Verdieping
Stappenplan
Voorbeelden
Er zijn twee manieren van differentiëren: Convergent en divergent. Bij convergente differentiatie wordt er uitgegaan van het leerstofklassensysteem. Dit houdt in dat er vastgesteld is dat er een minimum aan hoeveelheid leerstof geleerd moet zijn door de leerlingen. De leerlingen worden bij elkaar gehouden als groep en de leerkracht staat centraal. Eerst krijgt de klas klassikaal les en daarna gaan de leerlingen zelfstandig aan de slag om de stof te verwerken. Op deze manier heeft de docent tijd om leerlingen die de stof minder goed beheersen te begeleiden. Voor de leerlingen die de stof onder de knie hebben, wordt er verdiepingsstof aangeboden.
Bij divergent differentiëren staan de leerlingen centraal en krijgt de docent een begeleidende functie. Tijdens deze manier van differentiëren nemen de verschillen tussen de leerlingen toe en zal er meer differentiatie nodig zijn. De leerlingen worden tijdens deze vorm meer op hun niveau aangesproken als het gaat om instructie en verwerking van de lesstof. Vandaar dat er meer differentiatie nodig is, omdat de verschillen meer uit elkaar gaan lopen en dat is precies wat divergeren betekend.
Deze vorm wordt over het algemeen minder gebruikt binnen het onderwijs. Ons onderwijs is er namelijk op ingericht dat iedereen met ongeveer hetzelfde niveau bij elkaar geplaatst wordt. Je hebt namelijk een bepaald minimumniveau nodig om over te kunnen gaan. Bij divergent differentiëren komt een hogere werkdruk kijken en door de grote klassen is er vaak geen tijd om leerlingen verschillende leerlijnen aan te bieden.
Hierbij is de volgende informatie van het grootste belang:
Welke leerinhouden en -activiteiten voor welke leerlingen doen ertoe in de les?
Gelden de leerdoelen voor de gehele klas op per deelgroep?
Vanuit de lesdoelen wordt vastgesteld welk materiaal (uit de methode) er wel of niet gebruikt wordt.
Welke leerlingen beheersen de stof al, welke leerlingen hebben extra oefenstof nodig en hoe zit het met bepaalde interesses of leervoorkeuren van leerlingen?
o Bepaal de leerinhouden via de punten hierboven
o Bepaal welke gegevens er nodig zijn omtrent de theorie van de les
o Bepaal eerst de basisstof en vervolgens wat herhalingsstof &
verdiepingsstof kan worden
o Beschrijf de onderwijsbehoefte en doelen per leergroep (basis, herhaling & verdieping)
o Bepaal op welke manier je hier vorm aan gaat leven in de les (zie onder het kopje ‘voorbeelden’ mogelijke manieren van differentiatie toepassen in de les)
o Voor leerlingen moet duidelijk zijn waarom en in welke groep ze
zitten
o Voor leerlingen moet duidelijk zijn wat het plan van de les is (al
helemaal als dit de eerste keer is dat differentiatie wordt
toegepast)
o Bepaal een goede lesafsluiting waarbij alle leerlingen weer samenkomen om van elkaar te leren
o Bepaal de leergroep indeling voor de klas
o Dit kan het best aan de hand van het gemiddelde cijfer (1 – 5 is
basisgroep, 5 – 8 is herhalingsgroep, 8+ is verdiepingsgroep)
Manieren van Differentiatie:
o Ability grouping: je geeft aparte instructies aan groepjes van verschillende niveaus
o Tiering: je biedt dezelfde opdracht aan in de klas, maar de opdracht werk je uit op meerdere niveaus
o Mastery learning: aan de hand van verzamelde data biedt je verdiepende stof aan. Verzamel data door aan het einde van je les een formatief toetsje te geven
o Busvorm: deze klassieke opstelling bestaat uit drie banen. Baan 1 gaat aan het werk zonder instructies, baan 2 met instructies en baan 3 met verlengde instructies. Je kunt de leerlingen zelf een baan laten kiezen, maar je kunt ook de banen indelen aan de hand van de verzamelde data
o U-vorm of ringenopstelling: deze opstelling nodigt uit tot interactie en discussie. Aan de buitenste ring plaats je de leerlingen die geen uitleg nodig hebben en in de binnenste ring zitten leerlingen die wel begeleiding nodig hebben. Door deze opstelling maak je makkelijker contact met iedere leerling
o Groepjes: je kunt kiezen voor homogene of heterogene groepjes. Het ligt aan het doel van je les welke soort je kiest. Binnen heterogene groepen kunnen leerlingen gebruikmaken van elkaars verschillen en daardoor leren ze samenwerken met verschillende niveaus. Leerlingen binnen homogene groepen kunnen elkaar uitdagen en zo hun leerprestatie verhogen
o Tegenover elkaar: creëer een ‘speeddate setting’ door tafels tegenover elkaar te plaatsen. Door deze opstelling kunnen leerlingen goed samenwerken. Zet een leerling die de lesstof al goed beheerst tegenover een leerling die nog moeite heeft met de leerstof. Laat de sterke leerling zijn aanpak voor het maken van een opdracht uitleggen aan de zwakkere leerling
Taxonomie van Bloom toepassen:
Tijdens de instructie wordt verteld dat de leerlingen met het minimumniveau vooraan bij de docent gaan zitten om samen de leerstof door te nemen. Op deze manier kan de docent ondertussen waar het ontbreekt in kennis bij de leerlingen. Hier heeft de docent een begeleidende rol. We willen er dan voor zorgen dat de leerlingen op het niveau komen van onthouden en begrijpen. Dit is gebaseerd op de taxonomie van Bloom.
De leerlingen met het basisniveau krijgen bijvoorbeeld een set aan opdrachten mee om hun kennis van onthouden naar begrijpen en toepassen te kunnen brengen.
De leerlingen met een hoger niveau krijgen een set opdrachten om hun kennis van begrijpen en toepassen nog verder te brengen. Deze opdrachten zullen er dan op gericht zijn om hun kennis naar het niveau van analyseren en evalueren te brengen. Bij bovenstaand en dit niveau zullen de opdrachten set door de docent gecreëerd moeten worden naar het onderwerp wat gegeven wordt op dat moment.
1. Terugblik: in een Prezi-presentatie zien de leerlingen allerlei begrippen staan. Ter activering van de voorkennis worden willekeurige leerlingen aangewezen om de betekenis van de begrippen te noemen. Niet alle begrippen hoeven behandeld te worden. Alle leerlingen
2. Oriëntatie: Er wordt benoemd dat er al veel leerlingen zijn die veel over het onderwerp weten. Om die reden wordt er in groepen met een lesbrief gewerkt vandaag. Samen worden de zaken uit hoofdstuk 3 nog even doorgenomen. Alle leerlingen
3. Uitleg: Aan de hand van de Prezi wordt de opdracht uitlegt. Afspraken en regels worden doorgenomen. De leerlingen weten wie met welke opdracht aan de gang moet gaan er wat er te doen staat wanneer zij klaar zijn. Alle leerlingen
4. Instructie en in-oefening: Groep Blauw krijgt extra uitleg van mij. Dit gebeurt aan de hand van een opdracht in de lesbrief en ondersteunend materiaal in de Prezi. Groep Groen mag meeluisteren indien nodig, maar van hen wordt verwacht dat zij zoveel mogelijk zelfstandig aan de slag gaan. In hun lesbrief bevinden zich een aantal hulpkaarten. Groep Oranje gaan zelfstandig aan het werk. Groep Blauw: instructie, Groep Groen: zelfstandig met keuze tot meeluisteren, Groep Oranje: doet niet mee met de instructie en de in-oefening
5. Verlengde instructie en begeleide in-oefening: Samen met team Blauw worden de eerste opdrachten samen met de docent gemaakt. De oefenopdrachten worden ook direct nagekeken. Groep Blauw
6. Zelfstandige verwerking: tijdens de zelfstandige verwerking loopt de docent aan de hand van een vaste route door het lokaal. Zo kunnen leerlingen vragen stellen en kan de docent zien of zij goed op weg zijn. Groep Oranje werkt al zelfstandig, Groep Groen ook en Groep Blauw werkt nu ook zelfstandig
7. Evaluatie (terug- en vooruitblik): Wat vonden de leerlingen van de les? Wat hebben zij geleerd? De leerlingen mogen op elkaar reageren en de leerdoelen worden gecontroleerd. Alle leerlingen