'Part of a Teen Wolf fanfiction I am working on. I used the prompts of the Come what may creators challenge.
The words for day 11 are crimson and golden.
I wrote this fic in Dutch so I translated the words to use in this story.
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
Ik had het astral projecting nog niet helemaal onder controle maar ik moest het proberen. Ik wilde ze zo graag helpen maar ik kon niet riskeren dat de anderen me zo zouden zien en ook niet dat ik gewond zou kunnen raken. Scott en Isaac mochten dan snel genezen, ik ben niet zoals hun, mijn lichaam kan dat niet. De kaarsen die ik heb verzameld zet ik in een grote cirkel op de vloer van mijn slaapkamer. De cirkel moet groot genoeg zijn dat ik er in kan liggen. Uit een la van mijn kast pak ik nog een paar extra kaarsen voor de zekerheid. Ik had deze magie één keer eerder geprobeerd met mijn oma, terwijl ze naast me zat. Een diepe zucht verlaat mijn mond in de hoop de zenuwen te verlichten.
Mijn spreukenboek leg ik naast me op de grond als ik in de cirkel ga zitten. Ik kan dit. Ik ben sterk genoeg hiervoor. Diepe ademhalingen zorgen ervoor dat ik me het best kan focussen. Met een knip van mijn vingers brand er een klein vlammetje op elke kaars. Mijn lichaam positioneer ik zo dat ik in het midden van de kaarsencirkel lig, mijn handen hou ik boven mijn buik in de lucht. De vingertoppen van beide handen raken elkaar, elke vinger zo houdend dat ze een driehoek vormen. Langzaam, mijn ogen gesloten, spreek ik de spreuk herhalend uit.
'Vola anima per aeterna. Vola anima per aeterna. Vola anima per aeterna. Vola anima per aeterna.' Als ik mijn ogen weer open sta ik in een verlaten gebouw. Om mee heen staan verschillende pilaren, waar ik me ook achter schuil houd. Op een aantal meter van me af zie ik verschillende figuren staan. De meeste aura's die ik kan zien zijn rood. Zijn het allemaal alfa's? Het aura dat er voor mij het meest uitspringt is die van een man die redelijk gecentreerd staat, iedereen heeft zijn aandacht op hem gevestigd. Hij draagt een zonnebril en een stok bij zich. Zijn aura is zo donkerrood, eerder karmozijnrood, dat het er bijna vanaf druipt. Zo donker had ik een aura nog nooit gezien. Iets verder terug mijn kant op staan ook een paar oranje aura's. Twee ervan herken ik gelijk. Scott en Isaac staan naast elkaar aan de zijkant, redelijk vlak voor me. Ik kan nog net zien hoe de eerste alfa een andere alfa, Derek, aanvalt voordat ergens van vlak boven mij de tweeling naar beneden springt en veranderen in een of andere frankenwolf. Isaac is al getransformeerd als ik mijn ogen weer op hem richt. Hij rent op de frankenwolf af. Zijn aanval zo overduidelijk voor de alfa tweeling dat ze hem gelijk naar de grond duwen. Ik snak naar adem, een hand voor mijn mond, als het geluid van boten die breken mijn oren binnen dringen. Verstijfd en genageld aan de grond kijk ik naar zijn lange gestalte op de grond. 'Isaac sta op,' fluister ik heel zacht waarna ik een krachtteruggave spreuk zijn kant op stuur. Scott word als volgende tegen de muur gegooit door de tweeling. Isaac staat op, rent gelijk weer op de alfa af, word door hem vastgepakt en weer klinkt het geluid van botten die breken. Hij valt weer neer op de grond, deze keer kan ik een snik niet tegenhouden. 'Isaac hou vol.' Mijn stem klinkt wanhopig. Zijn gouden ogen vinden die van mij, verwarring en pijn is er in te zien.
Ik kan ze niet goed genoeg helpen als ik me moet concentreren op het astral projecting. Ik wil ze helpen maar dan heb ik meer kracht nodig. 'Vola anima per aeterna.' Als ik mijn ogen weer open ben ik terug in mijn kamer, in de cirkel van kaarsen. Astral projecting is niet genoeg, ik moet erheen om ze te helpen. Mijn spreukenboek gaat uitzichzelf naar een andere pagina, alsof het me wil helpen, en stopt op de pagina met verplaatsingen. Ik ga rechtop zitten en lees de spreuk snel door. Met een diepe ademhaling vorm ik mijn handen weer tot een driehoek voordat ik de woorden zeg. 'Defer me celeriter, defer me integrum.'
Het volgende moment ben ik terug bij het gevecht. Magie stroomt door mijn aderen, zorgt ervoor dat mijn vingers tintelen. Op het moment dat er een pijl langs de tweeling schiet grijp ik mijn kans en duw een vlaag van energie hun kant op waardoor ze op de grond belanden en weer twee aparte jongens vormen. Ik ren naar Isaac en sla mijn armen om hem heen. Hij vangt me op, zijn blik nog steeds verward, maar drukt me wel tegen zich aan. 'Seraphina wat doe je hier?' Hij houd mijn hoofd tussen zijn handen, zijn gouden ogen staan vol bezorgdheid. Ik weet dat zijn weerwolf vorm, met zijn klauwen en scherpe tanden me zouden moeten afschrikken, maar dat doet het niet. 'Ik wilde helpen,' geef ik als antwoord terug. Hij schud zijn hoofd. 'Straks raak je gewond, je kan hier niet zijn.' Het klinkt alsof hij boos op me is, of verbeeld ik me dat? 'Nina je ogen zijn paars, ze onthullen wat je bent, je loopt gevaar zo.' Voordat ik kan reageren word ik van achter beet gepakt en meegesleurd over de grond. Isaac's grom komt luid mijn oren binnen, gevolgd door het geluid van een bot dat breekt. Hij word in een houdgreep gehouden door een grote man. Ik word omhoog getrokken en tegen een muur vastgehouden. Lange slanke vingers liggen rond mijn keel, nagels gereed om deze door te snijden. 'Zo, en wat hebben we hier voor onervaren heks?'









