De route naar expertise volgens prof. dr. Peter Beek
Op de opleiding "master coach in sports" van NOC*NSF hadden we onlangs het genoegen een dag te mogen leren van prof. dr. Peter Beek. Peter is werkzaam op de faculteit der bewegingswetenschappen (afdeling bewegingsgedrag) van de Vrije Universtiteit Amsterdam en doceerde die dag over motorisch leren en elementen die te maken hebben met het begrip "expertise". Hieronder volgt een samenvatting van deze elementen.
“Expertise” kan gedefinieerd worden als het vermogen consistent een superieure prestatie te leveren op een bepaalde taak of groep van taken. Een expert is een persoon die beschikt over dit vermogen.
Als men de totstandbrenging van superieur uitgevoerde complexe taken aan een nadere beschouwing onderwerpt, dan ziet men dat er vaak sprake is van een lage variabiliteit in het resultaat of uitkomst van de taak die vaak gepaard gaat met een aanzienlijke variabiliteit in de uitvoering.
Hoe het mogelijk is dat een expert ondanks een aanzienlijke mate van variabiliteit in de uitvoering toch komt tot een lage variabiliteit in het resultaat wordt door prof. dr. Peter Beek uiteengezet aan de hand van drie principes: taaktolerantie, co-variatie en ruisreductie.
1. Taaktolerantie
De meeste taken hebben meerdere succesvolle oplossingen. Zo zijn bij het het schieten van een basketbal op een basket meerdere baltrajecten die ertoe leiden dat de bal in de basket belandt (de diameter van de bal is kleiner dan die van de basket, zodat er een bepaalde bandbreedte (taaktolerantie) bestaat voor een succesvol schot; bovendien zijn er diverse trajecten via het bord die leiden tot succes). Een expert is beter in staat dan een niet-expert om de diverse oplossingen die een taak verschaft te benutten.
2. Co-variatie
Bij de uitvoering van taken zijn steeds meerdere taak- of uitvoeringsvariabelen aan de orde die moeten worden gecontroleerd. Zo is bij het schieten op de basket de driedimensionale positie van het loslaten van de bal ten opzichte van de basket alsmede de snelheid van de bal in drie dimensies en de bijbehorende hoeken van loslaten bepalend voor succes en falen. Elke combinatie van uitvoeringsvariabelen kent een specifieke uitkomst: er is sprake van een zogenoemde oplossingsruimte. Als de ene waarde in de oplossingsruimte verandert, kan deze worden gecompenseerd door een aanpassing in een andere waarde (co-variatie), waardoor een succesvolle uitkomst gegarandeerd blijft. Zo kunnen wisselende combinaties binnen de uitvoering van de taak toch steeds tot dezelfde uitkomst (in termen van succes of falen) leiden. Een expert weet impliciet hoe de familie van oplossingen die tot tot succes leidt eruit ziet; hij of zij 'kent' de oplossingsruimte van een taak beter en weet deze beter te benutten dan een beginnende of gevorderde speler. Tijdens het leren uitvoeren van een taak leert de sporter de taakvariabelen zodanig met elkaar te variëren dat de taakprestatie allengs beter wordt.
3. Ruisreductie
Er zijn ook toevalsvariaties in de taak- of uitvoeringsvariabelen, die de taakprestatie in nadelige (en soms ook in positieve) zin kunnen beïnvloeden. Door deze toevalsvariaties te verkleinen (ruisreductie) kan een consistentere taakprestatie worden gerealiseerd.
Alledrie de genoemde aspecten spelen naast elkaar een rol bij het verwerven van expertise in het uitvoeren van een complexe taak.
Bovenstaande zienswijze kan praktische implicaties hebben voor de dagelijkse (training)praktijk. Het is aan de trainers om de training zodanig in de richten dat sporters door oefening een niveau van expertise kunnen ontwikkelen.









