Boeien
De zeilboot verhuurder doet zijn ronde. Hij heeft een zonverbrand gezicht en een dikke buik. Zijn relaas duizelt me. Had ik nu nog maar wat nummers van ‘Zeilen’ doorgebladerd. Heb er eentje gelezen, met het verhaal van een meisje van dertien, Laura, die al jaren haar eigen zeilboot heeft. Onlangs maakte ze in haar eentje een tocht naar Engeland. Ze is geboren tijdens een zeilreis rond Nieuw Zeeland, vanaf dat moment ‘ins blauwe hinein’ gekeken. Als zesjarige heb ik een paar uur op de zeilboot van Oom Ger doorgebracht. Op de foto kijk ik bezorgd.
‘Wauw, wat een grote’ zegt broer, terwijl hij soepel de boot opstapt. Man kijkt op de kaart die voor hem ligt. ‘Vanavond varen we naar Hoorn’. Een koffieritje, had de verhuurder het genoemd. Het is rond windkracht 4. 11 tot 16 knopen in zeil taal. Man neemt het voortouw als enige zeil-ervaringsdeskundige. Hier hebben wij hem toestemming voor gegeven. Rond tienen komen we in Hoorn aan. We manoeuvreren de Bavaria in een plek tussen de andere boten. Boeien overboord, touw met mastworp vastmaken. De lijnen worden met een lus om de paaltjes bij de ligplaats gegooid. De kikker is een haak laag op de boot bevestigd, waaromheen als een krakeling, de andere kant van deze lijn wordt gelegd. Altijd alle lijnen binnenboord houden, niet op de rand laten liggen. Dan breekt of iemand zijn nek erover of glijden ze het water in. Gelukkig is er altijd iets te doen op een boot.
De volgende ochtend gaan we varen naar Enkhuizen, vandaar uit naar Hindeloopen, Friesland. Ligt er nog een plaats eerder? ‘Ja Stavoren, maar dat is niks joh’. Motor aan, boeien binnenboord. Langzaam verwijderen we ons van de haven. Ik kijk omhoog voorbij de klep van mijn pet, ruik de geur van het IJsselmeer. Dit is nog eens iets anders dan opgesloten zitten tussen vier muren turend in het scherm van je pc. Man geeft aan dat het moment is gekomen om de zeilen te hijsen. De motor kan uit. Broer en vriendin beheersen de kunst van het sturen met de zeilen op. De boot vaart onmiddellijk schuiner. Ik loop naar voren, grijp me vast aan elke lijn die het houdt, durf op de punt van de boot te gaan zitten. Ik voel de cadans van de golven.
Bij Enkhuizen maken we ons klaar voor de sluis. De boot gaat op de motor, man laat het zeil zakken, we gooien de boeien uit. Zeilboten aan de linkerkant a.u.b. klinkt een omroepstem. Broer staat voorop klaar als een cowboy met zijn lasso. Vriendin heeft binnen een mum vier boeien bevestigd waar ik nog sta te worstelen met de tweede. We wachten op het stijgende water (of dalend?). Op de kade knielt een vader naast zijn zoontje, wijst naar onze boot.
Op naar Hindeloopen. Ik loop de hut in, graai in mijn tas, verlies bijna mijn evenwicht: We gaan overstag. ‘Ik riep het nog’ zegt broer. We zitten midden op het IJsselmeer. De windkracht is ruim vijf, ik heb mijn regenpak aangetrokken. De golven klappen hard tegen de boot. Voor geen goud ga ik de hut meer in. Elke vezel in mijn lijf staat gespannen. Ik zoek houvast maar val om. Twee paar handen hijsen me recht, ik zie mijn broer denken, mijn zus gaat toch geen gekke dingen doen? Hij staat achter het stuur, man kijkt af en toe berekenend naar boven, naar de klappende zeilen, doet hier en daar iets, maar dit dringt niet goed door. Ik heb mijn oogkleppen op, kijk recht in de woeste golven, vervloek het hoge zeil dat de boot akelig schuin doet varen.
Vanaf dat moment besta ik uit angst. Broer geeft het stuur aan man, gaat aan de andere kant van de boot zitten. Vriendin zit half naast me, zegt: ‘denk aan iets anders, denk aan je bevalling, dat was veel erger toch? ‘Nee, dit is veel enger, absoluut’. ‘Echt waar!? roept ze uit. Niets kan me meer rustig maken. Mijn gevoel voor humor is weg. In mijn beleving duurt het uren. ‘Ik wil naar Stavoren, piep ik, ik wil aan land’. ‘We gaan naar Stavoren, maar we kunnen niet zomaar recht op het land af!’. Broer knikt bemoedigend. Inmiddels staat hij weer achter het stuur, vraagt iets aan man. ‘Ja, die boot volgen, heel goed’. Ik kijk naar de Duitse zeilboot voor ons die zichtbaar worstelt om tegen de wind en de golven in, met een bocht aan land te komen. Wat gaat ie scheef! ‘Als zij het redden, dan wij zeker’ lacht man. Het water spettert in zijn gezicht. ‘Je kunt je hier aan vasthouden’, wijst hij. Vriendin neemt het roer over van broer. Met fiere blik bestuurt ze de hevig deinende boot. Ik stuiter mee op het ritme van de golven. Mijn handen voelen verkrampt. ‘Oh, oh, oh, zeg ik hardop. Ik voel me gek van angst. Tuur wanhopig naar het land wat maar niet dichterbij lijkt te komen en verlang hevig naar Stavoren.
Dan………………………………….………………… Eindelijk
Broer springt als eerste op de steiger, ik spring hem achterna. Hij omhelst me even. De bedoeling is dat we nog een stukje omvaren om in een vrije parkeerplek aan te leggen. ‘Gaan jullie maar’ gebaar ik. Plompverloren laat ik mijn zeemaatjes zitten, loop via de steiger aan land, met zeebenen, zo snel als ik kan. Even later sta ik in het toiletgebouw van de haven Stavoren en was mijn handen. Ik kijk op in de spiegel. Mijn haren staan alle kanten op, de schrik staat in mijn ogen. Wat een vertoning.









