Angst, Ballen & The Circlejerk. Poëziekritiek na 2014?
Baldadigheid en intelligentie: nectar
Zou Lucas Hüsgen mij leuk vinden?
Dat zou heerlijk zijn. Zou
Lucas Hüsgen wel eens aan mij denken wanneer hij niet in slaap komt?
Facebook is heerlijk.
Ontevredenheid ongemak zelfhaat onbehagen anti-
burgerlijkheid zijn hartstikke mega-heerlijk.
Jeroen Mettes is een mysterie.
Zou Geert Buelens mij leuk vinden?
Dat zou heerlijk zijn.
— Maarten van der Graaff1
In hun opiniestuk ‘Leve de poëzie! Waar blijft de kritiek?’, dat op 6 februari op de Zuid-Afrikaanse poëzieblog Versindaba werd gepubliceerd, klagen Carl De Strycker, Luuk Gruwez en Yves T’Sjoen de journalistieke en academische desinteresse voor de poëzie aan, terwijl ze vaststellen dat het poëzieklimaat zich van een recessie heeft hersteld en op de hernieuwde aandacht van een breed publiek mag rekenen2. De ongerijmdheid tussen het haast onbestaande poëziedebat en de populariteit van de poëzie wijten zij aan de academische publicatiedruk, die ervoor zorgt dat de wetenschappers aan onze letterenfaculteiten worden gedwongen zich ver van het strijdtoneel in hun kantoren terug te trekken. ‘Of is het dat het poëzieklimaat zo zacht, het debat zo mak is dat we zijn gaan geloven dat kritische reflectie onnodig is?’, vragen zij ons, en misschien ook een beetje zichzelf.
Dat de publicatiecultuur (en de toenemende bureaucratisering) aan onze universiteiten moordend is, lijdt geen twijfel. De petitie die vorig jaar door de Actiegroep Hoger Onderwijs werd gelanceerd en deze problematiek aankaartte, verzamelde in geen tijd meer dan vijfduizend handtekeningen van professoren, post-docs, doctorandi en studenten3. Of dit de voornaamste reden is voor de stilte en laksheid in het (meta)literaire debat is inderdaad een andere vraag, waar we hier, als jonge, ambitieuze dichters en critici, een antwoord op zullen proberen geven.
Voor we dit doen, willen we uiting geven aan enkele bedenkingen bij het artikel. Eerst en vooral: de auteurs dagen de Nederlandstalige literaire wereld uit tot reflectie en debat en refereren in functie hiervan aan Nederlandse en Belgische initiatieven, maar kiezen een Zuid-Afrikaanse blog om hun oproep te lanceren. Dit is - vergeef het ons - roepen in de woestijn. Op het moment van schrijven kreeg het artikel nergens een reactie en werd het ook op de sociale media amper opgemerkt, wat natuurlijk niet hoeft te verbazen. Waarom werd de oproep niet op de in het artikel genoemde websites gepubliceerd? We zijn ervan overtuigd dat deReactor, De Contrabas en Meander met plezier hun platform beschikbaar zouden stellen, of toch minstens op de oproep zouden reageren. Nu is het artikel niets meer dan één van de zovele beschouwingen die, zoals de auteurs het zelf stellen, ‘in de virtuele ruimte rondfladderen’.
Een tweede bedenking heeft betrekking tot de auteurs van het artikel. Meer bepaald: bevinden zij zich wel in de positie om zich af te vragen of het poëziedebat te mak is? Dat Yves T’Sjoen als hoogleraar weinig tijd heeft voor een deelname aan het debat, is volkomen begrijpbaar. Ondanks de werkdruk die met zijn functie gepaard gaat, slaagde hij er de voorbije vijftien jaar wel in om meer dan eens deel te nemen aan of zijn oordeel te vellen over het poëziedebat4. Ook de recent gevoerde polemiek in De Morgen met Koen Van Bockstal, de directeur van het Vlaams Fonds der Letteren, getuigt van de betrokkenheid van T’Sjoen in het metadebat.
Carl De Strycker, directeur van het Poëziecentrum, en Luuk Gruwez, dichter, plegen zelf wel eens een recensie. Die laatste stelde in 2007 in De Standaard helemaal niet te houden van de kritiek, of tenminste wat kritiek op zijn eigen poëzie betreft:
‘Zoals de meeste van mijn collega’s lijd ik aan recensitis. Ik haat het nog steeds te moeten verschijnen voor het tribunaal van het bestaan.’5
Nu schrijft Gruwez zelf recensies, nota bene voor de krant waarin hij bovenstaande uitspraak deed, en hij is er duidelijk trots op:
‘Van de Vlaamse kranten en weekbladen maakt alleen De Standaard in haar literaire bijlage één keer per maand minstens anderhalve bladzijde vrij voor onder andere een meer doortastende bespreking van een recente dichtbundel.’6
We hebben de literatuurbijlagen van De Standaard van de voorbije drie maanden erop nagelezen en moesten vaststellen dat de recensies van Gruwez amper één pagina beslaan en natuurlijk niet doortastend zijn7. Het zijn de ons al lang bekende advertorials, zogeheten recensies die de onwetende lezers van De Standaard bij de hand nemen en uitleggen hoe je een gedicht of bundel best leest, om hen op die manier hopelijk van de waarde van de poëzie en een aankoop te kunnen overtuigen. Het is ronduit lachwekkend dat Gruwez op de barricades van de kritiek met dit soort recensies staat te zwaaien.
Voor zijn aanstelling als directeur van het Poëziecentrum, droeg Carl De Strycker geregeld bij aan Ons Erfdeel en Poëziekrant, en ook voor deReactor schreef hij vier poëziekritieken. Sinds hij directeur werd, beperkt hij zich tot korte proza- en poëziebesprekingen voor Kunsttijdschrift Vlaanderen en De Leeswolf. Aangezien we gerust mogen aannemen dat het directeurschap van een vzw veel bureaucratische rompslomp met zich meebrengt, is deze afname in aantal geproduceerde kritieken zeer begrijpelijk.
Toch is het niet uitsluitend de kwantiteit van kritieken die de auteurs in hun artikel problematiseren. Ter discussie staat vooral een gebrek aan ruimte voor het diepgravende gesprek over poëzie en misschien wel de literatuur in het algemeen. Hierbij moeten we ons afvragen wat dat ‘diepgravend’ nu precies betekent. Hoewel in De Leeswolf meer ruimte wordt gecreëerd voor kritiek dan in Kunsttijdschrift Vlaanderen, geven de kritieken in de laatste nummers weinig blijk van iets dat op diepgravendheid moet lijken. De platitudes die in Kunsttijdschrift Vlaanderen haast eigen zijn aan de strenge woordlimiet, duiken ook op in De Leeswolf. Zo concludeert De Strycker over Dimitri Verhulsts De laatkomer dat het ‘tot nadenken stemt’8 en ook B. Zwaals Oever drinkt oever ‘bevat misschien wel weinig woorden, maar geeft veel te denken’9. Zijn het dit soort veralgemeningen en vage uitspraken waarvan er in de ‘diepgravende’ kritiek meer moeten worden geschreven? Of horen dergelijke oppervlakkigheden niet veeleer bij de tamme kritiek waartegen de auteurs van het artikel de aanval lijken in te zetten?
‘Whatcha talkin’ ‘bout Willis?’
In hun artikel stellen De Strycker, Gruwez en T’Sjoen nog de vraag of het debat zo mak is dat we zijn gaan geloven dat een kritisch metadiscours onnodig is. Op basis van onze eigen ervaringen met de kritiek antwoorden wij: ja, het debat is mak en tergend braaf. Op enkele scherpe recensies na, die we in DW B, nY en ondertussen al een tijd geleden op deReactor lazen, durven we stellen dat het slecht gaat met de kritiek. Een verademing en voorbeeld voor ons, is de veel te vroeg overleden dichter en criticus Jeroen Mettes, die vandaag jammer genoeg nog te weinig navolging kent in Vlaanderen.
Hiermee raken we aan een andere vraag, waarop iedere criticus voor zichzelf een antwoord dient te geven: wat is dat nu precies, een goede kritiek? Welke voorbeelden of poëtica’s schuiven de auteurs van het artikel naar voren als antidotum tegen de makheid die ze doen vermoeden?
Uit een interview dat Knack vorig jaar met De Strycker voerde11, kunnen we opmaken dat het soort kritiek dat De Strycker voor ogen heeft ten dele schatplichtig is aan de kritieken van Hans Groenewegen. In het interview citeert De Strycker de volgende uitspraak van Groenewegen:
‘Als openbaar lezer is de recensent een voorlezer. Dan heeft hij de plicht er voorbeeldig op in te gaan. Poëzie die hem niet bevalt, zou hij niet moeten veroordelen, maar zien als een mogelijkheid om inzicht te krijgen op zijn eigen vooroordelen. Anders verdient zijn kritiek een onvoldoende.’12
Conform het beeld van de ‘voorbeeldige’ criticus, concludeert De Strycker dat ‘[d]e schrijver over poëzie moet enthousiasmeren, niet zijn eigen dada’s naar voren schuiven’13. Naast Groenewegen wordt in het interview ook Marnix Gijsen aangeprezen, die volgens De Strycker een hele bundel slecht kon vinden, maar desondanks kon ‘ingaan op dat ene gedicht dat goed was’.
In zijn boek Stem en tegenstem (2004) geeft ook Yves T’Sjoen te kennen dat dezelfde Hans Groenewegen voor hem een goed voorbeeld vormt van de ‘ingewijde lezer’ en poëziecriticus. Zo stelt T’Sjoen dat, althans wat hem betreft, de ‘[e]rgocentrische kritiek’ de ‘beste leesstrategie’ is. Dit soort ‘nauwkeurig lezen’ wordt verwezenlijkt door de lezer die ‘autokritisch [is] in zijn meerzinnige benadering van poëzie’. Het is een lezer die zich ‘steeds bewust [is] van de beperking van zijn blikveld en de diameter van de bijlichtende lichtbundel’.14 Al deze vaardigheden ziet T’Sjoen belichaamd in Groenewegen, de criticus die steeds zorgvuldig interpreteerde en liet zien ‘hoe de tekst zich in de blik van de lezer voltooit’. De Hans Groenewegen die we in T’Sjoens beschrijving ontmoeten vertoont minder gelijkenis met de immer zalvende enthousiasteling die naar voren treedt in De Stryckers beschrijving. Wat de twee typeringen van Groenewegen wel met elkaar delen is een bewondering voor de criticus die als ‘openbare lezer’ belast is met de taak om al interpreterend een gedicht voorbeeldig open te plooien voor de poëzielezer.
Dat zowel Yves T’Sjoen als Carl De Strycker de poëziekritieken van Hans Groenewegen waarderen, hoeft natuurlijk niet te verbazen: Groenewegen behoorde nu eenmaal tot de uitgestorven soort van toonaangevende, gepassioneerde poëziecritici van ons taalgebied. Toch vragen we ons af of de relevantie van de poëziekritiek niet ongedaan wordt gemaakt door de toekomstige critici aan te leren dat veroordeling uit den boze is en de onvermoeibare zoektocht naar ‘het positieve’ veel wenselijker is. Hoewel we deze zalvende houding niet onbedachtzaam mogen verwarren met een anything goes-attitude, zijn we er niet van overtuigd dat principiële, ‘voorbeeldige’ tolerantie iets is waarop de gedegen kritiek zit te wachten. Evenmin zien we heil in een metaliteraire oorlog waarbij alle critici elkaar vanuit hun eigen, onneembare poëticale burchten koppig bestrijden om een gelijk te halen. Dit is, menen we, dan ook zeker niet waartoe De Strycker, Gruwez en T’Sjoen oproepen. Maar zo blijft de vraag natuurlijk wel dezelfde: wat is nu precies diepgravende kritiek? Waarom zijn we dat soort kritiek nu niet aan het schrijven?
‘It’s all in the game though, right?’
In dit opiniestuk willen wij ook op zoek gaan naar een reden voor de weinige aandacht die het genre van de poëziekritiek te beurt valt. In hun artikel ‘It’s all in the family: over poëzie en compagnie’, dat in 2011 op rekto:verso werd gepubliceerd, stellen critici Bart Van der Straeten en Tom Van Imschoot dat de huidige generatie jonge dichters zich heeft genesteld in de comfort zone van het subculturele ‘ons kent ons’ dat volgens hen het hedendaagse poëzielandschap kenmerkt15. Met enige nuance willen wij deze vaststelling onderschrijven. Van der Straeten en van Imschoot zien in het samenhokken een reden voor het ontbreken van een politiek en poëticaal bewustzijn, want ‘niemand legt een ander een strobreed in de weg om te doen wat hij of zij wil doen’. Er is dus te veel vrijheid onder de stolp, en dat heeft gevolgen voor de poëzie die daar wordt geschreven en de manier waarop het metadiscours zich ontwikkelt. Dat de postmoderne generatie, met haar verkeerd begrepen en gesimplificeerde erfenis, daar voor iets tussen zit, willen wij best geloven, maar het is naïef om de vrijblijvendheid die daar het gevolg van is als een vorm van vrijheid te beschouwen.
Meer nog dan die erfenis, speelt volgens ons een geheel andere dynamiek, eigen aan de tijdgeest die op zijn beurt een product is van het neoliberale systeem waarin we leven. Onze spontane reactie op het artikel van De Strycker, Gruwez en T’Sjoen was: ‘Shit, hier moéten we op reageren, maar zouden we niet beter onze mond houden zodat we geen risico lopen onze literaire carrière te aborteren?’
We zijn bang. We zijn bang om mensen tegen de schenen te schoppen en voor eeuwig op het internet met onze uitspraken te worden geconfronteerd. Ik, Mathijs, woon iedere vrijdagochtend de colleges van Yves T’Sjoen bij. Ik, Arno, schrijf recensies voor de Poëziekrant, het poëzietijdschrift waar Carl De Strycker hoofdredacteur van is. Een deel van de informatie die we nodig hadden om dit artikel te schrijven, hebben we gevonden in het documentatiecentrum van het Poëziecentrum. Datzelfde instituut is voor Omfloerst16, het dichterscollectief waar we samen deel van uitmaken, een belangrijke partner bij het organiseren van onze poëzieavonden. We hebben het volste vertrouwen in de professionaliteit van de auteurs, maar waarom dan onze voorzichtigheid en dit metatrucje als voorzorgsmaatregel?
De oude gatekeepers van de poëzie - invloedrijke critici als De Coninck, Fens en ook Groenewegen en Komrij - zijn vandaag vervangen door een ander soort heersers die hun macht in de eerste plaats gelegitimeerd zien door hun positie in de sociale structuur onder de stolp, en minder door hun kennis van en engagement in het metadiscours. (Zou De Coninck hier als overgangsfiguur fungeren?) Die posities vallen deels samen met de postjes die eigen zijn aan een bureaucratische structuur, maar er zijn ook de mensen met tweeduizend Facebook-vrienden, de redacteurs en recensenten die iedere maand over drie tijdschriften verspreid een halve pagina advertorials moeten vullen en vooral de gladde networkers en charismatische pr-genii waarin veel van ons zich bijna als verplicht ontpoppen.
Die metamorfose is voor een deel inherent aan de machtsstructuur van onze literaire wereld: top-down, waardoor we als jonge literatoren eerst de structuur moeten doordringen en ons in functie daarvan aan die structuur moeten aanpassen. Bij dat aanpassen lag de nadruk bij de generaties voor ons meer op intellectuele ontwikkeling, poëticaal en politiek zelfbewustzijn en het deelnemen aan het metadiscours: kortom, waarden die een onderbouwde kritiek mogelijk maken. Die waarden zijn nu niet verdwenen, maar ze hebben hun plek op onze vaandels gedeeld met een door marktdenken geïnspireerde voorzichtigheid. We denken dat deze verschuiving een belangrijke reden is voor de makheid van de kritiek. Daarom zijn we het ook oneens met het verband dat De Strycker, Gruwez en T’Sjoen aanvankelijk willen zien tussen de populariteit van de poëzie en de stille of makke kritiek. Zoals T’Sjoen zelf aangeeft in het boek De Gouddelver (2005), impliceert ‘[b]elangstelling [voor de Nederlandstalige poëzie] evenwel nog geen relevante kritiek’.17. De voorwaarden die beide genres mogelijk maken, verschillen bij nader inzien sterker van elkaar dan we op het eerste gezicht zouden denken.
Onze vaststellingen zijn consequenties van de tijd waarin we leven, en waar wij als dichters en critici mee moeten leren omgaan. Eén manier om dat te doen is met z’n allen een voorzichtig, braaf en mak discours te volgen waarin we elkaar maar niet te hard aanpakken en elkaars poëticale opvattingen relativeren op basis van een gesimplificeerd postmodernisme of een persoonlijke marketingstrategie. Een andere manier is het durven nemen van de risico’s die met een scherpe kritiek gepaard gaan en op een assertieve en respectvolle manier onze twijfels en bedenkingen met elkaar te delen.
Dat we in onze pen zijn gekropen om te reageren op de vragen van De Strycker, Gruwez en T’Sjoen heeft, zoals wel duidelijk is, alles te maken met ons ongenoegen over de milde kritiek, het ontbreken van een degelijk metadebat en onze angst om deze en andere frustraties openbaar te maken. Hoe meer we ons informeren over de staat van de poëziekritiek en haar belangrijkste spelers, hoe meer skeletten er uit de kast vallen. Voorbeelden van inconsistente standpunten en metaliteraire hypocrisie zijn legio, zowel bij onszelf als bij anderen. Nu we eindelijk naar buiten zijn getreden met onze bezwaren en bedenkingen, stellen we onszelf de onvermijdelijke vraag: staan wij hierin alleen? Zijn onze angstreacties volstrekt onbegrijpelijk, of zijn er andere critici en dichters die zich kunnen vinden in onze vaststellingen en de implicaties die ze met zich meebrengen?
Laten we het even concreet maken: Frank Keizer, Maarten van der Graaff, Kila van der Starre, Jeroen Dera, Samuel Vriezen, Matthijs de Ridder, Jeroen van Rooij, Maarten Buser, Michaël Vandebril, Lies Van Gasse, Johan Sonnenschein, Koen Sels, Els Moors, Bart Van der Straeten, Bert Van Raemdonck, Willem Bongers-Dek, Jeroen Theunissen, Hans Demeyer, Laurens Ham en nog vele anderen, jullie zijn allemaal jonge literatuurwetenschappers, dichters en/of critici; hoe denken jullie hierover? Herkennen jullie onze bezorgdheden?
Luuk Gruwez, Carl De Strycker, Yves T’Sjoen, wat is jullie antwoord op de vragen die jullie zelf hebben gesteld? Is de kritiek te mak? En zo ja: wat is dan de kritiek die daar tegenover moet staan? Ieder van jullie bevindt zich in een positie van waaruit jullie invloed kunnen uitoefenen op de manier waarop de kritiek wordt bedreven en het metaliteraire spel wordt gespeeld. Wij willen niets liever dan jullie oproep beantwoord zien, zij het als een reactie op deze tekst, maar liever nog in de vorm van gedegen kritiek en een deelname aan het metadebat. Met dit opiniestuk zetten wij als jonge dichters en critici alvast onze eerste stap.
Van harte, en natuurlijk aan iedereen de groetjes,
Mathijs Tratsaert en Arno Van Vlierberghe
(met dank aan Charles Derre voor zijn eindredactie.)
Motto overgenomen uit de debuutbundel Vluchtautogedichten (2013) van Maarten van der Graaff, p. 44 ↩
Carl De Strycker, Luuk Gruwez en Yves T’Sjoen, “Leve de Poëzie! Waar blijft de kritiek?,” Versindaba (6 februari 2014). Laatst geraadpleegd op 2 maart 2014, http://versindaba.co.za/2014/02/06/carl-de-strycker-luuk-gruwez-yves-tsjoen-leve-de-poezie-waar-blijft-de-kritiek/ ↩
Actiegroep Hoger Onderwijs, “Open Brief,” laatst geraadpleegd op 2 maart 2014, http://actiegroephogeronderwijs.wordpress.com/open-brief/ ↩
Bijvoorbeeld in Stem en Tegenstem (2004) en De Gouddelver (2005). ↩
Uit een column van Luuk Gruwez in De Standaard op 28 mei 2007. ↩
Carl De Strycker, Luuk Gruwez en Yves T’Sjoen, “Leve de Poëzie! Waar blijft de kritiek?,” Versindaba (6 februari 2014). Laatst geraadpleegd op 2 maart 2014, http://versindaba.co.za/2014/02/06/carl-de-strycker-luuk-gruwez-yves-tsjoen-leve-de-poezie-waar-blijft-de-kritiek/ ↩
Zoals te lezen valt in De Standaard der Letteren van 29 november 2013, 10 januari 2014 en 28 februari 2014. ↩
Carl De Strycker, “Dimitri Verhulst: De Laatkomer,” De Leeswolf, nr. 5 (juni 2013): 297. ↩
Carl De Strycker, “B. Zwaal: Oever drinkt oever,” De Leeswolf, nr. 6 (september 2013): 394 - 395 ↩
.
Carl De Strycker, “Poëzie in Vlaanderen is meer dan poëzieverkoop,” Interview door Michiel Leen in Knack, 16 juni 2013. Laatst geraadpleegd op 2 maart 2014, http://www.knack.be/nieuws/boeken/8216-poezie-in-vlaanderen-is-meer-dan-poezieverkoop-carl-de-strycker/article-normal-97633.html ↩
Ibid. ↩
Ibid. ↩
Yves T’Sjoen, Stem en Tegenstem, (Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas, 2004), 16 ↩
Bart Van der Straeten en Tom Van Imschoot, “It’s all in the family: over poëzie en compagnie,” rekto:verso, april 2011. Laatst geraadpleegd op 2 maart 2014, http://www.rektoverso.be/artikel/its-all-family-over-poëzie-en-compagnie ↩
Voor meer info, zie: www.omfloerst.be , www.facebook.com/omfloerst en www.twitter.com/omfloerst ↩
Yves T’Sjoen, De Gouddelver, (Tielt: Lannoo, 2005), 9 ↩

















