1 Aan de overkant maakt een jongen in een wit T-shirt een maaltijd klaar. Ik vraag me af wat hij snijdt, of hij al een bord klaar heeft staan, of er iemand aan de eettafel op hem wacht. Hij wast zijn handen vaak, en droogt ze met een theedoek die zo mogelijk nog witter is dan zijn T-shirt. Ik voeg witte theedoeken toe aan mijn mentale lijstje van dingen die ik niet begrijp, dingen die een vergissing lijken. Op zijn balkon staat een langwerpige bloemenbak met roze bloemetjes erin. Ik zou hier wel willen wachten tot hij ze water geeft; het zou zo kunnen gebeuren, tussen het koken door, of nog wel weken kunnen duren, ik zou verhongeren.
2 Ik kijk naar links en zie een roze hangmat hangen op een balkon waarvan ik niet zeker weet of het ooit zon vangt; een hangmat in de schaduw komt me radicaal anders voor dan een in de zon, merk ik. Dit ziet eruit als een ding om in te piekeren, niet om in weg te dromen. Hangmatten horen bij de dingen die ik niet met thuis associeer, ook niet met balkons; voor mij gaan ze samen met zand en hoge bomen, met krekels, en blote voeten. Als ik onderuit zak op mijn stoel, verdwijnt de hangmat. Ik denk aan andere dingen die ik niet met thuis associeer, die onzichtbaar zijn tot je rechtop gaat zitten, die voor iemand heel dichtbij je thuis zijn.
3 Ik tel het aantal ramen waarin ik de reflectie van het dak boven mij zie, het dak dat ik vaker in die ramen zie dan zo, ja hoe eigenlijk, met mijn blote oog? Voor reflecties heb je geen vergrootglazen of verrekijkers nodig, probeer ik nu te beweren dat zij de werkelijkheid ontkennen, omkeren, uithollen, verstoppen? Het dak komt tevoorschijn als de zon laag genoeg staat, als het goud kleurt; het valt als een gordijn voor ramen en deuren, verstopt zo kokende mensen voor me, witte theedoeken, misschien wel meer hangmatten, middenin woonkamers, die hebben al helemaal geen zand en krekels nodig. Ik kan merken dat vandaag de zon geschenen heeft, want ik begin te begrijpen dat we tegenwoordig op reflecties leven. Ze doen onmogelijke dingen.
4 Ik stel me voor dat boven of onder me twee mensen een kind maken, of misschien ruzie. Er is glas dat nog nooit iets aan me heeft onthuld, niet terwijl ik keek, in de maanden dat ik hier woon. Die stille, donkere rechthoeken geven me iets om naar de staren, toestemming om iets in het leven te roepen, hoewel ik niet echt in toestemming geloof. In ieder geval hoef ik niet te doen alsof ik me alleen met mezelf bezighoud, alsof ik niets zie, nooit naar binnen gluur. Als het aan mij lag werden daar, in dat donker, levens geleid die nog niet in twee boeken samengevat konden worden, of er werd alleen geslapen, levensangst ontleed. Er is iets met buren, iets wat je toestaat van projecteren naar observeren en weer terug te gaan, je te generen maar niet met volle overtuiging, want je zit op je eigen stoel, meters verwijderd van je eigen bed, waarop ongetwijfeld, als de zon laag genoeg staat, woorden en waarheden worden geprojecteerd door dwarrelende blikken die willen wachten tot je iets water geeft, willen weten waaraan je je handen droogt.