Misgelopen
mis·lo·pen (liep mis, is misgelopen) 1 zo lopen dat je iem. of iets niet treft, ontmoet; verkeerd lopen 2 niet krijgen: de beloning mislopen 3 mislukken Wat warmte verwacht Werd koel kil onthaald En kon niet verzacht Werd onjuist vertaald
Helaas niet begrepen Vroegtijdig afscheid Elkaar misgelopen Een eeuwigheid spijt













