De dag nadien
Hij ontwaakte met barstende koppijn: een kanjer van een kater. De avond voordien was een waas, net zoals de dagen en weken daarvoor. Ik zou echt moeten stoppen, dacht hij, of op z’n minst minderen. Donkere januariwolken trokken over en zware regendruppels sloegen tegen de ramen. Hij bleef nog even liggen, luisterde naar het gekletter van de regen en heel even dacht hij aan niets. Toen vroeg hij zich af hoe laat het was en keek op de klok. Iets na half één. Tijd om aan de dag te beginnen, of wat er nog van over bleef.
Hij stond op, trok dezelfde kleren aan die hij al dagen droeg, liep door de woonkamer langs de her en der verspreide lege flesjes bier en halfvolle fles wijn - die nam hij mee naar de badkamer en goot de inhoud ervan leeg in de wastafel. Glokglokglok. Hij opende het medicijnkastje en nam een paracetamol. En nog een.
Zijn spiegelbeeld herinnerde hem eraan dat hij oud begon te worden, zich oud begon te voelen. Dat zag hij aan de beginnende rimpels om zijn ogen en in zijn voorhoofd, de eerste grijze haartjes in zijn baard en vooral aan zijn vermoeide blik waarin nog maar weinig levensvreugde te bespeuren viel, en hij vroeg zich af wanneer het gevoel dat hij niet jong meer was precies begonnen was. Toen hij voor het eerst het gaspedaal van een auto induwde? Toen hij voor het eerst met een meisje geslapen had? Toen hij ging studeren? Alleen ging wonen? Zijn eerste job had? Of was het misschien nu, op dit moment, op een grijze januaridag en hij de dertig naderde en zijn gezicht in de spiegel bestudeerde.
En nu? Hij wist het niet. Hij keek uit het raam. Grijs. Doods. Een typische januari-ochtend, maar dan warmer, onvoorspelbaarder, onheilspellender. Hij had zin in Brian Eno en Nick Cave maar koos toch voor die laatste:
And everyone has a heart and it's calling for something
We're all so sick and tired of seeing things as they are
Horses are just horses and their manes aren't full of fire
The fields are just fields, and there ain't no Lord
En nu? De afwas, ja, die moest dringend gedaan worden. Warm water. Afwasmiddel. Een spons die zijn beste tijd allang gehad heeft. Hij moest echt eens leren om boodschappenlijstjes te maken voor hij naar de supermarkt ging. Hij greep een post-it en een balpen en schreef op: spons, en dacht na over wat hij nog meer nodig had. Eten voor vanavond misschien. Bakboter, want dat vergat hij elke keer. Maar het ontbrak hem aan motivatie om daar op dit moment over na te denken - om over wat dan ook na te denken, en hij legde de balpen neer.
En nu? Hij wist het niet. Het was iets over één en het enige wat hij wilde was een sigaret en genoeg moed om de dag door te komen. Maar hij had ook zin om haar te bellen, om zich te verontschuldigen, zich te verantwoorden, maar misschien vooral om zichzelf ervan te verzekeren dat hij geen geest was geworden en hij nog wel degelijk bestond. Hij zat immers al zo lang opgesloten, in dit appartement, in dit leven, in dit lichaam, en misschien was dit bestaan niets meer dan zijn eigen persoonlijke hel.
Zijn telefoon moest dringend opgeladen worden. Niet dat hij vaak berichtjes of telefoontjes kreeg, het was meer uit ‘je weet maar nooit’. Hij zocht in zijn contacten naar de S, vond haar nummer, aarzelde, legde zijn telefoon weer weg. Met een luide zucht ging hij weer aan de keukentafel zitten en luisterde naar het nummer van Cave dat op repeat was blijven staan.
Sombere muziek was de enige soort muziek die hij aan kon horen wanneer hij in een staat als deze verkeerde, een staat van niet weten wat je kan doen om jezelf beter te doen voelen, maar tegelijk ook weten dat je niets zou doen, ook al zou je het wél weten, omdat je er gewoon de fut niet voor hebt. Een soort van onverschillige droefheid waarin je berust. En berusten, wist hij, is niet altijd de beste oplossing, maar het is wel de makkelijkste.
Zijn maag knorde. Misschien moest hij toch maar boodschappen gaan doen, want buiten wat beschuiten, enkele appels en een overrijpe banaan had hij weinig in huis. Hij pakte zijn balpen en de post-it en schreef een aantal dingen op, hij schreef ‘groenten’, en zou in de supermarkt wel beslissen welke dat precies zouden worden. Hij schreef ook: brood, confituur, havermelk, aardappelen -
De deurbel. Of hij zijn auto wilde verzetten, want die stond voor iemands garage geparkeerd, en snel, of ze zou de politie bellen.
Hij keek naar de garage in de verte aan de overkant van de straat, herkende de auto en zei: ‘daarvoor moet u hier zijn,’ en hij wees op de naam op de bel onder de zijne.
Een verwarde blik en tenslotte een verontschuldiging.
Een geest was hij dus nog niet.
En nu? Juist, boodschappen. Hij dacht nog even na, tikte ritmisch met de balpen tegen zijn kin en zuchtte weer. Het lijstje belandde verfrommeld in de prullenbak. Hij ging weer aan de keukentafel zitten met zijn telefoon in de hand. Waarom wilde hij haar toch zo graag opbellen? Hij had haar al weken niet gezien of gehoord na die ene rampzalige avond in het restaurant die hij zo snel mogelijk wilde vergeten. Toen, het was bijna een reflex, scrolde hij opnieuw naar de S en voor hij het goed en wel besefte ging de telefoon over.
‘Met Sofia?’
‘...’
‘Hallo?’
Hij voelde zijn hart tekeer gaan.
‘Ben?’
Hij hing op.
Ben leunde met zijn ellebogen op de tafel, liet zijn kin rusten op zijn samengevouwen handen. Waarom was hij toch zo’n lafaard? Hij dacht na over Sofia, over hoe hij haar had ontmoet, dat hij toen dacht dat de manier waarop ze elkaar hadden leren kennen enkel in romantische komedies voorkomt. Hij had toen net een nieuwe job waar hij per trein naartoe pendelde; hij had halverwege zijn traject een overstap en nog genoeg tijd over voor een koffie.
Er zouden in dit station zo’n 60.000 reizigers per dag aankomen en vertrekken, had hij eens gelezen, een hallucinant getal wanneer hij daarbij stilstond. Zoveel mensen, elk met hun eigen verhaal, sommige droevig, sommige hoopvol, allemaal zo verschillend, en toch was er één ding dat ze met zekerheid deelden: dit treinstation. En één van de 60.000 mensen die dit station met hem deelde, was Sofia.
Ben blies in zijn bekertje om de koffie te doen afkoelen toen een vrouw met een amandelkleurige huid en donker golvend haar aan het tafeltje naast hem kwam zitten. Ze leek een beetje op een jonge Halle Berry, vond hij. Ze nam een of ander puzzelboek uit haar handtas, opende het, en keek met een geconcentreerde blik naar een puzzel terwijl ze haar balpen tussen haar vingers liet ronddraaien. Plots werden haar ogen groot en schreef ze haastig en gedecideerd met het enthousiasme dat Ben alleen nog maar bij kinderen gezien had een woord in de daarvoor bestemde vakjes. Ze glimlachte erbij - de mooiste glimlach die Ben ooit gezien had, en zonder dat hij zich er bewust van was glimlachte hij met haar mee.
De trein met bestemming…
Haastig liep Ben naar perron twaalf, en de hele treinrit lang kon hij alleen maar aan die glimlach denken.
De volgende dag ging Ben weer aan hetzelfde tafeltje zitten en keek om zich heen. Hij wist ook wel dat de kans bijzonder klein was dat van alle duizenden mensen die hier dagelijks langs lopen hij juist haar opnieuw zou zien, maar toch was er ergens in hem een vlammetje dat bleef branden, dat bleef hopen. Hij zag haar niet, en ook de dagen daarna was ze nergens te bespeuren. Maar dan werd het vrijdag, en daar zat ze, aan hetzelfde tafeltje, met diezelfde geconcentreerde blik en datzelfde enthousiasme wanneer ze na lang denken het juiste woord vond. Ben ging zitten, blies in zijn bekertje, keek stiekem naar haar, miste alweer op een haar na zijn trein en dacht aan haar.
Op sommige dagen zaten ze samen aan hun tafeltjes, op andere dagen niet, Ben vond geen regelmaat in haar af-en aanwezigheid. Op een dinsdag ging hij naast haar zitten - ze waren inmiddels in de fase beland waarin ze uit beleefdheid naar elkaar glimlachten als teken van herkenning - en hoorde haar mompelen, maar ze was te stil en het station te luid om haar te kunnen verstaan. Ben zag ook dat haar geconcentreerde blik deze keer iets gefrustreerds had en dat de pen in haar hand sneller wiebelde dan anders.
Hij wist niet waar het vandaan kwam, al die moed, maar het was er, opeens, en hij zei: ‘Excuseer?’
‘Hm?’
Het klonk een beetje geïrriteerd vond Ben (in die mate je een ‘hm’ kunt interpreteren dan) en hij had al meteen spijt, maar hij kon nu niet meer terug.
‘Lukt het niet vandaag?’
‘O,’ het gezicht van de vrouw werd zachter toen ze hem aankeek. ‘Nee, ik zit helemaal vast’
‘Wat zoek je?’
Ze zuchtte, legde haar pen neer, staarde naar de puzzel. ‘Oud-Egyptisch symbool. Vier letters.’
‘Ankh?’ probeerde Ben.
Ze keek hem met een verbaasde glimlach aan, keek weer naar haar puzzel en schudde haar hoofd. ‘Kan niet. Eindigt op een ‘d’. Wie in hemelsnaam weet zulke dingen nu?’ Ze kruiste haar armen, liet haar ellebogen op de tafel rusten, haar hoofd moedeloos hangend.
Ben dacht na. ‘Djed? Schrijf je met een ‘d’ op het eind.’
De vrouw ging weer rechtop zitten en daar was het weer, dat kinderlijk enthousiasme. Haastig nam ze haar pen en duwde er hard mee op het papier toen ze het woord schreef, als een soort wraakactie tegen de puzzel die haar zoveel leed bezorgd had.
‘Zoals ik al zei,’ - ze keek hem aan op een manier die het midden hield tussen gespeeld ontzag en gemeend ontzag - ‘wie in hemelsnaam weet nu zoiets?’
Ben wist niet of die vraag retorisch bedoeld was of dat ze werkelijk wilde weten wie hij was. ‘Ik heet Ben,’ gokte hij.
‘Sofia,’ zei ze, en ze glimlachte breed.
Dan waren al die nachten dat hij urenlang naar National Geographic keek omdat hij de slaap maar niet kon vatten toch ergens goed voor geweest, en hij glimlachte nog breder dan Sofia.
De batterij gaf vier procent aan. Ben staarde even naar het scherm, stond dan op, greep de lader die naast zijn bed lag en plugde de telefoon in. Hij zou haar niet bellen, niet vandaag en ook niet op een andere dag.
Schoenen en een regenjas, sleutels, portefeuille, het boodschappenlijstje en een boodschappentas. Net voor hij de deur achter zich dicht wilde trekken, meende hij zijn telefoon vanuit de slaapkamer te horen, maar zeker was hij niet. Ben daalde de trap af en opende de voordeur, bleef een tijdje in de deuropening staan en keek naar de hemel en de regen die van geen ophouden wist. Hij ging weer naar boven, naar zijn slaapkamer, ging op bed liggen, dacht even aan niets. Dan vroeg hij zich af hoe laat het was, nam zijn telefoon en las: eén gemiste oproep.
En nu?










