“Ja,” zegt Jan.
“Hoezo dan?” vraagt Lies.
“Nou, zoals gewoonlijk.”
“Oh. Maar hoe moet het dan met...”
“Gewoon, negeren.”
“Oh.”
De pannenkoeken zijn lekker dik, zoals hun oma die altijd maakte. Geen fruit of andere onzin, gewoon boter en bruine suiker.
In de auto luisteren ze naar Clouseau. Ironisch, beweren ze, maar ze kennen wel nog alle teksten, en zoals altijd vertelt één van hen over hoe ze vroeger in de keuken gitaar stonden te spelen op broodplankjes terwijl moeder spaghetti maakte. Elk een likje tomatenpuree, maar opletten van het dekseltje want dat is scherp.
Jan huilt en Lies houdt hem stevig vast. Het is hoe ze het altijd voor elkaar hebben gedaan. Ze kennen geen woorden voor troost.
Lies heeft het niet gezien. Jan ook niet maar hij doet alsof, en zij gelooft hem. Ze heeft het pas door als hij héél hard begint te overdrijven. Ze lachen luid.
“Nu!” roept Lies. Jan gooit het papieren vliegtuigje - een moeilijk model met kanonnen en aerodynamische staart - van de brug af, en het glijdt sierlijk naar beneden in de richting van de rondvaartboot.
Lies boert luid en Jan trekt een gezicht alsof hij daar enorm van schrikt. Dan boert Jan nog luider. Een man aan de volgende tafel kijkt hen beschuldigend aan, maar ze kijken zwijgzaam met een doodserieuze blik terug tot de man van ongemak doet alsof er iets interessants staat te lezen op zijn bierviltje.
“Jan?” vraagt Lies.
“Ja?” antwoordt Jan.
“Heb jij soms het gevoel dat wij in een soort filmtrailer leven, maar dan pakweg voor een boek of zo?”
“Ja, constant.”