Aan kant gezet bij afgesleten inboedelĀ toont haar springveren binnensteĀ het wel en wee van een oude matras.Ā āt Kapok laat plots geheimen losĀ en in haar bobbelige noppenĀ kroppen refreinen en duetten:Ā Kom liefste, trek je nogĀ niet terug. Tast mij afĀ of ik opnieuw een vreemde benĀ die je de weg vraagt naar vandaag āĀ Ik wil verdwijnen binneninĀ een rauw lichaam klapwiekenĀ als in een onderzeese grot.Ā Zo vogelvlug, met korte stoten,Ā klonk dit duet als een duelĀ als middenin een afgekuste stilteĀ een stem, haast verstikt, opveerde:Ā āGa jij eerst dood, dan volg ik wel . . .āĀ Kom liefste, haal mij inĀ zoals een slak haar voelhorentjes.Ā Ik wil het licht niet zienĀ dat in mijn ribben fluit ā Steek vlug mijn kromgeslotenĀ lijf in brand: nog ƩƩn zuchtĀ en de fleur is eraf.
Lucienne Stassaert, Afscheidsliedjes




