T-cellen - T-helpercellen
T-helpercellen zijn CD4+ T-cellen en herkennen peptiden gepresenteerd op MHC-II
Th1
Redenen tot activatie Intracellulaire micro-organismen (die fagocytose remmen) en extracellulaire bacteriën
Cytokine(s) en functie IFN-γ -> activeert macrofagen en stimuleert hen tot verhoogde fagocytose van pathogenen en remt Th2 differentiatie
Th2
Redenen tot activatie Nematoden, Cestoden en Trematoden (wormen/parasieten) Allergische reacties
Cytokine(s) en functie IL-4 -> aansporen van beenmerg tot productie van basofielen en mestcellen en remt Th1 differentiatie IL-5 -> aansporen van beenmerg tot productie van eosinofielen IL-13 -> aansporen van slijmbekercel voor mucusproductie
Th17
Redenen tot activatie Extracellulaire bacteriën en schimmels
Cytokine(s) en functie IL-17 -> aansporen van stromale cellen tot de productie van chemokines die neutrofiele aantrekken IL-22 -> aansporen van epitheliale cellen tot productie van antimicrobiële peptiden
Tfh
Redenen tot activatie Vrijwel alle micro-organismen waarbij antilichamen nodig zijn
Cytokine(s) en functie IL-21 -> aansporen van B-cellen tot isotype switching en affiniteits maturatie
Treg
Redenen tot activatie Homeostase van de afweer behouden
Cytokine(s) en functie IL-10 -> remt de productie van pro-inflammatoire cytokines en remt de antigeen presentatie van dendritische cellen aan T-cellen, waardoor er minder T-cel activatie is












