip van de gronden die een agrarische bestemming hadden. Het huis stond aan de Sassenheimse Hoofdstraat, ongeveer waar nu de hoofdingang van het park is. Er achter lag een park in landschappelijke stijl met vijver en boomgroepen en een bos tot aan de Rusthofflaan. Tegenover het huis lag aan de overzijde van de lees meerHoofdstraat een overplaats, waarvan de vijver langs de Charbonstraat een restant is. Nadat de achterkleinzoon van Jean Adam Charbon in 1916 was overleden, kocht de gemeente Sassenheim huis en park. Het huis werd in 1923 afgebroken. Het park werd met behoud van de hoofdelementen zoals vijver met eiland, tot openbaar wandelgebied omgevormd.
De buitenplaats met een park en aanpalende gronden werd in 1791 gekocht door Jean Adam Charbon. Een uit Zwitserland afkomstige koopman en fabrikant van textiel te Amsterdam. Het totale grondbezit besloeg destijds 27 hectare.
Achter het huis lag een park in landschappelijke stijl met vijver en boomgroepen en een bos tot aan de Rusthofflaan. Tegenover het huis lag aan de overzijde van de Hoofdstraat een overplaats, waarvan de vijver langs de Charbonlaan een restant is.
De firma Charbon was ook eigenaar van een plantage in Suriname:
Krappahoek of Crappahoek was een koffieplantage aan de Nickerie in het district Nickerie in Suriname. De plantage lag stroomafwaarts naast de plantage Hamptoncourt en stroomopwaarts naast de plantage Gloria. De naam van de plantage verwijst naar de boomsoort krappa.
De grond had een grootte van 1000 akkers en werd vanaf 1828 met koffie beplant. De eigenaar was de firma Charbon & Zn. uit Amsterdam die de grond hadden gekocht van Willem Carbin, de eigenaar van Margarethenburg. Jan Adam Charbon en zijn zoon Pieter Anthony bezaten ook de koffieplantage De Nieuwe Aanleg van 1500 akkers, tegenover Plaisance en Paradise. Bij de slavenemancipatie in 1863 kregen 50 slaven de vrijheid. In die tijd bezat de firma ook de plantage Hamburg aan de Beneden-Saramacca.
De volgende eigenaar was J.J. Hewitt uit Aberdeen. Op de plantage werden toen bananen en cacao verbouwd. Vanaf 1897 werd er ook weer koffie verbouwd. In 1904 behoorde Krappahoek, samen met Gloria en Margarethaburg tot de plantages met de grootste cacaoproductie van Suriname. Daarna sloeg de Krulloten-ziekte toe en daalde de productie sterk.
In 1909 kocht Adolf Frans C. Curiel, broer van Augustus Curiel, de plantage. Zijn andere bronnen van inkomsten waren de goudhandel en de handel in balata. In 1905 is de N.V. ter exploitatie van plantage Crappahoek of Cultuur Maatschappij Crappahoek de eigenaar en Curiel werd directeur. Vanaf 1913 werd hij weer de enige eigenaar. Hij ging toen ook rubber telen. In 1918 was Krappahoek nog een van de drie plantages in Nickerie waar cacao en/of koffie geproduceerd werd. In 1921 overstroomde de plantage. De herstelkosten waren zo hoog dat Curiel er over dacht de plantage te verlaten. Hij ging nog een aantal jaren door, maar in 1927 werd zijn faillissement afgekondigd.
Tot in 1932 werd de plantage te koop aangeboden. In 1935 en 1936 was de balata-industrieel F.O Lashley de eigenaar.
In 1871 verwierf de gemeente van de familie Charbon een stuk grond ter grootte van 1700 m2 om er het toenmalige gemeentehuis te bouwen op de plek waar nu de herenmodehuis Melman is gevestigd. Nadat in 1916 de achterkleinzoon van Jean Adam Charbon was overleden kocht de gemeente Sassenheim huis en park voor 140.000 gulden. Het huis werd in 1923 afgebroken en het park werd tot openbaar wandelgebied omgevormd.
Bewoners
- Jean Adam Charbon
- 1916 Jan Adam Charbon x Maria Adriana van der Vlies
1916 - gemeente Sassenheim
Park Rusthoff
Park Rusthoff is een prachtig dorpspark, ontstaan vanuit een laat 18de-eeuwse buitenplaats. Je kunt er een leuke rondwandeling maken en de eendjes voeren in de vijver. Een unieke plek midden in het dorp Sassenheim.
Van de oorspronkelijke 27 hectare grootte buitenplaats rest nog 6 hectare. Tussen 1830 en 1850 werd het park in landschapsstijl aangelegd door de beroemde landschapsarchitect J.D. Zocher jr. Een grote groep vrijwilligers zorgt nu voor het onderhoud van het park.
24 april 2021
A woman works in a house with her cat while workers are forced to work from home and demand payback for extra home office costs, in Sassenheim, Netherlands Credit: REUTERS/Eva Plevier

Anya is live and ready to show you everything. Watch her strip, dance, and perform exclusive shows just for you. Interact in real-time and make your fantasies come true.
Free to watch • No registration required • HD streaming
Kerken in de Duin- en Bollenstreek
De oorsprong van veel plaatsen in Nederland is af te leiden uit de aanwezige kerken. Vaak is de kerk het oudste nog bestaande gebouw in de plaats. Onderstaand een aantal kerken die iets vertellen over de Duin- en Bollenstreek.
Kerkwerve (Kiricwerve), Oegstgeest
Met de laatste naam wordt gedoeld op de kerk van Oegstgeest ter plaatse van het huidige Groene Kerkje. Dit is niet de eerste kerk die op deze plek staat. In 856 werd de kerk verwoest door de Noormannen.
Volgens de overlevering is Willibrord stichter van kerken in het Rijnland zoals Kerkwerve.
De naam Kerkwerve komen we in de elfde en twaalfde eeuw vaker tegen. Als de bisschop van Utrecht in 1063 de Echternachse kerken in Holland opsomt, spreekt hij ook over Kerkwerve, niet over Oegstgeest. De kerk van Kerkwerve werd de moederkerk van verschillende nieuwe stichtingen in het veengebied, dat vanaf circa 1000 ontgonnen werd: de Echternachse lijst noemt als 'dochters' van Kerkwerve Leimuiden, Rijnsaterwoude en Esselikerwoude (Woubrugge).
In de twaalfde eeuw treffen we zelfs verschillende personen aan die zich 'van Kerkwerve' noemen. Wie dat zijn, is niet bekend , maar er is veel voor te zeggen hen als geestelijken te beschouwen. Opvallend is namelijk dat de naam Kerkwerf, die ongetwijfeld van jonger datum is dan Oegstgeest, vooral in kerkelijke kringen gebruikt werd, want dat stond rond 1200 nog steeds als Kerkwerve bekend. Ook sloeg het niet op de parochie, die steevast als Kerkwerve werd aangeduid.
Het is veel waarschijnlijker dat de naam betrekking had op iets anders, dat we vanwege de eenzijdigheid van de bronnen niet eerder tegenkwamen, namelijk op de zogenaamde 'hof van Oegstgeest'.
Op een zeker moment werden twee ambachten Kerkwerve en Poelgeest afgesplitst. Warmond had een kapel die onder Kerkwerve viel, dus binnen die parochie de tienden hief. Mogelijk heeft Warmond dus ook bij het oudste Oegstgeest behoord.
In 1574 is de kerk verwoest tijdens het beleg van Leiden. De kerk is meermalen vernieuwd en herbouwd. Na de verwoesting tijdens het beleg van Leiden is rond 1600 alleen het schip van de kerk herbouwd; de behouden tufstenen toren en het kostershuis werden gerepareerd. In 1662-1663 is het resterende deel van de kerk herbouwd. Deze herbouw vond plaats op de funderingen en met gebruikmaking van resten van zijn voorganger. Zo ontstond de huidige, éénbeukige kruiskerk, gebaseerd op het 15de-eeuwse gotische model. De kerk is gemetseld in baksteen en tufsteen. De Romaanse tufstenen toren is in 1830 afgebroken. Bij de restauratie in 1956 werd op de plek van de toren een entreeportaal gebouwd. De kerk kreeg de naam ‘Groene Kerk’ doordat de kerkvoogd J. van den Berg in het laatste kwart van de 19de eeuw klimop liet aanbrengen. Tijdens de laatste restauratie is deze klimop verwijderd omdat de begroeiing het muurwerk aantastte.
De Dorpskerk, Sassenheim
In 1573 werd de kerk vernield, maar restauraties in de jaren 1970 brachten aan het licht dat men hier te maken had met een romaans tufstenen schip uit de 12e eeuw.
Onder de pleisterlaag kwam de typisch romaanse muur tevoorschijn: vijf spaarvelden gescheiden door lisenen met colonnetten. In elk spaarveld heeft een rondboogvenster gezeten en in het middelste spaarveld zat de ingang.
Bij het verhogen van het schip zullen de grotere ramen zijn aangebracht.
De toren is waarschijnlijk in het midden van de 13e eeuw toegevoegd. Deze is aan het einde van de 15e eeuw verhoogd, gerestaureerd in 1957.
In 1574, het jaar van Leidens Ontzet, werd deze kerk door de geuzen zwaar beschadigd, om in 1595 weer hersteld te worden.
In 1720 werd de kerk vergroot door een lagere aanbouw. De aanschaf van een uniek Goltfusz-orgel, uit 1658, vormde de bekroning van deze laatste restauratie (1971-1973).
Oude Jeroenskerk, Noordwijk
Kerkelijk vielen alle parochies in Holland onder de bisschop van Utrecht en die zal ook toestemming hebben moeten geven voor een parochie en inwijding van de kerk. Daarvoor was vooral van belang of de kerk voldoende inkomsten had om te pastoor te kunnen onderhouden. Ten noorden van de Rijn lagen de oudste parochies Noordwijk, Voorhout en Kerkwerve (Oegstgeest), die later eigendom waren de Abdij van Echternach. Deze kunnen zijn geschonken door de koning of door Willibrord, die bij zijn dood in 739 een groot deel van zijn bezittingen naliet aan dit klooster.
Omdat Noordwijk koningsgoed was, zal de kerk hier door de Frankische koning zijn gesticht en daarna geschonken aan het klooster of aan Willibrord. Bij de andere twee kerken is de stichter niet bekend. De Noormannengraven en daarna graaf Gerulf hadden deze kerken later in bezit genomen waarna Noordwijk (St. Jeroenkerk) en Voorhout (met een kapel in Sassenheim) door de graaf in 988 aan de Abdij van Egmond werden geschonken.
In 976 (volgens een ander handschrift in 955) verscheen Jeroen meerdere malen aan de boer Nothbodo met het bevel zijn gebeente op te graven en over te brengen naar de abdij van Egmond. Na zijn aanvankelijke weigering werden zijn paarden gestolen. Toen Jeroen daarna nogmaals verscheen vond Nothbodo zijn gestolen paarden terug en ook de plek waar Jeroen begraven lag.
Tussen de dood van Jeroen (in 856) en de schenking van de kerk van Noordwijk aan de abdij van Egmond (vóór 988) is op de plaats van de huidige Oude Jeroenskerk een houten kerk gebouwd. Vermoedelijk bouwde men aan het begin van de 12e eeuw als opvolger een tufstenen kerk, een beukig met waarschijnlijk een rechthoekig koor.
Aan het begin van de 13e eeuw werd een vrijstaande toren toegevoegd (2 geledingen, hoogte 13 m). Na 1303 voegde men nog 3 geledingen toe (21 meter). Toen kreeg de toren de huidige hoogte (inclusief spits 40 meter). In de bovenste geleding bevinden zich spitse driepasnissen.
In de 13e (of begin 14e) eeuw werd het schip met bakstenen bekleed en door verlenging verbonden met de toren. Kort na 1311 vond men in de kerk een schedel. Men was ervan overtuigd dat dit de schedel van Jeroen was. Volgens de overlevering begonnen de klokken spontaan te luiden en genas een man op wonderbaarlijke wijze. Pelgrims begonnen toe te stromen. In 1429 kreeg Noordwijk van de bisschop van Utrecht de status bedevaartsoord.
Na de grote brand van 1450 (maar ook reeds daarvoor: in 1415 en 1444 werd geld geleend voor verbouwingen) vonden er werkzaamheden aan de kerk plaats. Bij deze brand werd de toren gespaard en deze is hierdoor het oudste monument van Noordwijk. Dankzij inkomsten uit de bedevaart kon een grote kruiskerk worden gebouwd. De zijbeuken werden aan weerskanten van de toren doorgetrokken. Doordat tijdens de Spaanse bezetting het kerkbestuur door middel van brandschatting de verwoesting van de kerk afkocht kon de kerk behouden blijven.
In 1573 ging de kerk over van katholiek naar hervormd.
Sinds 1798 is de toren in eigendom van de gemeente. Dit op last van de Franse bezetter, die kerktorens gebruikte voor communicatiedoeleinden.
In 1860 werd in Noordwijk het huis van bewaring aan de Voorstraat gebouwd. Tot die tijd werden de gevangenen opgesloten in de twee cellen, die zich in de toren bevinden. Ook bevat de 40 meter hoge toren twee luidklokken. De grootste weegt 820 kg en is door Petrus Hemony in 1677 gegoten. De kleine luidklok stamt uit ca. 1952 en is vervaardigd door klokkengieterij Eijsbouts te Asten.
Verder nog 2 klokken, ook uit ca. 1952 van Eijsbouts. In de toren bevindt zich ook een kleine klok van Johannes Ouderogge uit 1690, maar deze is niet aangesloten. In 2012 zijn vier nieuwe klokken in gebruik genomen, eveneens gegoten door Eijsbouts. Het uit 1912 stammende uurwerk is in 2011/2012 gerestaureerd.
Het Witte Kerkje, Noordwijkerhout
Het kerkje is rond 1300 gebouwd oorspronkelijk in romaanse stijl. De parochiekerk was toegewijd aan de Heilige Apostelen Petrus en Paulus en diende voor rooms-katholieke erediensten. In 1508 werd een gotisch koor aangebouwd en de toren met een verdieping verhoogd. Tijdens het Beleg van Leiden werd het kerkje door de geuzen in brand gestoken om te voorkomen dat deze in Spaanse handen zou vallen. Tot 1620 was deze ruïne beeldbepalend voor het dorp. In dat jaar werd alleen het door de brand vernielde schip hersteld.
Het orgel stamt uit 1841 en is gemaakt door Lohman. De toren is sinds de Franse tijd eigendom van de burgerlijke gemeente.
Restauraties:
1508: bouw van gotisch koor en verhoging van de toren
1620: herstel van het schip
1959: restauratie van de toren
1975: opknapbeurt van de kerk
1977: orgel gerestaureerd
1987: kerk uitgebreid met een reconstructie van het in 1573 vernietigde gotische koor
Capel in het Langeveld
In de veertiende eeuw werd een 'Capelle in het Langeveld' gesticht en toegewijd aan Maria ter zee. Dit bedehuis zou volgens een legende zijn ontstaan te danken hebben aan het feit, dat een edelman die schipbreuk leed de gelofte deed een kapel te zullen bouwen wanneer hij werd gered.
Het Langeveld sinds 1415 een heerlijkheid in leen bij Claes van Ruven, grond tussen de Duindamse Slag en Starrenbroek. Vanaf 1695 viel het onder de ambtsheer van Noordwijk.
De kapel is na de kerkhervorming enige tijd als protestants kerkgebouw in gebruik geweest. Bekend is, dat er in 1814 nog een dienst gehouden is. In het midden van de negentiende eeuw is de kapel gesloopt. De grond werd verkocht aan de graaf Van Limburg Stirum, die er bos van heeft gemaakt.
Hervormde Kerk binnen Protestantse Kerk Nederland, Lisse
De huidige kerk staat op de restanten van een oude katholieke kerk. De kerk staat op een hoog binnenduin.
Graaf Willem II sticht omstreeks 1250 een kapel aan “de groene weijde van Lis”. De kapel wordt in 1460 door paus Pius II verheven tot parochiekerk Sinte Agatha. Of de kapel op dezelfde plaats stond is niet met zekerheid te zeggen, wel staat de huidige kerk op de restanten van de oude parochiekerk. De kerk staat op een hoog binnenduin.
In 1573/1574 (tijdens de Opstand, de 80-jarige oorlog) wordt de kerk flink verwoest. De toren is nog het minst beschadigd. De kerk wordt gerestaureerd. Metselaars brachten in de vlakke muur die het schip van het koor afsluit met groene verglaasde stenen het jaartal 1592 aan. De kerk werd aangepast aan de protestante eisen en is dan een gereformeerde kerk geworden.
Tot aan de Franse Tijd (1795) blijft deze “gereformeerde” kerk de enig officieel erkende christelijke kerk. De staatskerk wordt daarna opgeheven. Vanaf 1826 heet, wat oorspronkelijk als gereformeerd bekend staat, Nederlands Hervormde Kerk.
Er ontstaat in Lisse gekrakeel over van wie nu het kerkelijk erfgoed is. Koning Lodewijk Napoleon wees de kerk toe aan de protestanten. Een Haagse rechter roept de partijen bij elkaar in “De Witte Zwaan” om een oplossing te verkrijgen. Daar wordt door de “gereformeerden” 1.000 gulden geboden op de kerk. Onacceptabel voor de rooms-katholieken. Uiteindelijk stelt de Haagse rechter aan koning Willem I voor om een geldbedrag ter beschikking te stellen voor de bouw van een rooms-katholieke kerk in het dorp Lisse. We hebben het dan inmiddels over 1842!
Het kerkgebouw is na 1592 nog diverse keren gerestaureerd en aangepast. In 1858 was er een aanzienlijke restauratie waarbij mejuffrouw Van der Beek voor een gulle financiële ondersteuning zorgde.
In 1915 wordt de petroleumverlichting vervangen door gaslicht. Die gasverlichting wordt in 1922 weer vervangen door elektrisch licht.
In 1924 vindt een uitgebreide verbouwing plaats. De noordelijke zijvleugel wordt aangebouwd. Dit om het ontstane plaatsgebrek op te kunnen vangen.
In 2002-2003 vindt weer een grote verbouwing plaats. Er worden dan plaatsen opgeofferd voor bredere gangpaden en voor een toiletgroep.
De toren is het oudste gedeelte van de kerk, waarbij uit het gebruikte tufsteen afgeleid kan worden dat het onderste gedeelte van de toren, opgetrokken uit blokken tufsteen, duidelijk ouder in dan het bovendeel van de toren (opgetrokken in banden tufsteen en baksteen). De muren zijn zeer dik en lijken meer op de muren van een verdedigingstoren. Opvallend is de zonnewijzer uit 1729 op de zuidmuur van de toren.
Op de wijzerplaat hebben verschillende schilders door hun naam en het jaartal neer te zetten aangegeven wanneer zij hun schilderklus klaarden. De toren kwam in de Franse tijd in wereldlijke handen. Daardoor kon de toren ook voor niet religieuze zaken gebruikt worden. Zoals voor opslag brandweergereedschap.
Oorspronkelijk hing in de toren een wetbord uit 1617. Dit bord met waarop te lezen is “ De Wet is ons Ieyder tot Christum…” hangt nu in de kerk.
De antieke klok die in de toren gehangen heeft is in de 2e wereldoorlog gevorderd door de Duitsers om omgesmolten te worden. De huidige luidklok dateert van 1949.
Bij de laatste restauratie zijn grafzerken van onder de vloer tevoorschijn gekomen. Deze zijn nu weer in de kerk te zien. Aan de ingang van de kerk staat het fraaie graf van Van der Stel, voormalig gouverneur van Zuid- Afrika.
Nederlands Hervormde Kerk, Hillegom
Nederlands Hervormde kerk. Van oorsprong katholieke Sint-Maartenskerk. Het oudste gedeelte van de kerk is het koor uit de 16e eeuw en het onderste gedeelte van de toren en dateert uit de 13e eeuw.
Dat is te zien aan de gebakken stenen aan de voet van de oren. Deze stenen 'kloostermoppen' zijn van een ongebruikelijk formaat. Eind 12e eeuw kwam pas het gebruik van bakstenen in zwang. Onderin de toren was ooit het gevang van het dorp Hillegom.
Tijdens de Tachtigjarige Oorlog is de kerk bij oorlogshandelingen uitgebrand (in de periode 1573-1576), op de toren na. Het koor, zoals we het nu zien, is na 1575 weer opgebouwd.
Pas na 1607 is het schip provisorisch hersteld. In de jaren 1920 werd de kerk te klein voor de groeiende bevolking van Hillegom. Het schip werd afgebroken en een nieuw ruimer schip met transept kwamen in de plaats.
De toren en het koor bleven behouden. Op het grasveld voor de kerk zijn nog grafzerken te zien. Tijdens de herbouw in 1929 zijn alle graven in de kerk geruimd. De fraaiste grafstenen zijn in het koor gelegd o.a. van het geslacht Six. Tijdens herstelwerkzaamheden is de torenspits op 13 februari 1978 afgebrand. Op 3 mei 1979 is de herbouwde spits in de oude glorie hersteld.
Nederlands Hervormde Kerk, Bennebroek
De Nederlands Hervormde Kerk in de Noord-Hollandse plaats Bennebroek is een protestantse kerk uit de 17e eeuw waarvan de bouw begon in 1664.
De opdrachtgever was Adriaen Pauw en Pieter Post was de architect. Alleen de fundering werd gebouwd en daarna werd het werk stilgelegd.
In 1669 overleed Pieter Post en het zou tien jaar duren totdat de bouw weer verder ging, nu onder leiding van de architect Adriaan Dortsman. Op 24 mei 1682 was de eerste dienst in deze kerk, die sinds 1972 beschermd is als rijksmonument.
Verdwenen buitenplaatsen in Hillegom
Buitenplaats Hof Lapinenburg, Leidschestraat
Jocobus Craandijk schreef in 1882 een verslag van zijn wandeling door Nederland. Zijn bezoek aan Hillegom vermeld het volgende over Hof Lapinenburg:
De scheiding tusschen de landgoederen Veenenburg en Lapinenburg is aangewezen door een' hollen weg tusschen twee hoog begroeide wallen. Tot Lapinenburg is inderdaad de toegang door rasters afgesloten. Ook hier ontbreekt het hoog geboomte niet, maar wij zien er toch veel hakhout en dennen. Misschien moeten de rasters meer het wild er in, dan de wandelaars er uit houden. 't Moet hier een wildrijke jagt zijn en van ouds waren de ‘lapinen’, waaraan dit goed zijn' naam ontleent, in den omtrek van Hillegom veel overvloediger, dan den geburen lief was.
Groote schade bragten de konijnen aan akkers en bosschen toe en in 1518 werd den meesterknapen van Holland gelast, hen zooveel mogelijk uit te roeijen in het Hillegommerbosch, terwijl de boeren in 1608 - toen de plaag nog niet verminderd was - vergunning ontvingen, hen te vangen en uit te delven, waar zij konden. Ook mogten de landlieden aan de zijde hunner akkers den kant der slooten zoo steil maken, als zij wilden. Maar regt ernst schijnt het toch met den wensch, om het schadelijk gedierte te verdelgen, niet te zijn geweest.
In sommige tijden van het jaar moesten de honden met een blok aan den hals worden voorzien of ‘gepoot’ worden, en naar den kant der wildernis moesten de slooten zoo zijn ingerigt, dat de konijnen er niet verdronken, maar er van afstand tot afstand ‘oppereelkens’ konden vinden, waardoor zij weêr in het bosch konden ontkomen.
Onder de inkomsten van den Heer van Hillegom werden in 1722 nog 60 koppel konijnen jaarlijks uit het Asseler duin en 40 uit het Jan van Sanensduin genoemd. Er waren er dus nog genoeg in de buurt.
Naar het schijnt is de lust tot het edele weispel hier nog niet verdwenen. Bij een achterhek van het schoone landgoed vinden wij het jagershuis en de hondenstallen. Lange, deftige lanen voeren hier diep in het digte bosch en ook aan de overzijde van den weg loopt een statige laan tusschen het hooge hakhout. In weelderigen overvloed slingert zich de kamperfoelie om de stammen in het bosch en haar ranken vormen als een priëel over de paden in het akkermaalshout, die zonnige doorkijkjes geven tusschen de gewelven van takken en bladeren.
Het heerenhuis is gesloopt, evenals het huis van het voormalige, later aan Lapinenburg getrokken buiten Elsbroek. Wat er van over is, wordt door arbeiders bewoond.
Deze kleine buitenplaats behoorde sinds 1642 tot de eigendommen van de familie Six.
de familie van de Leidse lakenfebrikant B.F. Krantz ( 1840-1854) verblijft niet alleen in Leiden. Langs het Warmonderhek, waarvoor een abonnement van 12 gulden betaald wordt, trekt men naar het buiten Lapinenburg, onder Hillegom, tweeëneenhalf uur rijden van Leiden. Voor deze buitenplaats wordt een huur van 50 gulden per maand betaald.
In 1857 verschijnt de naam van Caroline de Clercq, volgens registers geboren op hof Lapinenburg, Hillegom 13 maart 1857, en overleden in Leiden 1 december 1872. Dit is een familielid van de familie de Clercq die we kennen van de Olmenhorst die wonen in de Lisserbroek van de Haarlemmermeer en hier land kochten na de drooglegging van de Haarlemmermeer.
Buitenplaats Elsbroek, Leidschestraat
Jean Six (zoon van Charles Six en Alix de Lattre) trouwde in 1606 met Anna Wijmer te Vlissingen. De kinderen van Jean Six kregen een zeer goede opvoeding.
De oudste zoon Pieter Six studeerde filosofie en rechten. Zijn jongere broer Jan Six studeerde rechten.
Ter afsluiting van zijn opvoeding maakte Jan Six in 1641 een zogenoemde Grand Tour naat Italië. Na zijn terugkeer uit Italië kocht hij in 1642 de buitenplaats Elsbroek. Door koop werd hij later ook heer van Wimmenum en Vromade (bij Heilo).
In 1655 trouwde hij met Margaretha Tulp, dochter van de bekende en zeer invloedrijke dr. Nikolaas Tulp (1593-1674). Voor deze bruiloft werd door Joost van de Vondel speciaal een bruiloftsdicht geschreven, waarin hij benadrukte dat Anna Wijmer de bruid zelf had uitgekozen:
Hoe ze inhaeren tijt, bekommert voor den soon
Uuyt duyzend maegden een zoo zedig koos als schoon
Een zuivre Tulk, dit puik van allerhande bloemen
Toen 't oog op deze viel, die wij perle noemen
Buitenplaats Treslong
, De buitenplaats werd rond 1560 gebouwd door de adellijke familie Bloys van Treslong. In 1652 erft de familie Van Loon de buitenplaats. Daarna kwam het in handen van de familie Van den Ende.
In 1858 was de familie Tets van Goudriaan eigenaar. Zij lieten het huis uitbreiden en in neogotische stijl verbouwen. Het werd later onder meer verhuurd aan burgemeester De Kat en aan de gebroeders Ludwig, die een bloembollenbedrijf hadden.
De buitenplaats werd in 1939 door de gemeente Hillegom aangekocht. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het huis maar gedeeltelijk bewoond en het werd gebruikt als distributiekantoor voor distributiebonnen. Tijdens de oorlog werden er vele bomen gekapt om in de behoefte aan brandhout te voorzien.
In 1949 werd voor het huis nog een demonstratietuin aangelegd door de Stichting Hillegomse Bloembollenbeurs. In 1950 werd het monumentale pand afgebroken en in 1952 verrees op het terrein het gelijknamige beursgebouw van de Hillegomse Bloemenbeurs, dat tot 2005 bleef staan.
Buitenplaats Weeresteijn, Weeresteinstraat 108
Na het overlijden van Willem Maertensz. Ruchaver in 1651 werden zijn bezittingen aan de familie Van Loon (de kinderen van zijn zuster Anna) nagelaten, viel de hofstede aan de weduwe van Willem van Loon, Margaretha Bas, en kinderen uit twee huwelijken toe. Deze hofstede moet een zeer gesloten “weerbaar” karakter hebben gehad.
Margaretha Bas kreeg op hoge leeftijd in ca. 1680 ook de hofstede Treslong via haar moeder. Ze kon er niet lang van genieten. Ze overleed in 1685 en liet ƒ 12.000,00 na. In de Maartenskerk te Hillegom hangt nog het gebedsbord van haar, uit de tijd dat ze op de buitenplaats Weeresteijn heeft gewoond.
Tot het overlijden van haar zoon Frederik Willem van Loon in 1708 was hij eigenaar van beide buitenplaatsen.
In 1721 werd Weeresteijn blind verloot aan Willem van Loon, zoon van wijlen de broer van Frederik Willem van Loon.
De villa Weerestein, werd in 1878 gebouwd door Hendrik Hermanus van Waveren, op een kavel die aan de noordzijde grensde aan de kavel waarop Villa Nova stond, tegelijk met een koetshuis, stal en koetsierswoning. In 1937 huurde de gemeente Hillegom de villa als ambtswoning voor de toenmalige burgemeester Van Nispen tot Pannerden.
in 1951 aankoop van de villa door de gemeente, de villa werd in 1953 gesloopt. en een vervangende ambtswoning gebouwd.
Buitenplaats Horstendaal
Lucratieve zandwinning gaf de gebroeders Van Loon rond 1660 in het duinrijke Hillegom de gelegenheid om hun buitenplaats Oostende uit te breiden en het tegenovergelegen afgezande duin de overplaats Horstendaal aan te leggen.
Omstreeks 1700 werd door de familie Geelvink de buitenplaats Horstendaal gebouwd. De buitenplaats is verdwenen, de slootstructuur is nog herkenbaar en een stuk bouwland.
Van de buitenplaats Horstendaal, die tussen Bennebroek en Hillegom aan de westkant van de Heereweg lag, is het mogelijk een goed beeld te krijgen hoe deze er in 1735 uit moet hebben gezien.
Uit één van de detailplattegronden valt op te maken dat Horstendaal een monumentale entree bezat. Het voorplein was beplant met bomen en door een hek afgescheiden van de Heereweg. De weg was bij een toegangspoort in het hek ovaalvormig verbreed. Vanaf de toegang liep er een rechte as naar het herenhuis. Over het voorplein betrad men door een sierlijk hek op een brug over een sloot of vijver de bassecour, waaraan het herenhuis en de bijgebouwen lagen.
Horstendaal kwam omstreeks 1700 in bezit van mr. Lieven Geelvink, heer van Castricum, Loosdrecht en andere plaatsen, burgemeester van Amsterdam, gedeputeerde van de Raad van State, bewindhebber der Verenigde Oostindische Compagnie, en nog veel meer. Horstendaal werd omstreeks 1650 door de Geelvinks gesticht en bleef het tot het eind van de 18e eeuw in de familie.
Bij de beschrijving van de buitenplaatsen bleek al dat de oorspronkelijke boerderijfunctie ook in de 18e eeuw nog een belangrijke rol speelde. Op Horstendaal bijvoorbeeld was niet alleen opvallend veel grond in gebruik voor het telen van gewassen die gegeten konden worden of vrucht droegen, maar ook de bassecour voor het herenhuis werd geheel omringd door bedrijfsgebouwen als betrof het een grote herenboerderij. Bovendien stond er veel hakhout en werd er rond de eigenlijke tuin intensieve veeteelt en tuinbouw bedreven.
Daarnaast werd er naar alle waarschijnlijkheid duinzand afgegraven, verkocht en via de sloten en het Haarlemmermeer afgevoerd.
Wellicht werd reeds omstreeks 1650, ten tijde van de afronding van het eerste stuk van de Amsterdamse grachtengordel, ter plaatse van Horstendaal systematisch zand afgegraven voor de aanleg van die gordel, waarna de vooraanstaande Amsterdamse regentenfamilie Geelvink kans zag er een buitenplaats te stichten. Zo wordt het opvallende systeem van parallel lopende sloten, dat in verbinding stond met het Haarlemmermeer begrijpelijker.
De buitenplaatsen vormden een goede bron van inkomsten. Tot de opbrengsten zullen allerlei landbouwproducten van de landerijen om de tuin en het herenhuis hebben behoord. Ook producten uit die tuinen zelf, zoals de boomgaarden en moestuinen, lijken gedeeltelijk voor de handel bestemd te zijn geweest, want het is onwaarschijnlijk dat er zoveel nodig was voor het leven op het buiten zelf.
De afzandingen deden niet veel goeds voor het voortbestaan, Horstendaal was omstreeks 1800 verdwenen.
Buitenplaats Oosteinde
,Andere benaming: Oostende
De buitenplaats werd rond 1600 gebouwd door Maerten Willemsz. Ruychaver (1545–1626), buskruithandelaar en burgemeester van Haarlem.
De gebroeders Nicolaes en Lieve van Loon waren samen eigenaar van Oosteinde en tegenoverliggende duinen, toen in 1660 werd besloten tot de Tweede Uitleg van de Amsterdamse grachtengordel. Nicolaas had op dat moment zitting in de Vroedschap. Het was niet toevallig dat de broers tegelijk rond deze tijd besloten de zandduinen tegenover Oosteinde flink af te graven. Voor de zandafvoer verlegden en verbreedden ze de Oostendervaart en werden parallelle kanalen in de duinen gegraven. Voor de ophoging van de veengrond voor de aanleg van de aanzienlijke keurblokken tussen Singel en Prinsengracht waren zeer grote hoeveelheden zand nodig. Buitenplaats-uitleg door zandontginning was zo beschouwd ‘big business’.
De zoon van Nicolaes, Adriaen van Loon (1631-1722) kreeg (mogelijk door vererving) de buitenplaats in bezit. Hij is getrouwd met Cornelia Hunthum (1634-1721) en beide zijn in 1681 geportretteerd met de buitenplaats op de achtergrond.
In 1735 had de buitenplaats zijn grootste omvang bereikt. Het buiten werd na het overlijden van Jan van Loon Wzn. verkocht in 1764 en aan het begin van de 19e eeuw moet het zijn afgebroken.
22 juni 2020
Verdwenen buitenplaatsen Lisse 2