Arnhem - Pianist Enrico Pieranunzi is donderdag 5 februari te zien en te horen in de Concertzaal van Musis Sacrum in Arnhem

if i look back, i am lost

tannertan36
d e v o n
$LAYYYTER
Lint Roller? I Barely Know Her
we're not kids anymore.
untitled
almost home
taylor price

pixel skylines
Cosmic Funnies



Love Begins
TVSTRANGERTHINGS
Noah Kahan

#extradirty
ojovivo

izzy's playlists!

JVL
seen from United States
seen from United States
seen from United States

seen from Türkiye
seen from United States
seen from United States

seen from Russia
seen from Brazil
seen from Pakistan
seen from Saudi Arabia

seen from Italy

seen from Türkiye

seen from United States
seen from United States
seen from United States

seen from United States

seen from United States
seen from United States
seen from United States
seen from United States
@jazzcontrasten
Arnhem - Pianist Enrico Pieranunzi is donderdag 5 februari te zien en te horen in de Concertzaal van Musis Sacrum in Arnhem

Anya is live and ready to show you everything. Watch her strip, dance, and perform exclusive shows just for you. Interact in real-time and make your fantasies come true.
Free to watch • No registration required • HD streaming
CD: Traeben - Looking at the Storm
Looking at the Storm, het derde album van Traeben, is soms nog kabbelend kijken naar een storm die er aan komt maar in sommige nummers hoor je de storm ook. In alle gevallen is het muziek die je graag aan hebt als het buiten stormt en je zit lekker warm binnen. Spannend, mooi en melodisch.
Jazz en rock worden op een mooie stylistische manier verbonden. Nooit wordt het ongemakkelijk, het gitaarspel past prachtig in de overige klanken. Waar een relaxte ritme sectie de basis vormt en waar het saxofoon spel op een prettige manier het overzicht behoud.
Na het goed ontvangen Push, levert Traeben met Looking at the storm een waardige opvolger. Het Deens-Nederlandse Jazz kwartet zorgt er met dit album voor dat je zin krijgt om deze muziek live te horen (en te zien)! En gelukkig dat kan, in november in elk geval op een paar plaatsen in Nederland. Kijk voor meer informatie op: traeben.com
CD: Levin Brothers - idem
Bassist Tony Levin, (o.a. bij Peter Gabriel, King Crimson), werkt voor het eerst samen met zijn broer, de keyboardspeler Pete Levin (speelde met o.a. Miles Davis, Gil Evans, Jaco Pastorius, Wayne Shorter). Ze brengen een album uit met muziek waar ze als kinderen graag naar luisterden - de 'cool jazz' van de jaren '50. Tony op cello en bas en Pete op orgel en piano worden bijgestaan door David Spinozza op gitaar, saxofonist Erik Lawrence en drummer Jeff 'Siege' Siegel. Drummer Steve Gadd drumt mee op de nummers 'Bassics' en 'Fishy Takes A Walk', een vervolg op een langdurige samenwerking Tony en Steve die al ontstond op school. De opnames voor het album vonden plaats in Scott Petito's NRS Studio in de buurt van Woodstock. De broers schreven 13 nieuwe nummers voor het album, daarnaast haalde ook het mooi 'Matte Kudusai' van King Crimson het album. Luister hieronder naar audio fragmenten van het album van de Levin Brothers:
Tony Levin: "This album's about a few things. It's a long overdue 'first record' by two brothers who've been making records individually for ... well, a lot of years! And it's a return home, for me and Pete, to the music we first shared as kids - the 'cool jazz' of the 50's. So it's been a labor of love to write pieces in that style, woodshed my cello playing, so as to use it as a lead instrument, and put together a record with melody based songs, short solos, and, hopefully, the chemistry of musicians who play like ... like brothers! "You'll see us in suits in the session photos - that was an effort to help be immersed in the genre of the music. Back in the 50's, I guess everyone put on a suit and tie to go to work, even jazz players. It took awhile to get used to, but was actually kind of fun. Old school! "We think this album will appeal to anyone who likes instrumental music, and it's a special treat to be able to offer it in vinyl (with digital download card, of course) as well as CD." Kijk voor meer informatie op: thelevinbrothers.com
JazzContrasten on Spotify - Aflevering 2
JazzContrasten is ooit begonnen als radioprogramma op Radio Voorne, de lokale radiozender voor Voorne-Putten en Rozenburg. Het idee achter JazzContrasten was om de contrasten in de jazz te laten horen, elke vrijdagavond een uur lang jazz nieuws, nieuwe jazz, oude jazz en alle facetten van de jazz. Sinds 2006 is JazzContrasten online te vinden als weblog met jazz nieuws en nieuwe jazz. Niets is echter zo leuk als het luisteren naar jazz, met behulp van Spotify afspeellijsten herleeft nu toch een stukje van het oorspronkelijke idee van JazzContrasten. Hierbij aflevering 2 van 'JazzContrasten on Spotify'. Alle afleveringen worden samengevat in één afspeellijst waarop je je kan abonneren via Spotify.
CD: Wolfgang Maiwald Trio - The Silent Ones
Hoewel de titel ‘The Silent Ones’ anders doet vermoeden staan er op de tweede cd van pianist Wolfgang Maiwald zeker niet alleen Silent Ones. Het Wolfgang Maiwald Trio is geen dertien in een dozijn trio. Het heeft een eigen geluid wat terug te horen is in mooie melodieuze nummers, spannend, sferisch van ballads tot uptempo.
Kreeg het debuutalbum van het trio al lovende kritieken, met dit tweede album benadrukt Wolfgang Maiwald nog eens extra zijn eigen geluid. Een geluid waar je ook een derde cd van wil horen. Samen met bassist Guus Bakker en drummer Pim Dros zet Maiwald een trio neer wat voortborduurt op de jazztraditie, maar wat ook voldoende ruimte neemt voor eigen interpretatie.
De twaalf nummers op ‘The Silent Ones’ zijn voor het merendeel van de hand van Maiwald, maar ook bassist Bakker leverde een bijdrage met het nummer ‘Fornette’. Verder zijn er uitvoeringen te horen van Herbie Hancock’s ‘Sonrisa’ en het prachtige ‘Lament’ van trombonist J.J. Johnson. Een mooi eerbetoon is er met het nummer ‘Tribute to Rob’ opgedragen aan één van de leermeesters van Wolfgang Maiwald, de in 2003 overleden Rob Madna. Andere muzikanten waar hij middels een nummer bewondering voor toont zijn saxofonist Toon Roos (Toontune) en de Britse pianist John Taylor (Mr. J.T.). Hoogtepunten op het album zijn ‘Flamenica’, ‘Circles’ en het titelnummer ‘The Silent Ones’.
Ter promotie van het nieuwe album is het Wolfgang Maiwald Trio de komende maanden op tour. De officiële presentatie van het album is op 21 september in de North Sea Jazz club in Amsterdam. Check voor de overige tourdata de website: www.maiwaldmusic.com.

Anya is live and ready to show you everything. Watch her strip, dance, and perform exclusive shows just for you. Interact in real-time and make your fantasies come true.
Free to watch • No registration required • HD streaming
John Blake Jr 1947 - 2014
John Blake Jr, jazzviolist overleed 15 augustus 2014 in Philadelphia aan huidkanker. Hij werd 67 jaar. Blake combineerde een degelijke klassieke techniek met de expressiviteit van de Afrikaaan- Amerikaanse spirituals, volksmuziek en blues. In zijn muziek stonden energie en helderheid voorop. Stilistisch lagen zijn voorkeuren meestal bij post-bop en jazz-funk.
Na een relatief lange periode na zijn klassieke opleiding vond hij zijn weg in de jazz. Hij speelde op platen van Archie Shepp, Grover Washington Jr en pianist McCoy Tyner. Daarnaast gaf Blake les onder meer aan Jeremy Kittel van het Turtle Island Quartet en Sara Caswell van de band van Esperanza Spalding en produceerde hij platen, onder meer voor zijn meest prominente leerlinge: violiste Regina Carter. Blake produceerde haar album uit 2010, 'Reverse Thread'. John Blake werd op 3 juli 1947 in Philadelphia geboren. Hij begon met vioollessen toen hij 9 jaar werd. Later volgden lessen piano en viool aan de Settlement Music School. Hij studeerde in 1969 muziek aan de universiteit van West Virginia. Pas daarna verlegde hij zijn interesse richting jazz. Ook volgde hij een postacademische opleiding in Montreux, Switzerland, waarbij hij bijzondere aandacht voor de muziek van Oost-India aan de dag legde. Toen hij terugkeerde naar zijn geboortestad Philadelphia volgde hij privélessen in improvisatie en harmonie en voorzag hij zich in zijn levensonderhoud door muzieklessen op scholen en in gevangenissen te geven. Blake pakte elke optreden wat hij kon krijgen, of het nu orkesten, showbands of rhythm and bluesbands waren, hetzij in Philadelphia hetzij in Atlantic City. Scholen, kerken, buurthuizen of kroegen in de buurt, zoals de beruchte Booty Butt Bar, overal trad hij op. Die optredens leverden vaak niet meer dan 15 of 25 dollar per nacht op, maar verschaften Blake daarnaast muzikale ervaringen die voor weinig andere violisten was weggelegd. Hij had een uitgesproken voorliefde voor optreden: 'Er gaat niets boven een optreden. Je kunt het nooit volledig repeteren. Veel van mijn ervaring is terug te voeren op het maken van fouten, maar ook op het geluk om met mensen samen te spelen die me de ruimte gaven om desnoods fouten te maken.' Al vroeg in zijn loopbaan werkte Blake samen met avant-garde saxophonist Archie Shepp en leverde zijn bijdragen op de albums 'The Cry of My People' en 'Attica Blues.' Hij kreeg meer bekendheid door te spelen bij de diverse formaties van saxofonist Grover Washington Jr. en pianist McCoy Tyner. Beide musici speelden later op de albums die Blake onder eigen naam het licht deed zien. Mc Coy Tyner stimuleerde Blake om composities te gaan schrijven. Op het album 'Horizon' van het Mc Coy Tyner septet leverde Blake, naast zijn bijdragen als solist ook de composities 'Motherland' and 'Woman of Tomorrow. Zelf bracht Blake het tot vijf albums op het Gramavision label, met als eersteling 'Maiden Dance' in 1984. De meest opmerkelijke album onder eigen naam was 'Rhythm and Blue' uit 1986 met de Europese violisten Michael Urbaniak en Didier Lockwood.
Zijn meest recente plaat kwam uit in 2010. 'Motherless Child' is een plaat met liederen en spirituals die hij arrangeerde voor zijn kwartet en Afro Blue, het vocaal ensemble van de Howard Universiteit. Bij deze opnamen is onder meer een instrumentele versie van de traditionele spiritual 'City Called Heaven,' met een indrukwekkende prelude vooor viool solo. Erkenning vanuit de jazzwereld volgde. In de tachtiger jaren werd John Blake vier maal winnaar van de DownBeat Critics’ Poll in de categorie 'Violinist Deserving Wider Recognition.' Die aanbeveling heeft hij in de jaren die volgden meer dan waar gemaakt. Bijdrage: C.P. Vincentius
In memoriam: Rob Langereis
Rob Langereis heeft lang meegereisd in de Nederlandse jazz. Bezoekers van de Tor in Enschede kennen hem waarschijnlijk het meest recent van zijn werk met de Dual City Concert Band. Rob was een flexibele muzikant, in de jazz met ensembles van diverse stijlen, maar ook daarbuiten. Zo speelde hij eind jaren zeventig bij Jasperina de Jong en hielp hij Wim T. Schippers mee om diens alter ego Jacques Plafond gestalte te geven. Maar de jazz maakte toch de hoofdmoot van zijn muzikale loopbaan uit. Binnen de jazz speelde Langereis met ensembles van de meest uiteenlopende stijlen. In 1965 maakte hij deel uit van het trio van Louis van Dijk Hij speelde in 1966 bij het Misha Mengelberg/Piet Noordijk kwartet op het Newport Jazz Festival. Het resultaat van die samenwerking is terug te vinden op Journey : Jazz at the Concertgebouw 1966. Maar in de loop der jaren konden ook het Wim Overgauw Quartet, het Cees Slinger Octet en het trio Frans Elsen op zijn begeleidende en solerende rol rekenen. Met het Metropole Orkest speelde hij van 1 september 1978 tot 31 Mei 1999, o.a. in 1999 bij de opnamen van Raymond Scott: Chesterfield Arrangements 1937-1938. Maar ook op opnamen van Clare Fisher, Lee Konitz, Zoot Sims, Toots Thielemans, Tete Montoliu blueszangers Little Willie Littlefield en Blind John Davis verleende hij zijn bijdrage. Zijn grote ervaring maakte hem flexibel, Hij wist meteen wat de muzikale situatie nodig had. Ook was hij leraar aan het Hilversumse Conservatorium en had onder meer arrangeur/bassist Johan Plomp uit Enschede als leerling. Met Rob Langereis is een van de groten uit het naoorlogse jazzgebeuren in Nederland heengegaan.
Bijdrage: C.P. Vincentius
JazzContrasten on Spotify - Aflevering 1
JazzContrasten is ooit begonnen als radioprogramma op Radio Voorne, de lokale radiozender voor Voorne-Putten en Rozenburg. Het idee achter JazzContrasten was om de contrasten in de jazz te laten horen, elke vrijdagavond een uur lang jazz nieuws, nieuwe jazz, oude jazz en alle facetten van de jazz. Sinds 2006 is JazzContrasten online te vinden als weblog met jazz nieuws en nieuwe jazz. Niets is echter zo leuk als het luisteren naar jazz, met behulp van Spotify afspeellijsten herleeft nu toch een stukje van het oorspronkelijke idee van JazzContrasten. Met enige regelmaat zullen er afspeellijsten van ca. een uur verschijnen op JazzContrasten. Al deze afleveringen vatten we samen in een afspeellijst waarop je je kan abonneren via Spotify.
CD: Benjamin Herman - Trouble
Bijna een maand geleden op 11 juli verscheen ‘Trouble’, het nieuwste album van saxofonist Benjamin Herman werd officieel gereleased tijdens het North Sea Jazz Festival in Rotterdam. Herman's 16e soloplaat. Dit keer koos hij voor een samenwerking met de 24-jarige Daniel von Piekartz. ‘Trouble’ is verkrijgbaar op cd, vinyl en digitaal. Voor het eerst in twee decennia heeft Herman een heel album met vocaal werk afgeleverd. Benjamin Herman: “Daniel zou eigenlijk slechts op twee tracks meespelen. Hij is uitzonderlijk muzikaal en de ideeën bleven maar komen. We hadden geen zin om te stoppen.” Von Piekartz speelt en zingt op acht van de tien stukken mee. Benjamin Herman heeft al jaren een zeer hecht trio met Ernst Glerum en Joost Patočka. Of het nu de composities van Misha Mengelberg, evergreens of eigen werk betreft, zeker is dat deze worden geïnterpreteerd met visie en “prettige virtuositeit’’ (Volkskrant). Door Herman’s drive en de twee werelden van Glerum (ICP Orchestra) en Patočka (Rita Reys) is het werk van deze formatie altijd van grote klasse. Op het nieuwe album ‘Trouble’ staan stukken van onder meer Fats Waller, Henry Mancini en Sly Stone. Veelal voorzien van een postmoderne make-over waar menig nachtclubbezoeker de laatste tram voor zou willen missen. Naast de unieke Daniel von Piekartz is er uiteraard de brille die we van Herman en consorten gewend zijn. Benjamin levert met dit album een prima album af wat zijn brede oeuvre verder completeert.
Charlie Haden 1937 -2014
"Wanneer we samen spelen, lijkt het of twee mensen zingen,' vertelde pianist Keith Jarrett over de 47 jaar dat contrabassist Charlie Haden zijn muzikale compagnon was. Hij deed die uitspraak ter gelegenheid van het verschijnen van 'Last Dance' de cd van het duo, die eerder dit jaar het licht zag. Zijn stijl was niet discreet, hij was geen begeleider die trouw de akkoordenschema's volgde. Daar was zijn carrière in de jazz ook niet naar. Die carrière had een, althans voor een jazzmusicus van de avant-garde, wat exotische start. Hij was het jodelende knaapje Cowboy Charlie in de Haden Family hillbilly band en hij zou dat tot zijn vijftiende blijven.
In de jaren daarop trad Haden in 1959 toe tot het kwartet van avant-gardist Ornette Coleman. Ornette Coleman was in die dagen bezig een nieuw manier van improviseren te ontwikkelen, een die constant en alert moduleren van de harmonische structuur en de thema's van de te spelen nummers vroeg. Charlie Haden had een warme, ronde en traditionele klank en tegelijkertijd een meer instinctief dan analyserend inzicht van de melodie. De moderne speltechniek voor de contrabas had op dat moment niet zijn voorkeur. Die kwaliteiten, en het gemak waarmee hij op de revolutionaire methoden van Ornette Coleman inspeelde, maakten hem later in zijn carrière favoriet bij veel musici, uiteenlopend in stijl van Don Cherry, Yoko Ono, Pat Metheny en Diana Krall. Hij toonde zich daarnaast een bandleider met karakter, originaliteit en onafhankelijkheid.
Charlie Haden werd op 6 augustus 1937 geboren in Shenandoah, Iowa. Na de muzikale jeugd bij zijn familie begon hij de contrabas te spelen, geholpen door een oudere broer. Zijn zangcarrière eindigt na een aanval van polio. De ommekeer van country richting jazz volgde, toen Haden in 1951 Charlie Parker in Omaha hoorde spelen. De teenager vond allereerst werk bij de countrygitarist Hank Garland, een musicus die de jazz een warm hart toedroeg. Ze traden op in de televisieshow The Ozark Jubilee. Die optredens bleken voor Haden de laatsten in de countrymuziek, voor hij naar Los Angeles verhuisde en zijn studie begon aan het Westlake College of Music. Daar speelde hij met musici als Art Pepper, de Canadese pianist Paul Bley en de hardbop pianist Hampton Hawes.
Paul Bley boekte met veel lef de 28jarige Ornette Coleman met zijn bijzondere manier van fraseren en aparte opvattingen over melodie voor een seizoen bij de Hillcrest Club, Los Angeles. Haden was van de partij. Ornette Coleman koos Haden voor de opnamen van 'The Shape of Jazz to Come', in 1959 een mijlpaal in Ornette's carrière. Ook was Haden bij het eerste optreden van de band van Coleman in New York en speelde hij op de navolgende LP's van Coleman, zoals 'Change of the Century',' This is Our Music', en de dubbelkwartetopnamen van 'Free Jazz'.
In 1966 verhuisde Haden naar New York in eerste instantie om er free-lance werk te vinden. Een jaar later voegde hij zich opnieuw bij Ornette Coleman, maar hij speelde ook bij het kwartet van pianist Keith Jarrett, wiens ster op dat moment rijzende was, met saxofonist Dewey Redman en drummer Paul Motian. In 1969 presenteerde Charley Haden samen met componiste Carla Bley het Liberation Music Orchestra, een reactie op Amerikaanse oorlogsbemoeienis in Vietnam en Cambodia. Dit orkest had een repertoire van protestliederen, zoals Haden's ´Song for Che´ en Coleman's ´Lonely Woman´. Een concertuitvoering van dit repertoire leidde in 1971 in Portugal tot de arrestatie van Haden, omdat hij ´Song for Che´ opdroeg aan de rebellen in Angola en Mozambique. Het orkest liet steeds opnieuw van zich horen; in 1982 tegen de buitenlandse politiek van Ronald Reagan, in 1989 tegen George Bush Sr. en in 2004 tegen de oneerlijke uitslag van de presidentsverkiezingen ten gunste van George W. Bush.
Gedurende het midden van de jaren zeventig bleef Haden werken bij de formaties van Keith Jarrett, hetgeen resulteerde in LP's als ´Fort Yawuh´ uit 1973 en ´Death and the Flower´ uit 1975. Terugkijkend vond Haden het een van de meest bevrijdende kleine formaties uit die periode.
In 1976 werd hij de hoeksteen van de formatie Old and New Dreams, een eerbetoon aan het Ornette Coleman Quartet, met Dewey Redman op saxofoon en Don Cherry op trompet. In 1982 hield hij zich met drie uiteenlopende activiteiten bezig. Hij werd achtereenvolgens leider van de jazzafdeling van het California Institute of the Arts, maakte de tweede LP van het Liberation Music Orchestra, The Ballad of the Fallen, en werkte zowel met de Noorse saxofonist Jan Garbarek als met de Braziliaanse gitarist Egberto Gismonti. Met het ten tonele voeren van de formatie West, met saxofonist Ernie Watts en pianist Alan Broadbent in 1986 keerde Haden terug naar de klassieke songs die hij als kind had gehoord en naar de soundtracks van film noir, die zijn muziek met een schemerig soort nostalgie vervulde. Tijdens het Montreal Jazz Festival in 1989 waren er acht concerten te zijner ere, onder meer duo´s met de gitaristen Pat Metheny en Jim Hall en de pianist Hank Jones. Met de LP Beyond The Missouri Sky, samen met Metheny, won hij in 1997 een Grammy, een van de drie uit zijn loopbaan. Tot in het midden van jaren negentig maakte hij opnamen, onder meer met de saxofonisten Joe Lovano en Michael Brecker, zangeres Abbey Lincoln en de gitarist John Scofield.
Op de retrospective cd Rambling Boy uit 2008, speelden zijn vrouw en musicus Ruth Cameron en hun kinderen mee. Een film van deze opnamen volgde. Een van de laatste hoogtepunten van de loopbaan van Charlie Haden was het optreden in 2009 van het Liberation Music Orchestra op het Meltdown Festival in Londen. Muziek van Ornette Coleman werd gemixt met die van David Bowie en Samuel Barber. Charlie Haden droeg tijdens dat concert zijn muziek op aan een Amerika dat zowel de dromen van Martin Luther King als de majesteit van het Vrijheidsbeeld waard is.
Het was in de periode dat de polio die zijn jeugd had bepaald, opnieuw opspeelde. Het post polio syndroom bepaalde in toenemende mate zijn resterende jaren. Charlie Haden stierf op 11 juli 2014. Hij werd 76 jaar.
Bijdrage: C.P. Vincentius

Anya is live and ready to show you everything. Watch her strip, dance, and perform exclusive shows just for you. Interact in real-time and make your fantasies come true.
Free to watch • No registration required • HD streaming
Jimmy Scott 1925 - 2014
Het was een hoog, bijna vrouwelijk stemgeluid, dat niet door iedere jazzliefhebber op prijs werd gesteld. Maar het handelsmerk van Jimmy Scott hielp hem wel aan een muzikale loopbaan tussen de groten der jazz van de afgelopen vijftig jaar. Het was ook een loopbaan met veel tegenslag, ellende en jarenlang negeren, voordat hij op latere leeftijd de erkenning kreeg die hij verdiende. De loopbaan van Jimmy Scott begon in de veertiger jaren en resulteerde in 1950 in een kleine hit 'Everybody’s Somebody’s Fool'. Merkwaardig was dat hij in de roem niet kon delen. Het nummer werd een hit tijdens zijn werk bij de band van Lionel Hampton en de naam van de zanger werd nergens vermeld.
Zelfs met een dergelijke bescheiden presentatie had Jimmy Scott grote invloed op de generatie van zangers na hem, variërend van Nancy Wilson en Dinah Washington tot Frankie Valli, Marvin Gaye .
Hoewel hij muziek maakte van een verfijnde smaak en zijn platen in kleine aantallen werden verkocht, werd hij een soort culturele toetssteen. Er werden documentaires over zijn leven gemaakt, er verscheen een biografie en critici toonden hun waardering voor zijn stijl van zingen. Qua stijl uiteenlopende artiesten als Billie Holiday, Liza Minnelli en David Byrne hadden bewondering voor Scott. Hij werd door Lou Reed uitgenodigd om mee op toernee te gaan, want volgens Reed had Jimmy Scott de meest uitzonderlijke stem die hij ooit had gehoord. De regisseur David Lynch vroeg hem voor de laatste episode van het TVdrama 'Twin Peaks', waarvoor hij 'Sycamore Trees' zong. De songs van Jimmy Scott belandden op de soundtracks van films als 'Glengarry Glen Ross' en 'Philadelphia'.
Zijn stem reikte tussen alt en mezzosporaan, maar er klonk mannelijk kracht in door. Door een hormonale afwijking in zijn jeugd, die later bekend werd als het Kellmann Syndroom, kwam Scott nooit door zijn puberteit en veranderde zijn stem niet toen hij volwassen werd. Hij was tenger gebouwd, had geen gezichtshaar en was klein, tot hij rond zijn dertigste levensjaar onverwacht toch nog in lengte toenam. Jarenlang stond hij te boek als Little Jimmy Scott. Hij trouwde vijf keer en had een aantal vriendinnen, maar hij had een androgene uitstraling die leidde tot kleineren, vernederen en pijnlijke discussies. In zijn biografie Faith in Time: The Life of Jimmy Scott vertelde hij: Tijdens mijn volwassenheid keken mensen naar me alsof ik iets geks was. Ik werd voor homo, meisje, oud wijf, idioot en flikker uitgemaakt. Men vond mijn zang te vrouwelijk. Ze konden me in geen enkele categorie plaatsen, niet in mannelijk of vrouwelijk, niet in pop of jazz. Maar ik zag al vroeg dat mijn lijden ook mijn redding zou zijn.'
Scott zettte zijn problemen om in een dramatische en originele stijl van zingen. Hoewel hij geen noot kon lezen, begreep hij de diepere betekenis van de teksten en was op zijn best in emotionele ballads zoals 'I’ll Be Around', 'Sometimes I Feel Like a Motherless Child' en 'Why Was I Born?' Hij zong vaak in een zeer langzaam tempo, zodat hij gelegenheid kreeg om de teksten naar inhoud te accentueren en zo aan algemeen bekende standards een andere emotionele lading te geven. In een interview in 1988 schetste Quincy Jones hoe Jimmy Scott in de vijftiger jaren optrad. 'Hij stond daar maar met zijn schouders omhoog, zijn ogen gesloten en met zijn hoofd naar een kant. Hij zong als een blaasinstrument, met het muzikale concept van iemand die een instrument bespeelt. Het was een zeer emotionele stijl, die diep in je ziel doordrong.'
James Victor Scott werd in Cleveland geboren in een gezin van tien kinderen. Zijn vader was wegenbouwer. Zijn moeder speelde piano in de kerk. Toen Jimmy dertien was overleed zijn moeder. Toen zij haar dochter probeerde te redden bij het oversteken, stierf zij na aanrijding door een auto. Maanden eerder stopte de groei van Jimmy Scott en kreeg hij te horen hoe het met de genetische fout zat, waaraan ook een broer en twee ooms leden. Zijn vader bleek niet staat het gezin bijeen te houden en de kinderen raakten verspreid over weeshuizen en pleeggezinnen. Hierdoor maakte Scott zijn middelbare school nooit af en waren zijn eerste baantjes schoonmaker in een theater en verzorger bij een dansensemble.
In 1944 sloot hij zich aan bij de rondreizende revue van Estelle “Caledonia” Young, en begon hij te zingen in kleine theaters in het midden westen van de Amerika. In 1948 werd hij zanger bij de band van Hampton en nam hij in 1949 'Everybody’s Somebody’s Fool' op, dat het tot No. 6 van de Billboard R&B chart in 1950 bracht. Hij werkte van tijd tot tijd bij Hampton tot 1953 en trad in dat jaar bij de inauguratie van president Dwight D. Eisenhower op. Veertig jaar later deed hij hetzelfde bij de inauguratie van president Bill Clinton.
In de vijftiger jaren maakte Scott een paar opnames voor kleinere labels, waarbij opnames met een groep die door pianist Billy Taylor werd geleid. Bovendien trad Scott op in clubs zowel in New York als in New Jersey en maakte hij opnamen voor het Savoy label, dat hem ten onrechte presenteerde als een rhythm-and-blueszanger. 1963 werd het jaar van 'Falling in Love Is Wonderful', een LP vol prachtige ballads. Jimmy Scott was op de top van zijn vocale kunnen. Omdat hij meende niet meer bij Savoy onder contract te staan, maakte hij opnamen voor het Tangerine label van Ray Charles. Toen die LP de nodige aandacht bij de radiostations kreeg, dreigde de eigenaar van het Savoy label, Herman Leblinsky, met juridische actie. Hij claimde een levenslang contract met Scott te hebben. Dit meningsverschil leidde er toe dat de nieuw LP van Scott uit de platenbakken verdween. en pas veertig jaar later opnieuw werd uitgebracht. Ook de LP 'The Source' die het Savoylabel in 1969 zou uitbrengen, bleef op de planken en verscheen pas officeel in 200. Door deze problemen besloot Jimmy Scott zijn zangcarrière niet voort te zetten. Hij vestigde zich in Cleveland en hield zich in leven met baantjes als kok en ziekenhuishulp. Hij had in die periode een gigantisch drankprobleem dat onder meer bijdroeg aan vier opeenvolgende huwelijken en scheidingen.
Erkenning en herwaardering van zijn unieke talent kwam geleidelijk aan eind tachtiger jaren en kwam goed op gang in 1991. Scott was jarenlang bevriend met Doc Pomus, schrijver van een aantal klassieke popsongs zoals 'This Magic Moment' en 'Save the Last Dance for Me'. Pomus had gevraagd of Jimmy Scott op zijn begrafenis George and Ira Gershwin’s 'Someone to Watch Over Me' zou willen zingen. Toen Scott begon te zingen, was het publiek aan de grond genageld. Weinigen wisten nog wie Jimmy Scott was. Een van de aanwezigen was Seymour Stein, een stafmedewerker bij Sire Records. Toen rij na rij fluisterend de vraag werd gesteld wie de zanger was, realiseerde Stein zich dat dit Jimmy Scott zou moeten zijn. De dag daarop begonnen de onderhandelingen over een contract en in 1992 verscheen er een nieuwe cd met medewerking van onder meer Kenny Barron, Ron Carter, Grady Tate en David 'Fathead' Newman. 'All the Way' werd overal lovend ontvangen, bereikte no.4 op de Billboard Jazz hitlijst en kreeg een nominatie voor een Grammy. De cd 'Holding Back The Years'werd in oktober 1998 uitgebracht door Artists Only Records en steeg naar no. 14 op de Billboard Jazz Albums hitlijstt. Op de titelsong was het voor het eerst in zijn lange loopbaan dat Jimmy Scott zijn eigen zang overdubde. De cd bevatte veel actuele popsongs zoals 'Nothing Compares 2 U' (geschreven door Prince en beroemd door Sinhead O' Connor), 'Jealous Guy' van John Lennon, 'Almost Blue' van Elvis Costello en 'Sorry Seems To Be The Hardest Word'van Elton John & Bernie Taupin. Jimmy Scott sleet zijn laatste jaren in Las Vegas en bleef tot drie jaar voor zijn overlijden optreden. Hij kon terugzien op een carrière van bijna vijfenzestig jaar. Op 12 juni 2014 overleed hij in zijn huis in Las Vegas. Hij werd 88 jaar.
Bijdrage: C.P. Vincentius
Phil Mason 1940 - 2014
Jazz maakte van Phil Mason een globetrotter en een gevierd jazztrompettist in de New Orleansstijl . In de laatste vijfendertig jaar van zijn leven was hij bovendien boer en organisator van het jazzfestival op het Schotse eiland Bute, nabij The Firth of Clyde en Glasgow. Hij overleed 9 juni 2014. Zijn leven had een roerig begin. Phil Mason werd op 10 april 1940 in de Noord Londense wijk Kentish Town geboren, midden in de Blitzkrieg en de daarbij behorende bombardementen. Algauw werden Phil en zijn zuster Sheila geëvacueerd naar Norfolk. Toen het oorlogstij keerde , kwam het gezin Mason terug in London en vestigde zich in de wijk Muswell Hill. Hoewel zijn leraren een intelligente jongen in hem zagen, was er de nodige bezorgdheid over zijn gebrek aan discipline. Hij kwam weliswaar door zijn examens voor de middelbare school, maar kreeg een slecht cijfer voor muziek. Volgens zijn muziekleraar miste hij 'het muzikale oor'.
Op zestienjarige leeftijd verliet Phil de school met als enige ambitie grafdelver te worden, maar dat was een korte bevlieging. Hij studeerde verder aan het Trinity College in Dublin en koos voor moderne talen. Tijdens die jaren in Dublin groeide zijn interesse in de diverse kunsten; speciaal de Italiaanse opera had zijn. Tegelijkertijd had de folkgroep The Dubliners zijn warme belangstelling en konde klassieke muziek van de Ierse componist Sean O’Riada zijn waardering wegdragen. Op zijn zestiende verjaardag had hij een trompet gekregen en daarop oefende Phil op zijn studeer- annex slaapkamer in Townend Street, Dublin. Om overlast te vermijden, dempte hij het geluid met een grijze handdoek. Zijn eerste betaalde optreden was in de The Boot Inn, County Dublin, waar hij speelde met Richie McGowan, Barry Richardson en Martin Bennett. Na aftrek van hun uitgaven hielden ze aan het einde van de avond ieder 80 pence over. In 1966 trouwde Phil Mason zijn eerste vrouw, Kate. Hij werd huisvader.Voetbal speelde een grote rol in zijn leven. Hij had een reputatie als verdediger en werd uiteindelijk aanvoerder van zijn team, Old Tollingtonians FC. Met dat team won hij de Old Boys Cup, een eer die veel later aan zijn oudste zoon Neil ten deel zou vallen.
Toen hij van zijn studie in Dublin terugkeerde zorgde een telefoontje ervoor dat Phil in Londen ging spelen Eric Silk's Southern Jazz band van 1966 tot 1969. Zijn loopbaan als beroeps kreeg pas echt zijn beslag, toen Phil in 1970 toetrad tot Max Collie’s Rhythm Aces. Deze jazzband werd in 1966 geformeerd door John Maxwell Collie, die eerder The London City Stompers leidde. Max Collie’s Rhythm Aces toerde door Engeland en Europa, los van een serie min of meer reguliere optredens in diverse Londense etablissementen. Voor Phil was Londen en de jazz het ene focuspunt van zijn activiteiten. Het andere focuspunt was de boerderij Shalunt Farm op het eiland Bute, tussen het dorp Port Bannatyne en de terminal van het veer bij Rhubodach.
Met Phil Mason’s New Orleans All-Stars startte hij in 1992 zijn eigen band, een band duidelijk in de traditie van Chris Barber, Max Collie en Terry Lightfoot. Deze formatie leverde onder meer een van de beste cd's van de Britse traditionele jazz: Phil Mason Spirituals & Gospels met Christine Tyrrell als zangeres. Op het eiland Bute gold hij als een soortement van boer, een die sinds zijn vestiging met zijn tweede vrouw Hanne in 1979, veel tijd investeerde om door de boerengemeenschap op Bute geaccepteerd te worden.
Vanaf het begin van de tachtiger jaren vorig eeuw speelde Phil en een kleine groep vrienden regelmatig in de Struan Bar en het Grand Marine Hotel in Rothesay. Samen met zijn vrouw Hanne en een vriend van de familie, Bill Hassall besloot Phil Mason de sprong te wagen. Ze organiseerden een jazzfestival in Bute. Na het begin met slechts drie bands, groeide het festival snel en daarmee ook de stroom van liefhebbers van traditionele jazzl. Het eiland Bute voer wel bij de stroom bezoekers die het jazzfestival opleverde. Acker Bilk, Kenny Ball, Chris Barber en The Temperance Seven; allemaal maaakten ze hun opwachting. Phil Mason maakte bij de organisatie en het boeken handig gebruik van zijn vele contacten in de jazzwereld.
Toen vier jaar geleden zijn gezondheid verstek liet gaat, werd Phil in 2010 gedwongen de organisatie over te dragen aan het team waarmee hij de laatste jaren het festival had geleid. Phil Mason werd 74 jaar en laat de wereld ruim vijftig LP's, twee vrouwen, zes kinderen en tien kleinkinderen na.
Bijdrage: C.P. Vincentius
Horace Silver 1928 - 2014
Op 18 juni 2014 overleed Horace Silver in zijn huis in New Rochelle, New York. Silver was in de jaren van de zestiger van de vorige eeuw een van de stijliconen van de hardbop. Hij was pianist, bandleider en verantwoordelijk voor een aantal aanstekelijk swingende composities, zoals 'The Preacher ' ,' Sister Sadie' en 'Filthy McNasty'. Hij werd beïnvloed door een verscheidenheid van stijlen, waaronder gospel, Afrikaanse muziek en Latijns- Amerikaanse muziek . Ook het genre souljazz mocht op zijn belangstelling rekenen. Horace Silver werd op 2 september 1928 geboren in Norwalk, Connecticut als Horace Ward Martin Tavares Silva. Silver's vader, John Tavares Silva, was afkomstig van het eiland Maio, een van de Kaapverdische Eilanden. Zijn moeder kwam uit New Canaan, Connecticut en was van Iers- Afrikaanse afkomst.
Silver begon zijn muzikale loopbaan als tenorsaxofonist, maar verkoos later de pianotoetsen. Zijn spel op de tenorsaxofoon liet duidelijke invloeden van Lester Young horen. Zijn pianospel was geënt op dat van Bud Powell. Silver werd in 1950 ontdekt in de Sundown Club in Hartford, Connecticut. Stan Getz speelde als gastsolist in deze club en werd begeleid door het trio van Silver. De samenwerking beviel Stan Getz en hij ging met het trio op toernee. De samenwerking ging verder. Getz naam drie composities van Silver op en Silver maakte bovendien met Getz zijn platendebuut en wel met opnamen die als een van de hoogtepunten in de loopbaan van Stan Getz worden beschouwd The Roost Recordings uit 1951.
In 1951 verhuisde Silver naar New York City, waar hij op maandagavonden werk vond in Birdland. De maandagavond was een avond waarop diverse musici samenkwamen om in informele sfeer met elkaar te jammen. Gedurende datzelfde jaar ontmoette Silver mensen van het Blue Note label. Hij kreeg werk als begeleider en kreeg een contract aangeboden, dat hem tot 1980 aan het label verbond. In New York formeerde hij de Jazz Messengers, een formatie die hij samen met drummer Art Blakey leidde. De samenwerking met Art Blakey resulteeerde in 1952 en 1953 in drie opnamesessies met zijn trio, Blakey op drums en Gene Ramey, Curly Russell of Percy Heath aan de contrabas. De samenwerling met Art Blakey duurde vier jaar. In die periode zagen twee LP's het licht die als hoogtepunten van de hardbopperiode mogen worden beschouwd: A Night at Birdland Vol. 1) met Russell, Clifford Brown en Lou Donaldson; At the Bohemia met Kenny Dorham en Hank Mobley. Daarnaast was Horace Silver in 1954 lid van de Miles Davis All Stars, tijdens de opname van de roemruchte LP's Walkin' en Bags Groove.
Vanaf 1956 maakte Silver exclusief opnamen voor het Blue Note label. hij werd geleidelijk aan een vertrouweling van platenbaas Alfred Lion, die hem meer invloed op de productie van de plaatopnamen toestond dan in die tijd te doen gebruikelijk was. Zo overtuigde Silver zijn platenbaas Lion om 'The Preacher' op te nemen. Lion vond het wat ouderwets klinken, maar Silver bleek gelijk te hebben; het nummer werd een van zijn hits. Gedurende zijn jaren bij Blue Note leverde Silver een wezenlijke bijdrage aan de hardbopstijl, waarbij elementen uit de rhythm-and-blues en de gospel met jazz werden gecombineerd. Zijn composities kenmerkten zich door verrassende tempowisselingen en een scala aan muzikale ideeën. In zijn pianospel wisselde hij met groot gemak van agressief en percussief spel naar romantisch, soms binnen enkele maten. Het leverde hem veel fans op. Tegelijkertijd was zijn hamerend hanteren van herhaling 'funky' , lang voordat die term onder de hipsters in zwang kwam.
Naast de eigen muzikale bijdrage van Horace Silver waren het de nieuwe sterren in zijn formaties die mede het muzikale succes ervan bepaalden. Rijzende sterren als de saxofonisten Junior Cook en Hank Mobley, de trompettist Blue Mitchell en drummer Louis Hayes maakten hun opwachting. De belangrijkste LP's uit die periode zijn 'Horace Silver and the Jazz Messengers'uit 1955, '6 Pieces of Silver' uit 1956 en 'Blowin' the Blues Away' uit 1959, met 'Sister Sadie'. Silver liep er niet mee te koop dat hij het Portugees goed beheerste en evenmin bracht hij zijn muzikale opvoeding ter sprake. Zijn hit uit 1965 'Cape Verdean Blues' is de enige referentie aan zijn jeugd, waarin zijn vader en diens vrienden de traditionele Kaapverdiaanse morna en coladeira speelden. In het interview uit 1964 naar aanleiding van de LP 'Song for My Father'- ofwel Cantiga Para Meu Pai- merkte Silver op: Deze song is van mijn hand, maar hij heeft een smaak die mij aan mijn jeugd doet denken. Enige familieleden, waaronder mijn vader en mijn oom, hadden regelmatig partijtjes met drie of viersnarige instrumenten. Mijn vader speelde viool en gitaar. Het waren gezellige en informele sessies. Maar naast de Kaapverdische muziek beínvloedde ook de bossa nova de muziek van Silver. 'Ik was onder de indruk van het authentieke bossa novaritme. Niet het monotone tick-tick-tick, tick-tick, zoals het vaak wordt gedaan, maar het echte bossa nova gevoel. Dat heb ik in 'Song for My Father' proberen te laten doorklinken.' Dat klonk door tot in de zeventiger jaren toen de jazzachtige pop van de groep Steely Dan hun grootste hit had met 'Rikki, Don't Lose That Number', afgeleid van het basriffje waarmee 'Song for My Father' opent. Silvers vroegste invloeden waren onder andere de boogie-woogie en de blues. Daarnaast had hij een open oor voor Art Tatum, Teddy Wilson, Nat “King” Cole, en Thelonious Monk. Hij citeerde graag werk van andere musici in zijn solo's en in zijn composities. Tijdens zijn samenwerking met Art Blakey maakte hij weinig opnames als de leider van een formatie. Dat veranderde na het vertrek van Blakey in 1956. Silver nam de Jazz Messengers over en gunde de plaats van Art Blakey aan de getalenteerde 18-jarige Louis Hayes.
In 1963 formeerde Silver een nieuwe groep met Joe Henderson op tenorsaxofoon en Carmell Jones op trompet. Toen Carmell Jones naar Europa vertrok, nam Woody Shaw diens plaats in en verving Tyrone Washington saxofonist Joe Henderson. Terwijl zijn populariteit groeide op basis van zijn vorige LP's wijzigde Silver zijn stijl geleidelijk richting funk en soul. Veel van zijn jazzfans haakten af bij LP's als 'The United States of Mind', waarop Silver vocaal te horen was. Ook de meer spiritueel ingestelde LP's konden de goedkeuring van veel fans niet wegdragen. 'Silver 'N Strings Play The Music of the Spheres ' uit 1979 is zo'n LP die slechts naar weinig jazzfans zijn weg vond. Silvers was de laatste musicus die bij Blue Note, voor het label in de zeventiger jaren als een nachtkaars dreigde uit te gaan. in 1981 formeerde hij zijn eigen platenlabels Silveto en Emerald. Beide labels was een kort leven beschoren. Eén LP uit die periode is zeker het vermelden waard: 'Continuity of Spirit' uit 1985 op het Silveto label, en wel vanwege de bijzondere orkestraties.
Uit de hele waslijst van Amerikaanse jazzgrootheden waarmee Horace Silver plaatopnamen heeft gemaaakt zoals Miles Davis, Sonny Rollins, Stan Getz, Milt Jackson, Kenny Burrell, Jay Jay Johnson, Kenny Clarke, Donald Byrd mag één Nederlandse bijdrage niet onvermeld blijven: The Cool Voice of Rita Reys (1956, Columbia). De muzikale invloed van Horace Silver is groot geweest. De pianisten Ramsey Lewis, Bobby Timmons en Les McCann zijn in hun stijl duidelijk schatplichtig aan Horace Silver. Maar de Blue Note-opnamen uit het midden van de vijftiger jaren, met of zonder Blakey, zijn nog steeds zeer het beluisteren waard.
Bijdrage: C.P. Vincentius
Jazz in 't Park - Gent
Jazz in 't Park (4-7 september), in het Gentse Zuidpark, gaat de 200ste geboorteverjaardag van Adolphe Sax vieren met "saxy nights". De organisatie brengt ook John Coltrane en Stan Getz opnieuw tot leven door authentieke concerten van beide jazzlegenden uit te zenden na de optredens.
Jazz in 't Park mikt zoals steeds op een breed publiek. "Al 21 jaar laten we een zo breed mogelijk publiek kennismaken met jazz in al zijn facetten, door gratis jazz aan te bieden, laagdrempelig maar daarom niet minder kwalitatief", zegt de Gentse schepen Annelies Storms (sp.a).
Het programma werd in themadagen opgesplitst. Donderdag is "fusiondag", met Skordatura Punkjazz Ensemble, Hijaz (wereldmuziek en jazz) en Electric Barbarian die nog meer genres en poëzie versmelt. "Fresh jazz" brengt op vrijdag nieuwe bands of projecten, met De Looze/Machtel/De Waele (jazz en comedie), het kwintet DelVitaGroup met interesse voor klassieke muziek en het vijfkoppig collectief STUFF rond de Gentse jazzdrummer Lander Gyselinck.
Zaterdag staan groepen met een grote bezetting op het podium, waaronder de bigband 't Mouvement, Rebirth Collective met crossovermuziek en Manngold de Cobre, een groep rond Peter Vermeersch en Rodrigo Fuentealba. Met "kittens and cats" speelt op zondag jong talent met gerenommeerde artiesten: zo deelt Nordmann het podium met Ivan Paduart & Tineke Postma, en het Bert Joris Quartet.
Behalve op zondag, wordt elke avond afgesloten met gefilmde authentieke jazzconcerten waarin respectievelijk tenorsaxofonist Coleman Hawkins, John Coltrane en Stan Getz centraal staan.
Bron: Belga/DB
Herb Jeffries 1913 - 2014
Wanneer er één persoon is op wie het oude New Orleansnummer 'Didn't He Ramble 'van toepassing is, dan is het wel de zanger Herb Jeffries. Na zijn hit 'Flamingo' met de band van Duke Ellington, begin veertiger jaren vorige eeuw, kan geen jazzliefhebber meer om deze kleurrijke figuur heen. Als zanger verdiende hij zijn sporen bij de orkesten van Erskine Hawkins, Earl Hines en Blanche Calloway. Maar naast zijn zang was Herb Jeffries in de zwarte gemeenschap van de dertiger jaren bekend als 'The Bronze Buckaroo', ofwel de eerste zingende ster in cowboyfilms, waarin uitsluitend zwarte Amerikanen figureerden.
Zijn loopbaan beslaat ruim zeventig jaar, waarin Herb Jeffries zowel film, televisie, nachtcluboptredens als plaatopnamen aan het Amerikaanse culturele erfdeel toevoegde. Toen de man op 25 mei 2014 in een ziekenhuis in West Hills, Californië zijn laatste adem uitblies, werd algemeen aangenomen dat hij ouder dan honderd jaar was. Zelf hield hij de mythe in stand 111 jaar te zijn, al zette zijn vriend en biograaf Raymond Strait daar de nodige vraagtekens bij. Herb Jeffries placht te overdrijven. Leonard Feather's Encyclopedia houdt het op 1916 en die datum lijkt mij bij benadering de meest betrouwbare.
Met zijn forse gestalte en kaken leek Jeffries de aangewezen figuur om de zwarte tegenhanger te worden voor de populariteit van blanke zingende cowboys als Gene Autry en Roy Rogers. In de tijd van de stomme film was het de zwarte acteur Bill Pickett die als rodeostar enige aandacht trok, maar een zwarte cowboyheld met Stetson en zwaaiende revolvers bracht een nieuw fenomeen tot leven.
Soms stond hij op de affiches als Herbert Jeffrey, van low budget films als: 'Harlem on the Prairie,' 'Rhythm Rodeo,' 'Two-Gun Man from Harlem,' 'The Bronze Buckaroo' en 'Harlem Rides the Range.' In deze films speelde hij vaak de rol van Bob Blake, een man die zowel de zang als de rechtvaardigheid in ruime mate aandacht gaf. De achtergrondzangers in deze rolprenten waren The Four Blackbirds, ook bekend als The Four Tones. Voor de bijrollen recruteerde Herb Jeffries zwarte acteurs die onder meer in Tarzan films hadden gefigureerd. Paardrijden had Herb Jeffries op de boerderij van zijn grootvader in Port Huron, Michigan geleerd. In zijn jeugd waren de films van Tom Mix en Buck Jones favoriet bij de jonge Herb. Jarenlang trachtte hij tevergeefs om sponsors te vinden voor cowboyfilms met zwarte acteurs. Uiteindelijk kreeg hij gehoor bij producer Jed Buell, de man die eind dertiger jaren furore maakte met een westernmusical waarin uitsluitend dwergen speelden,'The Terror of Tiny Town' uit 1938. Buell aarzelde eerst, omdat Herb Jeffries een te lichte huidskleur zou hebben. 'Ik vroeg hem, wat wil je, een vent die kan paardrijden, acteren en zingen of wil je alleen iemand die gekleurd is?' , vertelde Jeffries in 2003 aan de Washington Post. 'Toen maakte ik Buell attent op de film 'The Good Earth,’ waarin Paul Muni en Luise Rainer een rol als Chinese boeren vertolkten.' 'Ik daagde hem uit: Maak me zo zwart als je wilt en ik zal mijn hoed strak op mijn kop houden, zodat niemand mijn haar ziet. ' Uiteindelijk zei Buel ja tegen het plan. Geen van beiden had illusies omtrent de kwaliteit van de films. Vaak werd de plot van goedkope westerns met blanke acteurs gevolgd. Terugkijkend noemde Herb Jeffries deze films: “the first bunch of C-minus westerns,” hoewel ze in de tachtiger jaren bijdroegen aan een hernieuwde belangstelling voor zijn carrière. Als resultaat van die hernieuwde belangstelling zong hij in 1995 op de cd 'The Bronze Buckaroo (Rides Again)' waarin hij 'I'm a Happy Cowboy' en andere songs van zijn oude films opnieuw ten gehore bracht.
Over zijn achtergronden mocht Herb Jeffries graag fabuleren. Soms claimde hij dat hij in werkelijkheid Umberto Alejandro Balentino heette en dat zijn moeder Iers was en zijn vader Siciliaans en van gemengd ras.
In 2008 vertelde hij aan een journalist van The Atlanta Journal-Constitution over zijn afkomst. 'Ik heb iets van alle kleuren, net als iedereen. Wanneer we allemaal 10 of 15 generaties terug gaan, weten we niet meer wat we in ons dragen. Ik denk niet dat er een persoon die rond de Middellandse zee geboren is, die geen Moors bloed in zijn aderen heeft. Ik heb Siciliaans bloed en heb Moors bloed. Ik ben kleurling en ik hou ervan. Ik heb het recht om mijzelf te indentificeren zoals ik wil. Wanneer iemand het niet zint, wat menen ze dan te gaan doen? Mijn carrière kapotmaken?'
Jeffries heeft zijn vader nooit gekend. Hij werd opgevoed door zijn moeder. Deze runde een pension, waar veel zangers en andere mensen uit de theaterwereld woonden. Waarschijnlijk heeft deze introductie tot de showbusiness Jeffries geïnspireerd om in de nachtclubs en ballrooms van Detroit op te gaan treden. In 1933, voegde hij zich bij pianist Earl “Fatha” Hines en diens orkest tijdens de Chicago World’s Fair en bleef daarna twee jaar op toernee met de band.
Aansluitend zette hij alles op alles om carrière te maken in Hollywood, als acteur, schrijver en liedjesschrijver. In de cowboyfilms voerde hij de meeste stunts zelf uit. Toen de belangstelling voor zwarte cowboyfilms tanende was, ging hij terug naar Detroit. Hij meldde zich bij Duke Ellington in een Cadillac met stierenhoorns op de motorkap. Om zoveel visueel geweld kon Ellington niet heen en hij nodigde Jeffries uit om bij zijn band te zingen. Kort daarop, geaffichieerd als The Bronze Buckaroo, werd hij de eerste mannelijke vocalist bij de band.
Met de Ellington band nam hij in de vroege veertiger jaren diverse nummers op, zoals 'Flamingo,''Jump For Joy,' 'You, You Darling' en 'Brown Skin Gal in a Calico Gown.' In Los Angeles trad hij ook op in musical van Ellington over racisme 'Jump For Joy,' met Dorothy Dandridge. Filmacteur John Garfield raadde aan zijn huid donkerder te maken, omdat Jeffries te blank afstak tegen Dorothy Dandridge. 'Toen ik zwartgemaakt op het toneel verscheen,' vertelde Jeffries, 'werd Ellington furieus.' Waarop probeer je te lijken- Al Jolson? Ik probeerde het uit te leggen, maar Ellington stormde naar de producers. Ik heb me daarna nooit meer zwart gemaakt.'
Na zijn militaire diensttijd tijdens WOII, bleef Jeffries ongeveer tien jaar in Frankrijk en trad in diverse clubs op, zowel in Parijs als aan de Riviera. Daarna vestigde hij zich begin zestiger jaren in Los Angeles en bleef actief als zanger in clubs, op cruiseboten en in theaters, meestal met Ellington repertoire. Ook trad hij diverse malen op in televisiseries zoals 'Hawaii Five-O' en 'The Virginian.' Hij had zelfs in 1977 een bijrol in een echte western met Jack Palace in 'Portrait of a Hitman'. De herontdekking van zijn oude films gedurende de tachtiger jaren deed de interesse in de rol van zwarte cowboys herleven. Hij werd als commentator aangezocht. In 2004 viel hem de eer te beurt te worden toegelaten tot de Hall of Great Western Performers in Oklahoma.
Herb Jeffries was de Oosterse religies zeer toegenegen. Hij mediteerde elke ochtend. In zijn woelig aards bestaan consumeerde hij vijf huwelijken, waaronder een met de exotische danseres Tempest Storm, die hij in 1967 regisserde in de sexploitation horror film 'Mundo Depravados.' Zelfs aan de Westkust van de Verenigde Staten viel de stilte op, die zijn verscheiden met zich bracht.
Bijdrage: C.P. Vincentius

Anya is live and ready to show you everything. Watch her strip, dance, and perform exclusive shows just for you. Interact in real-time and make your fantasies come true.
Free to watch • No registration required • HD streaming
Victor Kaihatu 1939 - 2014
Victor Kaihatu, een van de bekendste contrabassisten in Nederland is begin mei van dit jaar overleden. Hij werd in 1939 in Java geboren en was een van de Indische Nederlanders, zoals b.v. de gebroeders Pronk, die de bebop een warm hart toedroegen. Hij was van Molukse afkomst. In het begin van zijn carrière, begin jaren zestig, vormde hij samen met zijn broer Ferry de indorockformatie The Emeralds, waar de broers een aantal hits, zoals 'Memories' mee scoorden. Ook zal zijn naam verbonden blijven aan het krontjong ensemble, dat hij jarenlang leidde. Victor Kaihatu heeft bij een groot aantal uiteenlopende jazzformaties gespeeld. Vanaf begin jaren zestig tot midden jaren zeventig was hett vooral avant-gardejazz wat de klok sloeg. Zo maakte hij in de loop der jaren deel uit van de combo's van Nedley Elstak en Pierre Courbois en speelde hij later vier jaar bij Loek Dikker en bij het Willem Breuker kwartet. Het Misha Mengelberg kwartet ( met naast Mengelberg Piet Noordijk, Han Bennink en Victor Kaihatu) won in 1966 de Wessel Ilcken Prijs. In de loop der jaren maakte Kaihatu deel uit van het Willem Breuker Kollektief en het ICP-orkest. Rond 1966 toerde hij met de formatie van de Duitse vibrafonist Günter Hampel. Deze formatie trad onder meer op tijdens het Roermondse Jazz festival van 1966, in de Kameleon te Arnhem en maakte met de Duitse zageres Inge Brandenburg een van de beste platen uit haar carrière. Hij maakte twee live platen met Toots Thielemans en maakte tijdens zijn carriére ook deel uit van combo’s met onder anderen Wim Overgaauw. Na zijn studie aan het conservatorium werd hij een veelgevraagd studiomuzikant en speelde hij mee op de meest uiteenlopende opnamen, tot de tune van de TV-show All You Need Is Love, toe. Hij begeleidde ook Nina Simone en heeft een tijd in Chicago gewoond. Die periode leverde ook de LP CHICAGO STATE OF MIND by Victor Kaihatu, Steve Horne Quartet. Ook gaf hij les aan het Hilversumse conservatorium en was leraar van o.a. Tonny Overwater. Op oude grammofoonplaten van The Millers zijn z’n stuwende baslijnen heel goed te horen. Ook de laatste jaren was hij nog steeds een graag geziene gast in het BIM-huis te Amsterdam. Bijdrage: C.P. Vincentius Naschrift:Omdat ik vond dat de info betreffende Victor Kaihatu uiterst summier was, heb ik de trombonist die op 'Chicago State of Mind' meespeelt, via e-mail gevraagd of er nog bijzonderheden zijn geweest tijdens die opnamen. Dit is zijn reactie: I am fortunate to have made two recordings with Victor Kaihatu. 'Chicago State of Mind' in Chicago and 'Love For Sale' in Amsterdam. The session in Chicago took a unfortunate turn right from the start when pianist, Dan Trudell, who was hired for the date, suffered an automobile accident on his way to the studio and was taken to the hospital with some broken ribs. Victor, however, would not be denied so we went ahead and recorded as a quartet. Victor's vision was to make a seamless recording, true to musical events and free of edits. Even the sound-check is included and each cut was done in one take. The absence of piano adds transparency to the session and allows for a wonderful window into Victor's artistry. I did not have much contact with Victor beyond the time frame of the two recordings. Please let me know if I can help you to contact others in Chicago who might be able to shed more light on his musical activity here. Best, Steve Horne
Alice Babs 1924 - 2014
Alice Babs, de enige Europese zangeres die ooit met Duke Ellington optrad, is 11 februari 2014 in Stockholm overleden. Geboren als Hildur Alice Nilsson op 26 januari 1924 te Vasterik, Zweden, werd zij uiteindelijk negentig jaar. Alice Babs was een sopraan met een bereik van drie octaven. Voordat de zangeres in 1963 met de band van Duke Ellington optrad, was ze al bijna twintig jaar lang een zangeres in het populaire genre. Ze trad in diverse films op en vertegenwoordigde Zweden in 1958 bij het Eurovision Song Festival. Met haar versie van 'After You've Gone' haalde ze in 1963 een 43e plaats in de Engelse hitlijsten.
In de late vijftiger en begin zestiger jaren werkte ze met twee Deense musici, de jazzviolist Svend Asmussen en de gitarist Ulrik Neumann. Samen vormde dit trio The Swe-Danes, die zowel in Europa als in de Verenigde Staten optraden. De opnamen van deze groep zijn muzikale hoogstandjes. Alice Babs was verantwoordelijk voor de onwaarschijnlijk hoge en zuivere sopraanpartijen, vaak unisono gezongen met het vioolspel van Asmussen. Scandinavian Shuffle was in 1960 een bescheiden hit. In ons land was er een grote fan, die zijn voorliefde voor dit trio op menige zondagochtend uitdroeg; Willem O'Duys liet The Swe-Danes vaak op de draaitafel leggen. Naast haar optredens in Europa met Duke Ellington trad Alice Babs ook in de Verenigde Staten op. Zij oogste zeer gunstige kritieken, met name door de vertolking met Ellington van diens Sacred Concerts. John S. Wilson, journalist bij de The New York Times prees in 1968 naar aanleiding van een dergelijk concert in de Cathedral Church of St. John the Divine in Manhattan in 1968, de warmte en de kracht van de stem van Babs en meende dat zij door haar inbreng haar plaats tussen de bovenste rij van de Ellingtonians innam.
In 1972 werd Alice Babs de eerste zangeres buiten het operagebeuren die tot zangeres van het Zweedse Koninklijk Hof werd benoemd. Zij legde zich toe op een vaak jazzy interpretatie van Zweedse volksliedjes en was een jazzzangeres pur sang op de LP "As time goes by" met het trio van Bengt Hallberg en de Arne Domnérus Big Band met Svend Asmussen. Later werd zij lid van de Royal Academy of Music. Ze bleef optreden en af en toe platen maken tot in het begin van deze eeuw. Alice Babs overleed aan de gevolgen van Alzheimer. Bijdrage: C.P.Vincentius