Plus: Facebook fights fake news in Mexico ahead of the election, and a large majority of Republicans believe that social media platforms are censoring some political views.
seen from United States
seen from United States
seen from United Kingdom
seen from TĂŒrkiye
seen from TĂŒrkiye

seen from Canada

seen from United States
seen from United States
seen from United States
seen from United States
seen from China

seen from United States
seen from Netherlands
seen from Russia
seen from United States

seen from United States
seen from Finland

seen from United States
seen from China
seen from TĂŒrkiye
Plus: Facebook fights fake news in Mexico ahead of the election, and a large majority of Republicans believe that social media platforms are censoring some political views.

Anya is live and ready to show you everything. Watch her strip, dance, and perform exclusive shows just for you. Interact in real-time and make your fantasies come true.
Free to watch âą No registration required âą HD streaming
Une plaquette sur la recherche d'information
Une plaquette sur la recherche dâinformation
Jâai proposĂ© au CNED une plaquette sur la #recherche dâinformation Ă destination des personnes dĂ©sireuses de passer le capes interne en infodoc. Je vous propose ici lâintroduction et le sommaire. Rechercher de lâinformation est perçu aujourdâhui comme une action banale. Câest, en 2011, la premiĂšre pratique des internautes selon lâanalyse du cabinet amĂ©ricain Comscore. En 2014, lâagence DomoâŠ
View On WordPress
Patterns of blended information behaviour in Second Life
Patterns of blended information behaviour in Second Life
This research presentation was given by Sheila Webber at the i3 conference in Aberdeen on 27 June 2013. It presents results from analysis of interviews of information behaviour related to activities
View On WordPress
Conferencia internacional que reĂșne especialistas de diferentes ĂĄreas preocupados com a questĂŁo do Comportamento Informacional / Information Behaviour
Permanent Website for the ISIC series of conferences
This is a lecture by Peter Ingwersen, professor in Royal School of Library and Information Science in Copenhagen.
The lecture introduces the so-called Laboratory Research Framework which is centered around the IR search engine and the document space of the IR system. This mainstream framework is user and context free and does rarely look into interface design and real IR interaction â only in the form of simulations in the laboratory. In contrast, the integrated cognitive perspective attempts to encompass the historically anti-lab approach of user-oriented IR, information seeking and the Laboratory Framework.

Anya is live and ready to show you everything. Watch her strip, dance, and perform exclusive shows just for you. Interact in real-time and make your fantasies come true.
Free to watch âą No registration required âą HD streaming
Summary
"Alfred Schutz, phenomenology and research methodology for information behaviour research" - T.D. Wilson
Central issue: âOver recent years more attention has been devoted to research methods than to the underlying methodological principles of different research frameworks. I believe that Schutzâs attempts to create a phenomenological sociology provide us with a useful framework to guide research into peopleâs information behavior [1] and, thereby, to guide us to the choice of appropriate methods.â (TDW, p.10-11)
Methodology   > â(âŠ) provides the philosophical groundwork for methods.â (TDW, p.7)               > âTo state oneâs methodological position is to describe oneâs view of the nature of reality (âŠ).â (ibid.)
(Husserl) Phenomenology = â(âŠ) to study how human phenomena are experienced in consciousness, in cognitive and perceptual acts, as well as how they may be valued or appreciated aesthetically.â (ie. â(âŠ) seeks to understand how persons construct meaning (âŠ)â) (TDW, p.1)    > implies understanding the phenomena in the âlivedâ context                > intersubjectivity: â(âŠ) we experience the world with and through others.â (ibid.)
(Schutz) â(âŠ) in the social sciences, one is dealing with âresearch objectsâ that are themselves interpreting the social world that we, as scientist, also wish to interpret. People are engaged in an on-going process of making sense of the world, in interaction with their fellows and we, as scientists, are seeking to make sense of their sense-making.â (TDW, p.3)   > developing of models of human action (postulates of: logical consistency, subjective interpretation and adequacy[2])
â(âŠ) knowledge is derived from peopleâs practical experience of the world.â (TDW, p.4)   > Social distribution of knowledge according to type (classification based on system of relevance: âman on the streetâ, âthe citizen who aims at being well-informedâ, âthe expertâ)                > âClearly, most people, and perhaps all people, exemplify these different types at different times and in different circumstances.â (TDW, p.5)   > Sources of socially-acquired knowledge (eyewitness, insider, analyst, commentator [3])
>> Characteristics of phenomenological research:   - Within phenomenological research â(âŠ) the mode of analysis will vary, of course according to the theoretical perspective of the researcher, or (âŠ) the theoretical perspective that arises out of the data.â (TDW, p.8)   - â(âŠ) phenomenology is not a hypothesis testing mode of research, (...) nor is it one that must be guided by theoretical models. Rather, one is urged to get as close as possible to what the participants in the behavior of interest are experiencing.â (TDW, p.9)
  [1] ââInformation behaviorâ is the currently preferred term used to describe the many ways in which human beings interact with information, in particular, the ways in which people seek and utilize information. Information behavior is also the term of art used in library and information science to refer to a sub-discipline that engages in a wide range of types of research conducted in order to understand the human relationship to information.â (Bates, Marcia J. (2010) Information Behavior In Encyclopedia of Library and Information Sciences, 3rd Ed. Marcia J. Bates and Mary Niles Maack, Eds. New York: CRC Press, vol. 3, pp. 2381-2391.)
[2] This last postulate can serve to formulate a remark concerning the following quote in the text: â(âŠ) the social scientist assumes the position of the disinterested observer. Her or she is not involved in the life of those observed (âŠ).â (TDW, p.3) The postulate of adequacy dictates that â(âŠ) the constructs created by the researcher should be understandable by the individual social actor and his/her fellows. Compliance with this postulate ensures that the scientific constructs are consistent with the constructs of common-sense experience of the social world.â (TDW, p.3-4) I would like to elaborate on this by quoting from my own previous work (in dutch):
Pedagogiek, een bijzondere wetenschap
âHet is niet juist, te stellen dat we onze beschrijvingen veranderen en dat als een gevolg daarÂvan onze ervaring zich wijzigt. Eerder is het zo dat bepaalde wijzen van ervaren niet mogelijk zijn zonder bepaalde wijzen van zelfbegrip. Juist omdat deze articulaties vorm geven engageren ze onze verantwoordelijkheid, terwijl objectieve beschrijvingen van wat we verlangen dit niet doen. Zo blijken we verantwoordelijk voor wat we doen Ă©n voor wie we zijn. We worden ook steeds tot een radicale re-evaluatie van onze waarderingen gedwongen, omdat geen ervan gezien wordt als voor eens en voor altijd vastgelegd.â
(Smeyers, 2000, p. 41)
In wat volgt wil ik de aangeduide tegenstellingen verder aan de kaak stellen en onderzoeken wie de pedagoog is en wat hij doet door een wetenschapsfilosofische benadering weer te geÂven van de pedagogiek, haar onderzoeksobject en de wisselwerking tussen beide voor te stelÂlen. Om de bijzondere wisselwerking tussen de pedagogiek en haar onderzoeksobject â datÂgene wat in wezen de sociale wetenschappen in het algemeen karakteriseert â niet enkel in een abstract, maar ook in een concreet beeld te kunnen uitdrukken, zal ik gebruik maken van een voorstelling van de publieke ruimte en het menselijke handelen dat zich daarin voltrekt zoals ontwikkeld door Verschaffel. Ik zal trachten uiteen te zetten waarom dit beeld van toeÂpassing is op de sociale wetenschappen, de pedagogiek in het bijzonder. Hierdoor zal duidelijk worden dat de sociale wetenschappen â integenstelling tot de natuurwetenschappen â op een bijzondere manier deel uitmaken van hun onderzoeksdomein, dat hun onderzoek hierdoor nooit ten einde is en dat de waarachtigheid van hun observaties daarom bijzonder tijdelijk en relatief is, doch in geen geval zinloos en waardeloos. Het beeld dat Verschaffel presenteert is het volgende: âModerne burgerlijke samenlevingen hebben het sociale leven verdeeld in verÂschillende velden die elk hun officiĂ«le logica en hun specifieke doel hebben. (âŠ) De autonomie van deze velden is relatief en moet steeds worden onderhandeld met belendende of overlapÂpende velden. Zij is tot op zekere hoogte een fictie, maar zij opent telkens wel een speelveld waarbinnen een welbepaalde logica geldt. Deze logica bepaalt waarop men zich, met uitsluiÂting van ĂĄndere argumenten, mag beroepen. De spellogica is steeds opgelegd en werkt alsof, want binnen elk veld werken de facto steeds ĂĄndere krachten en motivaties. De opgegeven redenen en doelen zijn altijd dekmantels en excuses. (âŠ) De zaak is echter dat men binnen het spel die feitelijk werkzame redenen niet kan inroepen. Men moet ze tenminste kunnen verstopÂpen en daar bovenop geloofwaardige argumenten bedenken die gelden binnen het spel. (âŠ) In de westerse burgerlijke cultuur wordt het bestaan van deze autonome velden verzekerd door ze te institutionaliseren: ze zijn het voorwerp van wetsregels en beroepscodes en ze worden verÂbonden met posities en ambten of verantwoordelijkheden.â (Verschaffel, 2004, p. 5)
De wetenschap[i] kan terecht als een autonoom veld binnen de samenleving worden beÂschouwd. Een argument voor deze stelling zit in het karakter van de menswetenschappen. Gesteld kan worden dat de menswetenschappen zich onderscheiden van de praxis, die het primaire object van hun onderzoek is, door hun gerichtheid op een zekere vorm van abstractie van de werkelijkheid die ze onderzoeken. Een gerichtheid die ze overigens delen met de naÂtuurwetenschappen[ii]. Dat de menswetenschappen zich echter op een eigenaardige manier verhouden ten aanzien van de natuurwetenschappen en de wetenschap in het algemeen, is een vaststelling waar niet om heen gegaan kan worden. Het onderzoeksdomein van mensweÂtenschappen is namelijk het publieke domein met haar vele velden, zoals beschreven door Verschaffel, en bevat daarom tevens de niet of minder zichtbare âkrachten en motivatiesâ die op het menselijk handelen â de sociale praxis â binnen dit publieke domein inwerken.
Het menselijke handelen verhoudt zich hierbij als een reactie ten aanzien van het door het individu geĂŻnterpreteerde handelen van andere individuen. De kennis, verworven uit de disciÂpline van de menswetenschappen, leidt tot de bestendiging of hervorming van het begrip van dit menselijk handelen aanwezig bij het individu. Op deze manier beĂŻnvloeden de menswetenÂschappen â al dan niet rechtstreeks â interpretatie van het handelen en dus het handelen zelf. Zo maken de menswetenschappen als domein binnen de werkelijkheid zelf deel uit van de werkelijkheid die ze trachten te bestuderen.
Het unieke aspect van de menswetenschappen houdt met andere woorden verband met de vaststelling van Taylor dat âde wijze waarop wij onszelf interpreteren ten dele constitutief is voor onze ervaringâ, omdat âbepaalde wijzen van ervaren niet mogelijk zijn zonder bepaalde wijzen van zelfbegripâ. (Smeyers, 2000, p. 41)Een uitspraak die aansluit bij Quineâs betekenisholisÂtische visie op wetenschap. âDe inhoud of betekenis van een individuele term of uitspraak bestaat volgens hem [Quine] niet uit de simpele verwijzing naar een ding of feit zelf, maar vloeit voort uit het geheel van samenhangende uitspraken van de theorie. De consequenÂtie daarvan is dat als een theorie radicaal verandert, ook de betekenis van de gebruikte termen â zelfs die van termen die naar waarneembare zaken of gebeurtenissen verwijzen â kan veranÂderen. We zijn er daarom niet zeker van dat die termen voor en na theorieverandering nog wel naar dezelfde dingen of feiten verwijzen. Radicale verandering van theorieĂ«n gaan met andere woorden gepaard met een verandering van de ontologie, met een verandering van datgene wat er volgens die theorie en degene die haar accepteren bestaat.â (Leezenberg & de Vries, 2005a, p. 86)
Leezenberg en De Vries stellen dat de consequentie van Quineâs uitspraak tegen-intuĂŻtief is indien benaderd vanuit alledaags taalgebruik. Tot op zekere hoogte lijken zij te stellen dat dit ook geldt wanneer de kentheoretische erkenning van het bestaan van een noumenale werkeÂlijkheid buiten menselijke waarneming en interpretatie in beschouwing wordt genomen[iii]. Desalniettemin is het hun overtuiging dat deze tegen-intuĂŻtieve gedachte en de uitwerkingen hiervan aan de basis liggen voor het ontstaan en de ontwikkeling van de geestes- en mensweÂtenschappen. (Leezenberg & De Vries, 2005b) Dit betekent dat de menswetenschappers zich genoodzaakt zullen zien de uitspraak van Taylor (en zo ook de gedachte van Quine) als basisÂpremisse te onderschrijven, indien zij recht willen doen aan de eigenheid van hun onderzoeksÂobject. Wetenschappelijk onderzoek van het menselijke handelen dat interpretatie veronachtÂzaamd en dus enkel uiterlijk gedrag onderzoekt en beschrijft zonder oog te hebben voor beteÂkenisverlening, lijkt niet in te zien dat wetenschap zelf het toonvoorbeeld is van betekenisverÂlening in en door menselijk handelen. Zulke wetenschap levert, aldus Taylor, ongeloofwaardige theorieĂ«n op die hoogstens behandelen âwat voor iedereen reeds duidelijk en vanzelfsprekend isâ. (Smeyers, 2000, p. 39) Dit verdient verdere toelichting.
âNormale wetenschap wordt gekenmerkt door een verregaande overeenstemming onder de beoefenaars van een specifiek vakgebied. (...) Zodoende wordt normale wetenschap volgens Kuhn beheerst door wat hij een paradigma noemt. (...) In deze brede zin omvat een paradigma het geheel van theoretische en methodologische begrippen, overtuigingen en verwachtingen, en zelf metafysische veronderstellingen en wetenschappelijke waarden, dat een gemeenschap van vakgenoten erop nahoudt. (...) In deze bredere zin komt het begrip paradigma in de buurt van conceptueel kader, wereldbeeld, of wat specifieker, van een globale opvatting over wat wetenschap, en met name goede wetenschap, uitmaakt. (...) Naast deze beheersing door een paradigma heeft normale wetenschap volgens Kuhn nog een ander belangrijk kenmerk. Anders dan Popper het voorstelt proberen de wetenschappers die erin werken niet om enige theorie te weerleggen, maar integendeel juist om de bestaande theorieĂ«n in meer detail uit te werken en te verfijnen. (âŠ) Het heeft (âŠ) geen enkele zin om bij het eerste het beste probleemgeval of tegenvoorbeeld je theorie maar op te geven: we hebben nu eenmaal niets beters voorhanden. (...) AnomalieĂ«n kunnen leiden tot nieuwe ontdekkingen, die men zal proberen in het bestaande paradigma in te passen. Het kan echter voorkomen dat zulke anomalieĂ«n langdurig weerstand blijven bieden aan pogingen tot inpassing in de bestaande theorie, of dat zich steeds nieuwe anomalieĂ«n voordoen. In zulke omstandigheden kan er gevoel van crisis ontstaan, ofwel een wijdverbreid en onbehaaglijk gevoel dat er iets wezenlijk mis is met het bestaande paradigma. (...) een nieuw paradigma zal pas de overhand krijgen wanneer het een elegante en veelbeloÂvende oplossing geeft voor de anomalieĂ«n van zijn concurrent.â
(Leezenberg & de Vries, 2005a, pp. 90-93)
Ongeacht hun verschillende overtuigen zijn heel wat wetenschapsfilosofen het er over eens dat de wetenschap een domein is binnen de samenleving waar aan betekenisverlening wordt gedaan. Denkers als Kuhn en Popper vullen de gedachte dat de wetenschap een zo getrouw mogelijke beschrijving van of verklaring voor gebeurtenissen in de werkelijkheid tracht te geÂven aan met de idee dat ze om dit doel te bereiken een zo breed mogelijke verspreiding proÂbeert te verwezenlijken. Of het nu gaat om verificatie en verfijning of falsificatie en herwerÂking; het beoefenen van wetenschap blijkt ten dele te bestaan uit het over de tong laten rollen van ideeĂ«n en theorieĂ«n om deze vervolgens met zoveel mogelijk eens- en andersgezinde individuen te bediscussiĂ«ren.
Deze verbalisatie en verspreiding is een belangrijk aspect binnen het domein van de mensweÂtenschappen. Integenstelling tot Kuhn, meen ik dat de beperkte verspreiding van het wetenÂschappelijk paradigma, met name enkel onder wetenschapsbeoefenaars, vrijwel onmogelijk is binnen de menswetenschappen. âIn de menswetenschappen streeft men, aldus Wittgenstein, een inzicht na in de inhoud en het waarom van onze handelingen. Het begrijpen dat dat opleÂvert moet dan ook gelijkaardig zijn aan het begrijpen dat in die praxis zelf aanwezig is (Winch, 1958/1990, p. 89 ev.)â (Smeyers, 2000, pp. 38-39) Wetenschappers die opereren binnen dit domein en aandacht hebben voor het proces van betekenisverlening â dat immanent aanwezig is in het menselijke handelen â zullen zich dus genoodzaakt zien om hun theoretische uitwerÂkingen eveneens voor te leggen aan de personen die zij onderzochten. Daar betekenisverleÂning een proces is dat zich in voorname mate aan het oog onttrekt, zijn de onderzochte persoÂnen zelf immers de enigen die kunnen verifiĂ«ren of de beschrijvingen van het proces enig hout snijden.
Deze feedbackloop in combinatie met de stelling van de Taylor bezorgt de menswetenschapÂpen haar unieke positie. Het voorleggen van de ontwikkelde theorieĂ«n zet namelijk aan tot denken; los van het feit of die theorieĂ«n al dan niet nieuwe inzichten bevatten voor de onderÂzochte personen. Dit denken houdt een interpreteren van het Zelf in. Een interpretatie die dezelfde kan zijn als voorheen, of die door gewijzigde omstandigheden (zoals de deelname aan een wetenschappelijk onderzoek of het lezen van het onderzoeksrapport) in meerder of minÂdere mate kan verschillen van de oorspronkelijke interpretatie van het Zelf die in het betrefÂfende onderzoek voorop stond. De impact van zo een gewijzigde interpretatie kanâbenaderd vanuit Taylors stellingâdermate ingrijpend zijn dat ze pogingen tot verificatie of falsificatie van de theorieĂ«n net onmogelijk maakt of ze bij voorbaat tot onnauwkeurigheid, onvolledigheid of complete incorrectheid veroordeelt. Deze paradoxale positie maakt van theorievorming binÂnen de menswetenschappen een tentatief gebeuren. Enige bescheidenheid en nederigheid mag zelfbewuste wetenschappers binnen dit domein dus niet vreemd zijn.
Het bedrijven van wetenschap is zodoende niet enkel een voorbeeld bij uitstek van betekenisÂverlening, maar ook van menselijk handelen. Het verloop en de inhoud van wetenschappelijk onderzoek wordt net als het menselijk handelen mede bepaald door twee factoren, meerbeÂpaald: het aanwezige zelfbegrip en het heersende paradigma. Het verband tussen Taylors notie âzelfbegripâ en Kuhns notie âparadigmaâ kan verduidelijkt worden aan de hand van het eerder aangehaalde beeld van het handelen in de publieke ruimte ontwikkeld door Verschaffel. Het zelfbegrip is dan waar Verschaffel het over heeft wanneer hij spreekt over âonzichtbare krachten en motivatiesâ, terwijl het paradigma gelijkgesteld kan worden aan wat Verschaffel de spellogica noemt. Als deze gelijkschakeling opgaat dan kan op basis van Verschaffelâs beeld van het handelen in de publieke ruimte gesteld worden dat zowel binnen de samenleving die de wetenschapper onderzoekt, als binnen het wetenschapsveld dat hij betreedt, het zelfbegrip en het paradigma elkaar kunnen beĂŻnvloeden en overlappen, doch niet noodzakelijkerwijs met elkaar samenvallen.
âDe methode van elke wetenschap bestaat erin, oplossingspogingen voor haar problemen te ondernemen.â
(Smeyers & Levering, 2000, p. 13)
Wat het bedrijven van de wetenschap door de menswetenschappers, en dus ook de pedagoog, tot een bijzondere vorm van menselijk handelen maakt is het feit dat het kenbaar maken van het resultaat van hun onderzoek niet de enige, en zeker niet de eerste interactie is met Andere individuen. Net zoals in elke wetenschap het geval is vangt het werk van de menswetenschapÂpers aan bij het vaststellen van een probleem. De probleemstelling is een constructie op basis van een interpretatie van de wetenschappers, of ook: een beoordeling van de werkelijkheid[iv]. Het is mogelijk te stellen dat de eerste handeling van de menswetenschapper â die tenslotte een reactie is op het handelen van Anderen â het problematiseren van een bepaalde situatie is. Dit ongeacht het feit dat de menswetenschapper zijn probleemstelling zal moeten voorlegÂgen aan dan nog te onderzoeken personen en pas daar in interactie treedt.
Het handelen van de pedagoog als wetenschapper blijkt dus van bij aanvang[v] te berusten op diens beoordelingsvermogen. Wat betreft de pedagogiek wordt dit oordeel mede ingegeven door de heersende paradigmaâs binnen de pedagogische wetenschappen en binnen de saÂmenleving. Deze heersende paradigmaâs bepalen in voorname mate wat respectievelijk âgoede wetenschapâ en âgoede ontwikkeling en opvoedingâ is. Als onderzoeker binnen een bepaald onderzoeksveld geeft de pedagoog zo reeds bij het ontwikkelen van een probleemdefinitie blijk van een zekere bevooroordeeldheid. Zijn oordeel berust immers op het dominante oorÂdeel binnen de pedagogische wetenschappen over âwelke vragen geldig zijn en de criteria waaraan hun beantwoording moet voldoenâ. (Smeyers, 2000, p. 46) Het paradigma dat men aanhangt is bepalend voor de validiteit van het instrumentarium, de onderzoeksmethodieken en de onderzoeksresultaten. De schijnbare âobjectiviteitâ is dus in werkelijkheid eerder âsubjecÂtiviteitâ. Tevens berust de probleemstelling ook op een oordeel van de samenleving en pedaÂgogische wetenschappen over âde verantwoording van wat op een bepaalde wijze is, maar waarvan men aanneemt dat het ook anders had kunnen zijnâ. (Smeyers, 2000, p. 47)
De aanname dat het ook anders had kunnen zijn â en dat in de toekomst mogelijks daadwerÂkelijk zal zijn â lijkt evenwel niet enkel ingegeven te zijn door de paradigmaâs. Deze gedachte kan namelijk ook beschouwd worden als een rudimentaire verwoording van het zelfbegrip van de menswetenschappers. De vereenvoudigde bewoording verhult evenwel het feit dat het zelfbegrip haar lading op twee niveaus dekt. Met de verwijzing naar datgene wat anders had kunnen zijn wordt immers gedoeld op het menselijke handelen; dat wat zowel object is van het onderzoek van de menswetenschappers, als waartoe het handelen van de menswetenÂschappers als onderzoekers zelf behoren. Of nog: als deel van hun onderzoeksdomein kunnen de menswetenschappers zichzelf dus onder beschouwing nemen en dit op twee manieren.
Zodoende omvat het zelfbegrip van de menswetenschappers enerzijds de initiĂ«le interpretatie van het menselijke handelen verricht door henzelf. Met het oog op het paradigma evalueren zij of hun handelen al dan niet beantwoordt aan de verwachtingen van het veld waarbinnen ze zich bewegen, zijnde de menswetenschappen en de samenleving. Dit gedeelte van het zelfbegrip impliceert een oordeel over de validiteit en overlapt dus met het gehanteerde paradigma. Dit is niet onbelangrijk, daar het paradigma of de spellogica tenslotte datgene is wat in Verschaffels voorstelling de ruimte doet ontstaan waarin sociale interactie als menseÂlijke handeling mogelijk wordt. Dit zelfonderzoek houdt dus een erkenning in van paradigmaâs als noodzakelijke basis voor sociale interactie[vi].
Anderzijds omvat het zelfbegrip van de menswetenschappers interpretaties op een niveau dat de directe terugkoppeling naar de publieke ruimte overstijgt. Op dit niveau worden heersende paradigmaâs kritisch benaderd. Er wordt overwogen of het handelen ook tot een andere paradigma kan behoren en of het heersende paradigma en het overeenstemmende handelen een afdoend antwoord kunnen bieden op hetgeen zich voltrekt in de publieke ruimte. Hier voeren de menswetenschappers dus een zelfonderzoek uit dat in essentie overeenstemt met het onderzoek dat zij op Anderen uitvoeren. De menswetenschappers worden waarlijk tot hun eigen onderzoeksobject, waarbij hun handelen ten aanzien van de Anderen onder de loep wordt genomen. Er kan daarom sprake zijn van een metaniveau in het zelfbegrip van de menswetenschappers.
Menswetenschappers â en dus ook pedagogen â die hun rol als wetenschappers ernstig neÂmen stellen niet enkel ten aanzien van situaties in de samenleving, maar ook ten aanzien van hun eigen aandeel in deze situatie de vraag âof de zaken niet anders kunnen zijnâ. Een vraag zonder dewelke wetenschappelijk onderzoek in zeker zin een zinloze onderneming zou zijn. Het is immers enkel datgene wat nog niet mogelijk is â het andere â dat mogelijk kan worden. (Derrida, Comme Si c'Ă©tait possible, 1998, p. 515) Het is slechts door de vraag te stellen naar het andere, het onmogelijke, dat nieuwe oplossingsmogelijkheden kunnen gevonden worden.
(Vlieghe, J. (2010) De paradox van seksuele vrijheid, openheid en tolerantie â Een wijsgerig-pedagogische analyse van seksualiteit en de rol van seksuele opvoeding en de pedagoog als deskundige)
[3] â(âŠ) someone who does not share my system of relevances, but who has collected information in the same way as the analyst and has presented that information in such a way that I can form âa sufficiently clear and precise knowledge of the underlying deviating system of relevancesâ.â (TDW, p.6) >> cf. Worked Examples (J.P. Gee)
[i] Welke geassocieerd wordt met een zekere deskundigheid of expertise.
[ii] Of de menswetenschappen al dan niet een niche binnen het autonome veld van de wetenschap inneÂmen of eerder als een autonoom veld op zich dienen te worden bekeken is een discussie die ik hier niet wens te voeren.
[iii] Zoals ondermeer Kant dat doet wanneer hij in zijn wetenschapstheoretische benadering van de werkeÂlijkheid spreekt over het bestaan van een fenomenale wereld en deze aanduidt met het concept âDing an sichâ. (Kant, Kritik der reinen Vernunft, 1781)
[iv] In het geval van de menswetenschapper: de sociale werkelijkheid.
[v] Zelfs voor enige interactie tussen hem en de onderzochte individuen tot stand komt.
[vi] Dit verwijst ook naar de conformerende houding van het individu ten aanzien van de samenleving â de vrijwillige repressie â die reeds uitvoerig in dit werk besproken werd aan de hand van ondermeer de ideeĂ«n van Freud.