(Zij was een hartenbreker, de beste. En ik heb altijd al geweten dat jij dat ook bent, al voordat ik je zag, echt zag. Maar je moet weten dat ik al niet meer weet hoe vaak ik al zo af en toe rokend en altijd alleen een en dezelfde gesprek met je heb gevoerd in mijn hoofd. Dit keer wil ik mijn gedachtes niet in galmende gitaren verstoppen. En al begrijp ik het nog niet helemaal, ik schrijf hier omdat ik niet weet hoe ik stiltes moet breken die ik zelf niet gecreëerd heb, en omdat ik nog altijd bang ben, maar dat niet wil zijn. Ik miste treinen, en dus jou. En nu is het te laat. En ik baal dat ik je nu nog langer zal moeten verzinnen dan ik dacht. Dat ik je nog steeds niet vertellen kan wat ik eigenlijk allang al had moeten uitspreken. Het is gek hoe ik mezelf erop betrapte dat ik nog steeds naar rechts staar als ik naar de bus loop, en langs het huis kom waar jouw naam naast een deurbel geschreven staat, terwijl je daar helemaal niet woont. Soms mis ik dan zelfs weleens de bus.
Ik vraag om niets, dat durf ik niet, (wil ik wel), maar ik hoop je snel te zien, en mijn laatste waarheid aan je te geven.
Ik vraag je wel volop te genieten van de sterren onder de nieuwe hemel waar je nog nooit eerder sliep, het is je meer dan gegund. En tot snel).