Het idee, van het kleine jongetje, over de hemel was verhelderend. Hij kon zo mooi vertellen over zijn belevenissen en zijn gevoelens. Hij vertelde me over de hemel. Hij beschreef het als magisch. Een magische plek voor mensen die het leven op aarde niet meer aan konden. Geen hel. Geen kwaad. Overal is vrede. Mensen doen normaal en lief. Zijn blik werd somber toen ik aan hem vroeg hoe hij dat allemaal al wist. Ik had hem een jaar of zes geschat en was erg benieuwd. Hij praatte wijs en het was zeker geen dom kind. Maar het leek alsof hij zelf al honderd keer dood was gegaan. Zo gedetailleerd kon hij het beschrijven. Zo gevoelig. Zo mooi. Een golf van kippenvel gleed over mijn rug toen er woorden uit zijn mond stroomden. Een verhaal over dat zijn moeder was overleden. Zijn allerliefste moeder. Hij woonde bij andere mensen want een vader had hij niet. Een vader wilde hij niet hebben. Hij had er geen behoefte aan, zei hij. Hij vertelde hoe hij op bezoek ging bij zijn moeder β in de hemel. Het liefst wilde ik hem even heel stevig vastpakken. Daar stond hij. Het kleine jongetje. Zijn blonde krullen vielen voor zijn ogen en hij frunnikte aan de knopen van zijn donkerblauwe jas. Verdrietig gezicht met ergens een vleugje van geluk. Hij was gelukkig. Hij was blij. Niet met het feit dat zijn moeder er niet meer was maar meer met het feit dat hij nog wel gewoon kind kon zijn. Ik knielde bij hem neer en stak mijn armen naar hem uit. Hij zette een stap naar voren en ik sloot hem in mijn armen. Dit verdiende hij. Hij verdiende alle liefde van de wereld β ik wilde het hem zo graag geven maar ik was niet de aangewezen persoon. Ik was ook maar gewoon een kind. Met een zachte stem fluisterde hij een boodschap in mijn oor en er verscheen een glimlach op mijn gezicht. Hij moest naar huis. Als ik meer tijd had gehad, was ik met hem meegelopen. Zoβn lief jongetje. Als ik meer mogelijkheden had gehad, had ik hem liefde gegeven of nog een knuffel. Er werd een hand naar me uitgestoken en ik pakte hem stevig vast. Nog een laatste, wel verdiende, knuffel. Een zwaai. Een kinderlijke stem die gedag zei. Een stilte. Een gedachte. Een gedachte aan het jongetje. Vier dagen later kreeg ik te horen dat het jongetje was overleden. Onder de auto gekomen. Tranen sprongen in mijn ogen en ik snelde naar de plek waar ik het jongetje gezien had. Ik knielde neer en het voelde alsof ik hem weer in mijn armen hield. Door mijn tranen heen keek ik naar de hemel. Hij was weer bij zijn moeder. Dat was hij zo graag wilde.










